Einde inhoudsopgave
Mededinging en verzekering (R&P nr. VR8) 2019/6.4.1.2.3
6.4.1.2.3 Zijn de gevolgen voor de mededinging merkbaar?
mr. drs. G.T. Baak, datum 11-12-2019
- Datum
11-12-2019
- Auteur
mr. drs. G.T. Baak
- JCDI
JCDI:ADS183579:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Algemeen
Verzekeringsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Uit de richtsnoeren betreffende de toepassing van artikel 81 lid 3 van het Verdrag, punt 24, blijkt dat dit criterium een weerspiegeling is van de economische benadering die de Europese Commissie volgt. Voor de volledigheid zij vermeld dat overeenkomsten die geen merkbare ongunstige invloed hebben op de handel tussen de lidstaten ook buiten artikel 101 lid 1 van het Werkingsverdrag vallen. Daarbij zal ik stilstaan onder par. 6.4.1.3.
Marktaandelen spelen ook een rol bij het bepalen van de marktmacht van een pool (zie par. 6.5) en de vraag of de mededinging niet wezenlijk wordt uitgeschakeld in het kader van de beoordeling onder artikel 101 lid 3 van het Werkingsverdrag (zie ook: par. 6.4.2).
Mededeling 2014/C 291/01 betreffende overeenkomsten van geringe betekenis die de mededinging niet merkbaar beperken in de zin van artikel 101, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (de-minimismededeling), considerans 3 onder verwijzing naar HvJEG 21 januari 1999, gevoegde zaken C-215/96 (Bagnasco e.a/BNP) en C-216/96 (Bagnasco e.a./Carige), Jur. 1999, blz. I-135, punten 34-35.
Mededeling 2014/C 291/01 betreffende overeenkomsten van geringe betekenis die de mededinging niet merkbaar beperken in de zin van artikel 101, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (de-minimismededeling), punt 8. Met ‘daadwerkelijke concurrenten’ worden bedoeld twee ondernemingen die actief zijn op dezelfde relevante markt. Het begrip ‘potentiële concurrenten’ ziet op een onderneming die zonder de overeenkomst bij een geringe maar duurzame verhoging van de relatieve prijzen, wellicht op korte termijn in staat zou zijn de vereiste extra investeringen te doen of andere noodzakelijke overschakelingskosten te maken om de relevante markt waarop de andere onderneming actief is, te kunnen betreden. Zie richtsnoeren voor horizontale samenwerking, punt 10.
Voor pools wordt ook wel de 20% norm genoemd, afkomstig uit Verordening 267/2010 en de Richtsnoeren Horizontalen, punt 170.
Ik verwijs de lezer naar hoofdstuk 3, par. 3.3.2.
Gebruikt werd het bruto premie-inkomen van het voorgaande kalenderjaar of, als die gegevens ontbreken, ramingen die op andere betrouwbare marktinformatie berusten, zoals geboden verzekeringsdekking of de waarde van het verzekerde risico. Zie Verordening 267/2010, artikel 6 lid 4.
Verordening 267/2010, r.n. 18.
Verordening 267/2010, art. 6 lid 4 sub b.
Algemeen
Hierboven besprak ik de vraag wanneer een pool het doel of het gevolg kan hebben om de mededinging te beperken. Ik herhaal dat een overeenkomst het doel heeft om de mededinging te beperken als kan worden aangenomen dat zij schadelijke gevolgen heeft voor de mededinging. Dit is bijvoorbeeld het geval met prijs- en marktverdelingsafspraken. Is van een mededingingsbeperkend doel geen sprake, dan moet juist wel door de mededingingsautoriteit worden aangetoond dat een overeenkomst tot gevolg heeft dat de mededinging wordt beperkt (zie par. 6.4.1.2.2). Een kartelafspraak die tot gevolg heeft dat de mededinging wordt beperkt, valt echter niet onder het kartelverbod als de gevolgen voor de mededinging niet merkbaar zijn. Pools die dus geen merkbare ongunstige invloed hebben op de mededinging vallen buiten de toepassing van het kartelverbod.1
Merkbaarheid bij pools
Wat is merkbaarheid? Niet merkbaar in de zin van het mededingingsrecht ziet erop dat de schadelijke gevolgen voor de mededinging van een overeenkomst verwaarloosbaar of nihil zijn. De overeenkomst heeft dus geen ‘merkbare’ gevolgen voor de mededinging. Of dit het geval is, wordt in het mededingingsrecht vastgesteld aan de hand van marktaandelen.2 Indien het marktaandeel van de samenwerkende partijen bij een overeenkomst onder een bepaalde marktaandeeldrempel blijft, wordt verondersteld dat de mededinging niet merkbaar wordt beïnvloed. Anderzijds zal het overschrijden van de genoemde drempels niet automatisch impliceren dat de mededinging wordt beperkt. Dergelijke overeenkomsten kunnen, aldus de Commissie, nog steeds een slechts te verwaarlozen invloed op de mededinging hebben en zijn daarom mogelijk niet verboden ingevolge artikel 101 lid 1 van het Werkingsverdrag.3
Voor de toepassing van artikel 101 lid 1 van het Werkingsverdrag geldt een marktaandeeldrempel van 10% voor overeenkomsten die gesloten zijn tussen daadwerkelijke of potentiële concurrenten en een marktaandeeldrempel van 15% voor overeenkomsten die gesloten worden tussen geen daadwerkelijke of potentiële concurrenten (niet-concurrenten).4Deze normen zijn neergelegd in de zogenoemde de-minimismededeling van de Europese Commissie. In deze regeling zijn nadere aanwijzingen te vinden over de toepassing van de uitzondering voor niet-merkbare beperkingen van de mededinging. De regeling geldt alleen voor kartels die een merkbare invloed hebben op de mededinging tussen de lidstaten.
Onder de Nederlandse Mededingingswet geldt een iets andere regeling voor de merkbaarheid. Er is een specifieke wettelijke (bagatel)bepaling voor afspraken met een geringe invloed op de mededinging. In artikel 7 lid 1 van de Mededingingswet is bepaald dat, afhankelijk van het aantal deelnemende ondernemingen (maximaal 8) en de omzet (EUR 1.100.000 voor diensten), het kartelverbod niet van toepassing zal zijn. Het marktaandeel van de partijen bij een kartel speelt voor de toepassing van het eerste lid dus geen rol. Ook een kartel waarbij het gezamenlijke marktaandeel niet groter is dan 10% van de relevante markt is op grond van artikel 7 lid 2 van de Mededingingswet uitgezonderd van het kartelverbod. Die marktaandeelgrens sluit dus aan bij de regeling die is neergelegd in de de-minimismededeling van de Europese Commissie. Evenwel geldt de regeling alleen voor Nederlandse kartels, zo blijkt uit artikel 7 lid 2 sub b van de Mededingingswet.
Voor het overzicht zet ik de verschillende marktaandeeldrempels en omzetwaarden in onderstaande tabel uiteen.
Tabel 7.2
Europeesmededingingsrecht(de-minimismededeling)
Nederlandsmededingingsrecht(artikel7Mw)
gezamenlijk marktaandeel niet groter dan 10% tussen concurrenten;
gezamenlijk marktaandeel niet groter dan 15% tussen niet-concurrenten
Maximaal 8 ondernemingen
Omzet €1.100.000 voor diensten (lid 1)
Gezamenlijk marktaandeel niet groter dan 10% (lid 2)
Het marktaandeelvan een pool speelt dus een belangrijke rol bij de vraag of een pool de mededinging niet merkbaar beperkt, zowel bij Europese als Nederlandse kartels. Voor pools zal de 10% norm gelden, omdat sprake is van samenwerking tussen verzekeraars die elkaars directe concurrenten zijn.5 Voor de volledigheid merk ik op dat het marktaandeel en de positie van een pool op de (relevante) markt ook van belang is bij de vraag of een pool in aanmerking komt voor een vrijstelling van het kartelverbod. Ik zal bij dat aspect uitgebreider stilstaan onder par. 6.4.2. Ik bespreek dit aspect van het marktaandeel en de marktberekening hieronder wat uitgebreider. Voor het berekenen van het marktaandeel zal allereerst de relevantemarkt moeten worden afgebakend.6De afbakening van de relevante markt besprak ik al eerder in dit boek.7
Het ligt in de rede om bij de berekening van het marktaandeel voor pools uit te gaan van het totale bruto premie-inkomen van de deelnemende verzekeraars in de pool. De keuze voor het bruto premie-inkomen vloeit voort uit de in het verleden geldende Groepsvrijstellingsverordening verzekeringen waarin de gemeenschappelijke dekking van risico’s in pools werd vrijgesteld op basis van het marktaandeel van de pool op de relevante markt. De maatstaf die de Europese Commissie hanteerde om te bepalen welk marktaandeel een pool innam, was het totale bruto premie-inkomen.8 Uit de Groepsvrijstellingsverordening verzekeringen volgt tevens dat bij de berekening van het marktaandeel van een pool de totale marktaandelen van de deelnemende ondernemingen moeten worden opgeteld.9
Het marktaandeel van elke deelnemende verzekeraar is dus gebaseerd op het totale bruto premie-inkomen van die deelnemende verzekeraar. In de berekening moet het bruto premie-inkomen van de verzekeraar zowel binnen als buiten de pool op dezelfde relevante markt worden meegenomen. Uitgangspunt is het bruto premie-inkomen van de verzekeraar in het voorgaande kalenderjaar.10 In de kern wordt bij de berekening van het marktaandeel dus rekening gehouden met de volgende drie factoren:
Het marktaandeel van de deelnemende onderneming in de desbetreffende pool;
Het marktaandeel van de deelnemende onderneming in een andere pool op dezelfde relevante markt als de desbetreffende pool, waarbij de deelnemende onderneming is aangesloten;
Het marktaandeel van de deelnemende onderneming, buiten enige pool, op dezelfde relevante markt als de desbetreffende pool.
Om deze materie te verduidelijken geef ik een voorbeeld:
Stel dat sprake is van een verzekeraarspool voor de verzekering van beroepsaansprakelijkheid (BAV) waarin 10 verzekeraars deelnemen. De acceptatie van de verzekeringen is in handen van een makelaar. Om te beoordelen welke marktpositie de pool heeft, dient allereerst de markt voor beroepsaansprakelijkheidsverzekeringen bepaald te worden. De omvang van de markt is te vinden in de cijfers die door het Verbond van Verzekeraars worden gepubliceerd.11 Daarin is de markt voor beroepsaansprakelijkheidsverzekeringen ingedeeld in de markt voor de aansprakelijkheid voor juridische, fiscale, financiële en economische adviesberoepen (JFFE-BAV), de aansprakelijkheid overige beroepen (BAV) en de aansprakelijkheid voor bestuurders en commissarissen (D&O). De laatst beschikbare cijfers (2017) geven aan dat deze markt een bruto verdiende premie kende van €117 mln. Tegen deze totale marktomvang dient de marktpositie van de pool bepaald te worden. Daarbij moet worden uitgegaan van het bruto premie volume dat een pooldeelnemer heeft in het totale premie-volume dat de pool omzet (categorie i) en het premie-volume van de pooldeelnemer buiten de pool (categorie iii), waarbij bepaald moet worden hoeveel de pooldeelnemer omzet ten opzichte van het totaal van de relevante markt.
Stel dat de 10 in de pool deelnemende verzekeraars gezamenlijk een bruto premie inkomen hebben van 25 miljoen euro. Het totale bruto-premie volume dat de pool omzet en dat in aanmerking moet worden genomen bij de berekening van het marktaandeel is dan 25 miljoen euro (categorie i). Vervolgens moet worden nagegaan wat de omzet is van de in de pool deelnemende verzekeraars buiten de pool op dezelfde relevante markt. Stel dat de verzekeraars buiten de pool om nog een gezamenlijke omzet hebben van circa 5 miljoen euro ten aanzien van beroepsaansprakelijkheidsverzekeringen. In totaal is de omzet die moet worden meegenomen dan 30 miljoen euro. Ten opzichte van de totale markt heeft de pool dan aan marktaandeel van (afgerond) zo’n 26%. Bij toetsing aan de eerder genoemde merkbaarheidsvereisten valt op dat de pool in ieder geval buiten artikel 7 lid 1 van de Mededingingswet valt nu er meer dan 8 verzekeraars zijn betrokken en de omzet meer is dan 1,1 miljoen euro. Verder is een marktaandeel van 26% groter dan de drempel van 10% zodat ervan zal worden uitgegaan dat deze pool een merkbare invloed heeft op de mededinging (daarmee is nog niet gezegd dat sprake is van een beperking van de mededinging).
De situatie wordt complexer als er nog meer pools actief zijn op een bepaalde verzekeringsmarkt die dezelfde soort risico’s verzekeren. Stel dat twee van de tien poolleden ook lid zijn van een andere pool voor de verzekering van D&O-verzekeringen (waarbij ik er vanwege de door het Verbond verstrekte gegevens vanuit ga dat D&O tot dezelfde relevante markt behoort als BAV). In dat geval moet, zoals volgt uit de hierboven genoemde categorie ii, ook het marktaandeel van de twee verzekeraars in die andere pool worden meegenomen in het marktaandeel van de pool voor BAV’s.
Ervan uitgaande dat beide verzekeraars in de andere pool welke bestaat uit 5 verzekeraars een aandeel hebben (gemeten in bruto premie) van 2,5 miljoen euro, dan is de optelsom voor de berekening van de marktpositie van de marktpositie van eerstgenoemde pool (25 + 5 + 5) 35 miljoen euro. Dit betekent een markaandeel van nagenoeg 30%.
Het voorbeeld laat zien dat er al met al zorgvuldige berekeningen dienen te worden gemaakt om de marktpositie van een pool te bepalen, alsook dat veel afhangt van de beschikbaarheid van cijfers om de marktpositie binnen (het totaal van) de relevante markt te kunnen bepalen.