Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/5.2.1
5.2.1 Procesrechtelijke keuzevrijheid
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931174:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Hoofdstuk 4, par. 4.3.1.
Zie onder meer HR 9 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0706, NJ 1994/535, m.nt. C.J.H. Brunner (DES-dochters), r.o. 3.7.4; HR 2 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU5661, NJ 2006/444, m.nt. J.B.M. Vranken (Rijpma/Groot), r.o. 4.1; HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3637, NJ 2016/32; JOR 2016/28, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Advocatenmaatschap), r.o. 3.5. Vgl. voor het Engelse recht Mitchell 2003/8.06 (p. 155-156).
Vgl. art. 3:304 BW.
Vgl. Star Busman 1902, p. 151-152; Van Boom 1999, p. 217; Van Boom 2016a, p. 227; Asser/Sieburgh 6-I 2020/112.
Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/54; Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/28 en 136; Lock 2017, p. 127; Hugenholtz/Heemskerk & Teuben 2021/46; Van der Wiel (red.) 2019/178; Stein/Rueb, Ras, Hendrikse & Jongbloed 2021/8.3. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Den Haag 21 september 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:11305(CDC/Shell c.s.), r.o. 2.36.
HR 22 juli 1948, ECLI:NL:HR:1948:22, NJ 1948/618; HR 21 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2500, NJ 1999/146 (De Eendracht/Häse), r.o. 3.3 ; HR 20 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7414, NJ 2009/289, m.nt. P.C.E. van Wijmen (De Haas/Gem. Lansingerland), r.o. 3.6. Vgl. HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2904, NJ 2000/291, m.nt. J.B.M. Vranken (Rinsma/Van Bakels), r.o. 3.4.
Zie bijvoorbeeld HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2911, NJ 2000/290, m.nt. J.B.M. Vranken; JOR 1999/91(Spektrum Financieringen/van der Valk), r.o. 3.2.
HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1032, NJ 2009/477, m.nt. H.J. Snijders (Van Wanrooij/Victory c.s.), r.o. 4.4.
J.S. Kortmann 2019, p. 40.
Zie uitgebreid Beukers 1994, p. 4 e.v. Vgl. voorts Veegens 1972, p. 17-19, die ook wijst op het openbare belang van bindende rechtspraak, en Gras 1994, p. XXI-XXII, die het gezag van gewijsde ziet als “een soort binding aan het tussen partijen geldende objectieve recht”.
Wiersma 1952b, p. 130-136; Veegens 1972, p. 41-42; Gras 1994, p. 298 e.v.; Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/150-151; Snijders, Klaassen, Krans & Meijer 2022/60; Hugenholtz/Heemskerk & Teuben 2021/149; De Bruin, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 236 Rv, aant. 8 (online, actueel t/m 23 juli 2022); Asser/Sieburgh 6-I 2020/120; Stein/Rueb, Ras, Hendrikse & Jongbloed 2021/9.1.1. Vgl. Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 101.
HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:673, JBPr 2021/13, m.nt. T. van Malssen & M. Hengeveld (IV/Srlev), r.o. 3.1.3. Zie voorts Kuhn 1905, p. 136 e.v.; Wiersma 1952b, p. 136; Veegens 1972, p. 32-38; Gras 1994, p. 272 e.v.; Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/147-149; Snijders, Klaassen, Krans & Meijer 2022/60; Hugenholtz/Heemskerk & Teuben 2021/149; De Bruin, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 236 Rv, aant. 5 (online, actueel t/m 23 juli 2022); Stein/Rueb, Ras, Hendrikse & Jongbloed 2021/9.1.1.
Zie voor de werking jegens (beweerdelijk) hoofdelijk schuldenaren die niet gezamenlijk in rechte zijn betrokken, hierna, nr. 211.
