Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/60.2
60.2 De stand van zaken: de last onder dwangsom en invordering is herstellend
1
mr. dr. T.N. Sanders, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. dr. T.N. Sanders
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Deze bijdrage is gebaseerd op hoofdstuk 2 van mijn Leidse dissertatie: T.N. Sanders, Invordering door de overheid: de invordering van geldschulden uit herstelsancties onder de Awb, Deventer: Wolters Kluwer 2018.
Zie de literatuur genoemd in: F.C.M.A. Michiels, A.B. Blomberg en G.T.J.M. Jurgens, Handhavingsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p.290.
CBb 4 september 2003, ECLI:NL:CBB:2003:AL1183, AB 2004/14, m.nt. I.C. Vlies; ABRvS 19 september 1996, ECLI:NL:RVS:1996:ZF2322, AB 1997/91 m.nt. P.J.J. van Buuren, Gst. 1997-7046/2 m.nt. E. Brederveld; ABRvS 24 december 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AO0934, AB 2004/117, m.nt. F.C.M.A. Michiels, JB 2004/84, m.nt. C.L.G.F.H. Albers en HR 20 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7078, AB 2007/249, m.nt. A.B. Blomberg.
ABRvS 31 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1444, Gst. 2017/148m.nt.C.M.M. van Mil.
De last onder dwangsom is in artikel 5:31d Awb gedefinieerd als een herstelsanctie. Volgens de definitie strekt de last onder dwangsom ertoe om een overtreding geheel of gedeeltelijk te doen herstellen of de (herhaling van de) overtreding te voorkomen. Herstelt of voorkomt de overtreder de overtreding niet, dan verbeurt hij de dwangsom. De consensus over de last onder dwangsom in de literatuur lijkt te zijn dat de last onder dwangsom een reparatoir karakter heeft.2 Ook in de (bestuurs)rechtspraak is de consensus dat een last onder dwangsom geen leedtoevoeging beoogt, maar slechts het herstellen van de rechtmatige toestand en het voorkomen van de (verdere) overtreding tot doel heeft.3 In zoverre is de stand van het recht duidelijk en is de last onder dwangsom te karakteriseren als een reparatoire sanctie. Datzelfde geldt ook voor de invordering van de dwangsom. Zo overweegt de ABRvS:
‘4.2. Over het betoog van [appellant] dat de last onder dwangsom – en daarmee ook het besluit tot invordering van de dwangsom – een punitief karakter heeft waarop artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) betrekking heeft, overweegt de Afdeling het volgende. Het algemeen bestuur heeft bij het opleggen van bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen een eigen, niet van de met de strafvervolging en strafoplegging belaste organen afhankelijke verantwoordelijkheid. De last onder dwangsom is een reparatoire sanctie en de verbeurte van de dwangsom had door [appellant] kunnen worden voorkomen door zich te houden aan het bij of krachtens de wet bepaalde, terwijl een strafrechtelijke procedure kan leiden tot een punitieve sanctie die is bedoeld om leed toe te brengen na het plegen van een strafbaar feit. De dwangsom is – na het niet voldoen aan de last – van rechtswege verbeurd en de invordering van de dwangsom is niet bedoeld om leed toe te brengen na het overtreden van de last. Er bestaat onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de invordering van de dwangsom louter op basis van de hoogte van de dwangsom is aan te merken als een punitieve sanctie waarop artikel 6 van het EVRM betrekking heeft.’4