Billijkheidsuitzonderingen
Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/5.1:5.1 Korte terugblik
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/5.1
5.1 Korte terugblik
Documentgegevens:
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS355927:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 7, par. 7.1.
Hoofdstuk 1, par. 1.2.1.
Hoofdstuk 1, par. 1.1 inleiding. De aristotelische billijkheid komt ook in hoofdstuk 2 aan de orde.
Hoofdstuk 1, par. 1.5.4. Daar wordt ook ingegaan op wat ‘uitleg naar de bewoordingen van een voorschrift’ inhoudt.
Hoofdstuk 1, par. 1.5.5.
Hoofdstuk 1, par. 1.4.
Hoofdstuk 1, par. 1.3.
Hoofdstuk 1, par. 1.5.7.
Hoofdstuk 3.
Hoofdstuk 1, par. 1.5.2.
Hoofdstuk 1, par. 1.2.2.
Hoofdstuk 1, par. 1.2.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Kennisname van de eerste drie hoofdstukken biedt de meeste voor dit hoofdstuk benodigde voorkennis; een alternatief is de samenvatting daarvan in het laatste hoofdstuk.1 Daarin wordt uitgebreider beschreven dat Aristoteles stelde dat door de noodzakelijke algemeenheid van wettelijke voorschriften, toepassing van een voorschrift in een individueel geval een in de ogen van de toepasser evident onbillijke beslissing kan opleveren. Daarom is volgens hem inherent aan de rechterlijke taak om wetgeving toe te passen de bevoegdheid om deze in dergelijke bijzondere gevallen buiten toepassing te laten. In dit onderzoek wordt de vraag beantwoord hoe dit aristotelisch inzicht in het Nederlandse recht tot uiting komt.2 Het buiten toepassing laten in dit verband wordt het maken van een ‘billijkheidsuitzondering’ genoemd.3 Daarmee wordt gedoeld op het om billijkheidsredenen buiten toepassing laten van wettelijke voorschriften die in een concreet geval naar hun bewoordingen (waaronder ook wordt begrepen volgens hun gevestigde betekenis) van toepassing zijn.4 Doordat de tekst van voorschriften voorop wordt gesteld, zijn uitzonderingen slechts nodig bij strikt en/of feitelijk geformuleerde wettelijke voorschriften en gebonden bevoegdheden.5 De typische billijkheidsuitzondering in dit onderzoek is ongeschreven. Ook in wettelijke uitzonderingen en uitzonderingen krachtens art. 94 Gw kan echter het billijkheidsdenken herkenbaar zijn. Dat de (grond)wetgever uitzonderingen heeft erkend, doet daaraan niet af.6 Dit onderzoek gaat niet over toetsing van wetgeving. Het ziet slechts op gevallen waarin een tekstueel toepasselijk wettelijk voorschrift verbindend is, maar toepassing ervan in concreto wél door de rechter als evident onbillijk wordt beoordeeld.7 Interpretaties met een vergelijkbaar resultaat als een billijkheidsuitzondering zijn een met uitzonderingen concurrerend leerstuk en zijn daarom ook onderdeel van dit onderzoek. Dergelijke ‘corrigerende interpretaties’ wijken af van de betekenis die de bewoordingen van een voorschrift in het normale juridische spraakgebruik hebben.8 Zowel daarvoor als voor billijkheidsuitzonderingen gelden constitutionele beperkingen.9 De focus van het onderzoek ligt bij het materiële recht omdat daar de meeste billijkheidsuitzonderingen zijn gevonden, maar het formele recht is niet geheel buiten beschouwing gelaten: uitzonderingen komen ook daar voor.10 Er wordt geen uitputtend overzicht van uitzonderingen gegeven. Uit de brede reeks onderwerpen en leerstukken die wordt behandeld, kunnen voldoende betrouwbare conclusies worden getrokken.11 Opgenomen zijn zowel gevallen waarin een uitzondering is aanvaard als zaken waarin deze is verworpen.12