HR 2 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2365, NJ 1997/662, m.nt. J.M.M. Maeijer (Kip & Sloetjes/Rabobank), r.o. 3.7. Zie voorts Wiersma 1952b, p. 130-136; Gras 1994, p. 342-343; Van Boom 1999, p. 217; Van Boom 2016a, p. 227; De Bruin, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 236 Rv, aant. 8 (online, actueel t/m 23 juli 2022); Asser/Sieburgh 6-I 2020/120. Vgl. Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 101.
Kuhn 1905, p. 31-32 en p. 137-138; De Nerée tot Babberich 1923, p. 70 e.v. (met verdere verwijzingen naar oudere literatuur op p. 78-79); De Kok 1965, p. 155; Gras 1994, p. 342-343; Wiersma 1952b, p. 43-45; Van Boom 1999, p. 217-218; Van Boom 2016a, p. 227-228; Stein/Rueb, Ras, Hendrikse & Jongbloed 2021/9.1.1. Zie voorts De Folter 2009/119 (p. 117).
Zie daarover Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/35; Snijders, Klaassen, Krans & Meijer 2022/66 en 143; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/47; Hugenholtz/Heemskerk & Teuben 2021/66; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/54 e.v.; Stein/Rueb, Ras, Hendrikse & Jongbloed 2021/8.4.
HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2904, NJ 2000/291, m.nt. J.B.M. Vranken (Rinsma/Van Bakels), r.o. 3.4; HR 26 maart 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0911, NJ 1993/489, m.nt. P.A. Stein (Clarijs/Van Goethem), r.o. 3.4.
Anders dan haar naam doet vermoeden, is overigens geen sprake van een exceptief verweer (dat uiterlijk bij conclusie van antwoord moet worden gevoerd, art. 128 lid 3 Rv), maar van een verweer ten principale. Zie HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3979, NJ 2010/403 (Engineering/Electronic Data Systems), r.o. 3.5. Overigens zal de rechter de eiser nog wel de gelegenheid moeten bieden zijn omissie te herstellen, door de ontbrekende partij(en) op grond van art. 118 Rv in het geding te betrekken HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840, NJ 2013/290, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2013/133, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Biek Holdings), r.o. 3.4.3; HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, NJ 2018/81, m.nt. H.B. Krans (Erven Hoelas), r.o. 3.6.1; HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:649, NJ 2018/214 (Verdeling nalatenschap), r.o. 3.5; HR 5 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:177, NJ 2021/54 (Deltaborgh c.s./Vitens), r.o. 3.2.1; HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:274, NJ 2021/126, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (X/ASR), r.o. 3.2.
HR 5 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:177, NJ 2021/54(Deltaborgh c.s./Vitens), r.o. 3.2.1; HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:274, NJ 2021/126, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (X/ASR), r.o. 3.2. Voorbeelden zijn de vernietiging van een meerpartijenovereenkomst en de verdeling van een nalatenschap, zie art. 3:51 lid 2 BW resp. HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, NJ 2018/81, m.nt. H.B. Krans (Erven Hoelas), r.o. 3.4.
Zie hiervoor, nr. 209.
HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, NJ 2018/81, m.nt. H.B. Krans (Erven Hoelas), r.o. 3.5.2-3.5.5.
HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, NJ 2018/81, m.nt. H.B. Krans (Erven Hoelas), r.o. 3.5.4: “De in kracht van gewijsde gegane beslissing van de rechter over een processueel ondeelbare rechtsverhouding heeft steeds jegens alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen gezag van gewijsde, zowel indien gewezen in eerste aanleg als indien gewezen in volgende instanties, en ongeacht door en tegen wie de vordering is ingesteld en ongeacht wie tegen de vordering verweer heeft gevoerd.”
Van Boom 1999, p. 217; Van Boom 2016a, p. 227; J.S. Kortmann 2019, p. 37. Vgl. Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/38.
HR 9 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0706, NJ 1994/535, m.nt. C.J.H. Brunner (DES-dochters), r.o. 3.7.4. Zie voorts Van Boom 1999, p. 219 e.v.; Van Boom 2016a, p. 231-233.
Zie hiervoor, nr. 207. Voor borgtocht geldt dit in beginsel ook, maar kan dit anders liggen (zie hierna, nr. 211).
Denk aan gevallen van groepsaansprakelijkheid in turba. Zie in het kader van kartelschade HvJEU 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800, JOR 2022/22, m.nt. S.A. van Dijk (Sumal).
Zie hiervoor, nr. 209.
Kuhn 1905, p. 31-32 en p. 137-138; De Nerée tot Babberich 1923, p. 70 e.v. (met verdere verwijzingen naar oudere literatuur op p. 78-79); De Kok 1965, p. 155; Gras 1994, p. 342-343; Wiersma 1952b, p. 43-45; Van Boom 1999, p. 217-218; Van Boom 2016a, p. 227-228; Stein/Rueb, Ras, Hendrikse & Jongbloed 2021/9.1.1. Zie voorts De Folter 2009/119 (p. 117).
Zie Hoofdstuk 4, par. 4.3.2.
Vgl. in het kader van de aansprakelijkheid van vennoten in een vof voor vof-schulden HR 13 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9261, NJ 2004/212, m.nt. H.J. Snijders (Hitz/Theunissen), r.o. 3.3.1 en HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649, NJ 2019/438, m.nt. F.M.J. Verstijlen; JOR 2019/173, m.nt. N.E.D. Faber (UWV/X), r.o. 3.4.4.
Zie in die zin Blomkwist 2012/17. Vgl. voorts Wiersma 1952b, p. 161, met verdere verwijzingen.
Kuhn 1905, p. 179-182; Van Boom 1999, p. 228-229; Van Boom 2016a, p. 240-242.
HR 1 december 1939, ECLI:NL:HR:1939:151, NJ 1940/445, m.nt. E.M. Meijers (Klazienaveen/Smit); HR 25 septemer 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2716, NJ 1998/892 (Haefner/ABN Amro), r.o. 3.2.
Van Boom 1999, p. 228-229; Van Boom 2016a, p. 240-242; Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/98.Anders: Blomkwist 2012/17.
Van Boom 1999, p. 228-229; Van Boom 2016a, p. 240-242. Zie reeds Wiersma 1952b,p. 161.
HR 1 december 1939, ECLI:NL:HR:1939:151, NJ 1940/445, m.nt. E.M. Meijers (Klazienaveen/Smit): “dat in het algemeen van de omstandigheid, dat aan een geding is voorafgegaan een procedure over gelijk geschil tusschen andere partijen, invloed kan uitgaan op den afloop van dat tweede geding en zelfs de Rechter vrij is feitelijke vermoedens te putten uit hetgeen in het eerste proces is geschied of beslist”. Zie voorts Wiersma 1952b,p. 201-203; Gras 1994, p. 341-343; Van Boom 1999, p. 228; Van Boom 2016a, p. 241. Vgl. De Nerée tot Babberich 1923, p. 88; Veegens 1972, p. 13-17 en p. 49.
Zie Hoofdstuk 4, par. 4.4.2.3.3. Zie voorts Gras 1994, p. 329-332; Booms 2019/736.
Booms 2019/746.
207. Procesrechtelijke keuzevrijheid. In Hoofdstuk 4 ben ik uitgebreid in gegaan op de zelfstandigheid van de vorderingen van de schuldeiser jegens zijn hoofdelijk schuldenaren.1 Met die zelfstandigheid hangt samen dat de schuldeiser kan kiezen welke schuldenaar of welke schuldenaren hij tot betaling aanspreekt. Zij zijn immers alle jegens hem gehouden de hoofdelijk verschuldigde prestatie te verrichten (art. 6:7 lid 1 BW).
De keuzevrijheid van de schuldeiser omvat tevens de vrijheid te kiezen welke schuldenaar of welke schuldenaren hij in rechte betrekt.2 Aan elk van de vorderingsrechten van de schuldeiser is een rechtsvordering verbonden;3 iedere hoofdelijk schuldenaar kan zo nodig door de rechter worden veroordeeld de door hem verschuldigde prestatie te verrichten (art. 3:296 BW). De zelfstandigheid van de verschillende vorderingsrechten en daaraan verbonden rechtsvorderingen brengt dus mee dat de schuldeiser ook ‘procesrechtelijke keuzevrijheid’ toekomt.4
Deze keuzevrijheid brengt mee dat het bij procedures tegen hoofdelijk schuldenaren kan gaan om tegen alle hoofdelijk schuldenaren (nr. 208-209), maar ook om een procedure tegen een of meer, maar (mogelijk) niet alle hoofdelijk schuldenaren (nr. 210-211).
208. Procedure tegen meerdere (beweerdelijk) hoofdelijk schuldenaren. Hoewel het mogelijk is om bij een en dezelfde dagvaarding een procedure in te leiden tegen meerdere gedaagden, heeft iedere juridische procedure een tweepartijenkarakter.5 Wordt door een schuldeiser tegen meerdere schuldenaren geprocedeerd (zogeheten ‘subjectieve cumulatie’), dan is dus sprake van evenzoveel procedures als gedaagden. Dit geldt zowel indien vanaf de aanvang van de procedure tegen verschillende partijen wordt geprocedeerd, als wanneer verschillende zaken worden gevoegd (art. 222 Rv).6 Verschillende, bij dezelfde dagvaarding opgeroepen (beweerdelijk) hoofdelijk schuldenaren, zijn dus geen partij bij de procedures tussen de schuldeiser en de andere gedaagden, ook al betreft het hetzelfde geding.7 Processtukken en stellingen in de ene procedure gelden ook niet als van rechtswege tevens ingediend in de andere procedure(s).8 De oordelen in de verschillende procedures kunnen daardoor verschillend zijn. Doorgaans zullen de belangen van de verschillende aangesproken schuldenaren in hun verhouding tot de schuldeiser overigens in die zin parallel lopen, dat zij een gezamenlijk belang hebben bij afwijzing van de vorderingen. Geregeld zullen zij gezamenlijk verweer voeren, al dan niet op basis van een daartoe gesloten ‘joint defence agreement’.9 Zijn de verweren (grotendeels) hetzelfde voor alle gedaagden, dan geldt doorgaans hetzelfde voor een jegens hen te wijzen vonnis of arrest.
Ook indien de uitkomst van een procedure tegen meerdere (beweerdelijk) hoofdelijk schuldenaren voor ieder van hen hetzelfde is, bijvoorbeeld omdat de vorderingen jegens hen allemaal worden toe- of afgewezen, kan de procesrechtelijke realiteit voor hen uiteindelijk verschillend zijn, omdat iedere gedaagde afzonderlijk kan besluiten om (al dan niet) een rechtsmiddel aan te wenden (zie par. 5.2.5).
209. Gezag van gewijsde; mede-gedaagden. Het gezag van gewijsde (art. 236 lid 1 Rv) strekt ertoe te voorkomen dat tussen dezelfde partijen meerdere malen over dezelfde kwestie wordt geprocedeerd.10 Is reeds onherroepelijk op een geschilpunt tussen partijen beslist, dan bindt die beslissing de partijen; zij heeft tussen hen kracht en gezag van gewijsde. Hierop kan in een latere procedure een beroep worden gedaan ter afwering van een stelling of verweer.
Het gezag van gewijsde kent een subjectieve en een objectieve component. De ‘subjectieve omvang’ van het gezag van gewijsde houdt in dat een rechterlijke uitspraak slechts gezag van gewijsde kan hebben jegens partijen in de procedure waarin die uitspraak is gewezen.11 Het draait hier dus om het partijbegrip uit art. 236 Rv. De ‘objectieve omvang’ van het gezag van gewijsde houdt in dat een partij alleen wordt gebonden aan de beslissingen ten aanzien van rechtsbetrekkingen die in geschil zijn.12
Het zelfstandige karakter van procedures tegen verschillende (beweerdelijk) hoofdelijk schuldenaren die gezamenlijk in rechte zijn betrokken,13 brengt mee dat het gezag van gewijsde van een beslissing ten aanzien één van hen zich strikt genomen niet uitstrekt tot de andere gedaagden.14 Indien in hetzelfde geding meerdere beweerdelijk hoofdelijk schuldenaren zijn verschenen, is van gezag van gewijsde jegens medeschuldenaren geen sprake, omdat het doorgaans niet gaat om dezelfde rechtsbetrekking in geschil (de objectieve omvang van het gezag van gewijsde). De procedure tussen de eiser enerzijds en de gedaagden anderzijds vormt geen procedure tussen de gedaagden onderling. Zo heeft de beslissing dat de ene gedaagde uit wanprestatie aansprakelijk is op zich geen bindende kracht jegens de andere gedaagde, ook niet indien die in hetzelfde geding is verschenen. De binding aan een rechterlijk oordeel wordt gerechtvaardigd door het beginsel van hoor en wederhoor, en het zou daarmee niet stroken om een gedaagde gebonden te achten aan beslissingen die in een andere context – namelijk in het geschil tussen eiser en gedaagden – zijn gegeven.15
Wel is uiteraard denkbaar dat een beslissing zowel betrekking heeft op de ene als de andere rechtsbetrekking, bijvoorbeeld indien de beslissing de feitelijke vaststelling betreft dat verschillende partijen uit wanprestatie aansprakelijk zijn wegens schending van dezelfde contractuele bepaling, of indien zij hebben deelgenomen aan een ‘groepsgedraging’ die een onrechtmatige daad oplevert, terwijl zij zich van die groepsdeelname hadden behoren te onthouden (art. 6:166 BW). Een dergelijke beslissing heeft dan kracht en mogelijk ook gezag van gewijsde jegens die beide gedaagden, omdat zij evenzoveel (identieke) beslissingen als rechtsbetrekkingen vormt, die bindend is voor de bij ieder van die rechtsbetrekkingen betrokken ‘partijen’ (in de zin van art. 236 Rv). Er zijn dan dus meerdere rechtsbetrekkingen in geschil.
A spreekt vennootschap B aan uit hoofde van wanprestatie en – bij dezelfde dagvaarding – B’s bestuurder C uit hoofde van onrechtmatige daad, voor de schade die A stelt te hebben geleden door de niet-nakoming door B van de met A gesloten overeenkomst. C’s aansprakelijkheid is in die zin secundair, dat zij gegrond is op het toelaten dat B schulden aanging waarvan C wist dat B ze niet zou kunnen nakomen; zonder de wanprestatie door B zou C niet aansprakelijk zijn.
Voor het antwoord op de vraag of een oordeel over B’s aansprakelijkheid ook bindende kracht heeft jegens C, is bepalend of C ook partij is bij de rechtsbetrekking A-B. Dat is niet het geval. Om die reden heeft het oordeel dat B uit wanprestatie aansprakelijk is jegens A geen gezag van gewijsde jegens C, ook al wordt op de vorderingen van A jegens B en C gezamenlijk beslist. Het is niet waarschijnlijk dat een rechter in dezelfde instantie ten aanzien van B zou oordelen dat zij jegens A aansprakelijk is, maar jegens C zou oordelen dat niet vaststaat dat B aansprakelijk is jegens A, of zelfs dat B niet aansprakelijk is. Toch is de reikwijdte van het gezag van gewijsde van belang, namelijk voor het geval B niet in hoger beroep gaat en C wel; in hoger beroep staat dan tussen C en A geenszins vast dat B jegens A wanprestatie heeft gepleegd, óók niet indien het oordeel dat B aansprakelijk is tussen A en B gezag van gewijsde heeft.
210. Procedure tegen niet alle hoofdelijk schuldenaren; processueel ondeelbare rechtsverhouding? Indien niet alle (beweerdelijk) hoofdelijk schuldenaren in rechte worden betrokken, kan de vraag rijzen of wel op de vorderingen van de eiser kan worden beslist, nu niet alle hoofdelijk schuldenaren partij zijn. Dat is niet mogelijk indien sprake is van een ‘processueel ondeelbare rechtsverhouding’.16 Daaronder verstaat de Hoge Raad een rechtsverhouding “waarbij het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen luidt in dezelfde zin”.17 Dit karakter brengt mee dat de eiser die niet alle partijen bij een dergelijke rechtsverhouding in rechte betrekt, met zijn vordering niet succesvol zal zijn, omdat de wél aangesproken partijen zich kunnen beroepen op de exceptio plurium litis consortium (het verweer dat niet alle partijen bij een processueel ondeelbare rechtsverhouding in rechte zijn betrokken).18 Ook kan de rechter ambtshalve vaststellen dat sprake is van een dergelijke rechtsverhouding.19 In geval van een procedureel ondeelbare rechtsverhouding geldt – in afwijking van het uitgangspunt dat iedere vordering afzonderlijk wordt beoordeeld20 – dat een door de ene schuldenaar gevoerd verweer ook ten voordele strekt van de andere schuldenaren.21 Daarnaast heeft het processueel ondeelbare karakter van de rechtsverhouding grote gevolgen voor het gezag van gewijsde, omdat beslissingen gezag van gewijsde hebben jegens alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen.22 Juist om die reden gelden er zulke strikte eisen voor de oproeping van al die partijen. De ratio van de regels inzake de processueel ondeelbare rechtsverhouding is te voorkomen dat over één en dezelfde kwestie verschillend (en mogelijk zelfs met onverenigbare uitkomsten) wordt geoordeeld.
Hoewel het vanwege het risico op uiteenlopende beslissingen wenselijk kan zijn om de vorderingen tegen verschillende hoofdelijk schuldenaren in dezelfde procedure beoordeeld te krijgen,23 levert het enkele feit dat mogelijk sprake is van hoofdelijke verbondenheid géén processueel ondeelbare rechtsverhouding op.24 De verschillende (pretense) vorderingsrechten zijn zelfstandig, waarbij beoordeling van de ene vordering kan geschieden zonder acht te slaan op de eventuele andere vorderingen.25 Een andersluidende regel zou ook problematisch zijn, omdat het voor de schuldeiser lang niet altijd duidelijk zal zijn of nog andere partijen (mogelijk) hoofdelijk aansprakelijk zijn. Zo heeft de schuldeiser die aansprakelijk is tot vergoeding van schade wellicht geen weet van andere partijen die eveneens verplicht zijn dezelfde schade te vergoeden en dus hoofdelijk zijn verbonden (art. 6:102 lid 1 BW). Ook in geval van groepsaansprakelijkheid (art. 6:166 lid 1 BW) of aansprakelijkheid tot vergoeding van kartelschade zal niet altijd duidelijk zijn welke partijen precies (mogelijk) hoofdelijk aansprakelijk zijn.26
211. Niet-opgeroepen schuldenaren zijn in beginsel niet gebonden aan een oordeel in een procedure waarin zij geen partij waren. Hiervoor kwam reeds aan de orde dat verschillende in rechte betrokken (beweerdelijk) hoofdelijk schuldenaren niet gebonden zijn aan beslissingen ten aanzien van hun mede-gedaagden.27 Voor niet-opgeroepen (beweerdelijk) medeschuldenaren geldt (a fortiori) hetzelfde: een eventuele veroordeling van een of meer schuldenaren heeft géén werking jegens niet in rechte betrokken partijen, net zo min als een afwijzing van de vordering(en) jegens een of meer hoofdelijk schuldenaren gevolgen heeft voor anderen. Het gezag van gewijsde strekt zich simpelweg niet uit tot niet-partijen (zo volgt a contrario uit art. 236 lid 1 Rv; de ‘subjectieve omvang’ van het gezag van gewijsde). De binding aan een rechterlijk oordeel wordt gerechtvaardigd door het beginsel van hoor en wederhoor, en het zou daarmee niet stroken om partijen die zich niet hebben kunnen uitspreken in een juridische procedure (omdat zij daarin geen partij waren), toch gebonden te achten aan een daarin gegeven oordeel.28 Daarnaast rust op iedere hoofdelijk schuldenaar een eigen verbintenis,29 zodat het gaat om verschillende rechtsbetrekkingen. Tot slot speelt een rol dat een veroordeling jegens de een uiteraard geen executoriale titel oplevert jegens de anderen.30
