Rb. Rotterdam, 18-12-2024, nr. ROT 22/5454
ECLI:NL:RBROT:2024:12676
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
18-12-2024
- Zaaknummer
ROT 22/5454
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2024:12676, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 18‑12‑2024; (Verzet)
Uitspraak 18‑12‑2024
Inhoudsindicatie
WHT-zaak. Beroep niet tijdig beslissen op bezwaar is ingesteld nadat alsnog een compensatie van € 30.000 is toegekend. Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard. In verzet is aangevoerd dat het besluit niet naar de gemachtigde is verzonden en het laatste besluit geen besluit op bezwaar is. Het verzet is ongegrond. Met het oog op de mogelijkheid beroep wegens niet tijdig beslissen in te stellen is niet relevant is of het besluit op de juiste wijze bekend is gemaakt. Verder is het laatste besluit inderdaad geen besluit op bezwaar. Maar dit besluit als bedoeld in art. 6:19 Awb vormde voor eiseres wel reden haar bezwaar in te trekken. Onder die omstandigheden moet ofwel worden geoordeeld dat geen ontvankelijk beroep wegens niet tijdig beslissen kan worden ingesteld nadat het tegemoetkomende besluit was genomen dan wel dat eiseres hangende het beroep haar procesbelang is verloren.
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/5454 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2024 op het verzet van
[Naam] ([Naam]), uit [Plaats], opposante
(gemachtigde: mr. N. Kose-Albayrak),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 4 juli 2023 in het geding tussen
opposante
en
Dienst Toeslagen
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 4 juli 2023 waarin de rechtbank het beroep van [Naam] niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. [Naam] heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 4 juli 2023 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. [Naam] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 mei 2020 tot afwijzing van een compensatiebedrag van € 30.000 door verweerder. Op 25 mei 2022 heeft verweerder dit bedrag alsnog toegekend. Op 22 november 2022 heeft [Naam] beroep ingesteld wegens niet tijdig beslissen op bezwaar. Omdat de artikelen 6:2, aanhef en onder b, 6:12 en 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitsluitend een rechtsmiddel bieden zolang niet tijdig is beslist (op het bezwaar), heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard (vgl. ECLI:NL:RVS:2024:1301; ECLI:NL:CRVB:2019:924 en ECLI:NL:CBB:2016:276).
5. In verzet heeft [Naam] gewezen op haar mailbericht van 28 maart 2023 dat de rechtbank volgens haar heeft verzuimd in haar beoordeling te betrekken. In dat mailbericht is aangevoerd dat verweerder het besluit van 25 mei 2022 niet heeft verzonden aan de gemachtigde van [Naam]. Om die reden is dit besluit niet op de juiste wijze bekend gemaakt. Bovendien is dit wijzigingsbesluit volgens [Naam] geen besluit op bezwaar. Omdat het bezwaar na dit wijzigingsbesluit is ingetrokken hoeft verweerder niet alsnog een besluit op bezwaar te nemen, maar is verweerder niettemin een dwangsom en de proceskosten verschuldigd wegens het nietig tijdig nemen en bekendmaken van een besluit op bezwaar.
6. Hoewel in verzet terecht is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [Naam] niet heeft gereageerd op het verzoek van de rechtbank om aan te geven of [Naam] bekend is met het besluit van 25 mei 2022 en dat dit besluit – anders dan de rechtbank heeft overwogen – geen besluit op bezwaar vormt maar een tegemoetkomende beslissing als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb, slaagt het verzet niet. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
7. Anders dan [Naam] blijkbaar betoogt, is voor de mogelijkheid om een beroep wegens niet tijdig beslissen in te stellen (en voor het verbeuren van dwangsommen) niet van belang of het besluit op de juiste wijze is bekendgemaakt, maar slechts of de aanvrager of bezwaarmaker bekend is met het genomen besluit, zodat niet van belang is of het besluit van 25 mei 2022 niet tevens naar de gemachtigde is verzonden (vgl. ECLI:NL:HR:2013:969; ECLI:NL:RVS:2015:2080 en ECLI:NL:CRVB:2016:4813).
8. En hoewel het besluit van 25 mei 2022 – gelet op de tekst ervan en daarin opgenomen bezwaarclausule – geen besluit op bezwaar vormt, vormde dit besluit voor [Naam] reden haar bezwaar in te trekken. Onder die omstandigheden moet ofwel worden geoordeeld dat geen ontvankelijk beroep wegens niet tijdig beslissen kan worden ingesteld nadat het tegemoetkomende besluit van 25 mei 2022 was genomen dan wel dat [Naam] hangende het beroep haar procesbelang is verloren. Dat procesbelang is zij verloren, reeds omdat zij na het instellen van beroep het bezwaar heeft ingetrokken en dus niet langer een besluit op bezwaar wenste. Onder die omstandigheden kan zij gelet op artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb evenmin aanspraak maken op dwangsommen. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.
9. Dit betekent ook dat de rechtbank terecht niet is toegekomen aan de toepassing van artikel 8:55c van de Awb.
Conclusie en gevolgen
10. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2024.
De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op: