Het voorlopig getuigenverhoor
Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/267:267 Criterium kansloze vordering; juridisch en feitelijk kansloze zaken
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/267
267 Criterium kansloze vordering; juridisch en feitelijk kansloze zaken
Documentgegevens:
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS455859:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van der Wiel 2004, nr. 135.
De verzoeker met een niet kansloze, maar wel kansarme vordering in de hoofdzaak heeft voldoende belang bij zijn verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor. Bij een belangenafweging op grond van het onevenredigheidscriterium (misbruik) is een zwakke materiële vordering echter een factor die meeweegt in die belangenafweging (zie par. 8.5.3).
Van der Wiel 2004, nr. 135.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Van der Wiel definiëert een vordering als kansloos als de eiser weet of behoort te weten dat de eis met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal worden afgewezen.1 Bij de beoordeling van onvoldoende belang bij een voorlopig getuigenverhoor dient deze definitie naar mijn mening te worden aangepast. Ten eerste is in het kader van het vereiste van onvoldoende belang bij een voorlopig getuigenverhoor niet relevant of de eiser weet van de kansloosheid van zijn vordering, aangezien het slechts ertoe doet of het voorlopig getuigenverhoor al dan niet nut heeft. Ten tweede mag art. 3:303 BW minder terughoudend worden toegepast (zie nr. 259). In plaats van de gradatie ‘met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid’, kies ik daarom voor de minder zware gradatie ‘hoogstwaarschijnlijk’. Hoewel de rechter de vordering in de hoofdzaak slechts oppervlakkig mag beoordelen, mag hij aannemen dat een vordering kansloos is als met ‘grote zekerheid’ in plaats van ‘vrijwel zekerheid’ kan worden aangenomen dat de vordering in de hoofdzaak zal falen.
Samenvattend bestaat onvoldoende belang bij een voorlopig getuigenverhoor als bij oppervlakkige beoordeling van de vordering in de hoofdzaak kan worden aangenomen dat de vordering in de hoofdzaak hoogstwaarschijnlijk zal worden afgewezen.2 Omwille van eenheid pleit ik voor het hanteren van deze standaardformulering als onvoldoende belang vanwege een kansloze vordering in de hoofdzaak wordt aangenomen.
Van der Wiel onderscheidt om redenen van overzichtelijkheid twee soorten kansloze zaken: juridisch en feitelijk kansloze zaken. Juridisch kansloos zijn zakenwaarin het juridische betoog in strijd is met het geldende recht. Feitelijk kansloos zijn zaken waarin een daadwerkelijke feitelijke grondslag ontbreekt. Ik zal dit onderscheid tussen juridisch en feitelijk kansloze zaken – hoewel Van der Wiel al aangeeft dat het moeilijk is te maken – aanhouden.3