Het voorgaande geldt ook voor de borg, ook al is zijn verbintenis afhankelijk van de verbintenis van de hoofdschuldenaar (art. 7:851 BW). Men zou kunnen redeneren dat uit die afhankelijkheid moet worden afgeleid dat indien in rechte komt vast te staan dat de hoofdschuldenaar geen verplichting heeft jegens de schuldeiser, ook de borg hiervan profiteert.31 Niettemin moet het afhankelijke karakter niet worden verward met het gezag van gewijsde.32 Men is ofwel gebonden aan het gezag van gewijsde van een uitspraak, omdat men in de procedure partij is (art. 236 Rv), ofwel men is daaraan niet gebonden omdat men géén partij is. Het afhankelijke karakter van de verbintenis van de borg verandert daaraan niets: een beslissing in een procedure tussen slechts de schuldeiser en hoofdschuldenaar heeft – ongeacht de uitkomst – geen gezag gewijsde jegens de borg,33 en omgekeerd heeft een oordeel in een procedure tussen slechts de schuldeiser en de borg geen gezag van gewijsde jegens de hoofdschuldenaar.34 Dat laat overigens onverlet dat de uitkomst van een uitspraak tussen de schuldeiser en de hoofdschuldenaar soms door de borg als verweermiddel zal kunnen worden ingeroepen jegens de schuldeiser (art. 7:852 lid 1 BW).35 Bovendien zal de rechter een beslissing jegens de hoofdschuldenaar als feitelijk (bewijs)vermoeden kunnen hanteren in een procedure jegens de borg.36 Gelet op het beginsel van hoor en wederhoor zou ik menen dat de rechter terughoudend dient om te gaan met dergelijke vermoedens. Ook indien een partij de gelegenheid heeft om het vermoeden te ontzenuwen, wordt hij immers geconfronteerd met de uitkomst van een procedure waarin hij niet was betrokken. Tot slot kan het oordeel in een procedure tussen de schuldeiser en de hoofdschuldenaar van belang zijn voor de borg omdat uit (de uitleg van) de overeenkomst van borgtocht voortvloeit dat een dergelijk oordeel bindend is voor de borg. Ook hiervoor geldt echter dat de ‘gebondenheid’ van de borg dan niet voortvloeit uit gezag van gewijsde jegens hem, maar uit de overeenkomst van borgtocht.
Het voorgaande is anders indien een schuldenaar in rechte wordt veroordeeld jegens de schuldeiser, waarna een andere hoofdelijk schuldenaar de schuld aan de schuldeiser voldoet voor meer dan zijn draagplicht. Hij zal dat wellicht niet vrijwillig willen doen, maar mogelijk worden ten laste van zijn vermogen zekerheden uitgewonnen nádat de schuldeiser jegens een andere hoofdelijk schuldenaar een executoriale titel had verkregen. De presterende hoofdelijk schuldenaar wordt dan gesubrogeerd in de rechten van de schuldeiser voor zover zijn prestatie zijn draagplicht overschreed (art. 3:297 jo. 6:12 BW), en bij die subrogatie gaat een door de oorspronkelijke schuldeiser verkregen executoriale titel als nevenrecht mee over (art. 6:12 jo. 6:142 lid 1 BW).37 Vindt subrogatie gedeeltelijk plaats, dan gaat de executoriale titel ook gedeeltelijk mee over.38 Bovendien strekt, indien aan die veroordeling kracht van gewijsde toekomt, het gezag van gewijsde zich mede uit tot de presterende hoofdelijk schuldenaar, die als subrogatus rechtsopvolger is van de oorspronkelijk schuldeiser (art. 236 lid 2 Rv).