Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/2.4.3
2.4.3 Klachtrecht
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS482170:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Art. 35, lid 1 EVRM.
EHRM 6 september 1978 (Klass e.a. t. Duitsland), § 33.
Den Hartog 1992, p. 34.
Vgl. EHRM 18 januari 1978 (Ierland t. Verenigd Koninkrijk), § 240. Den Hartog 1992, p. 35, wijst erop dat de terughoudendheid betreffende de toetsing van regelgeving verder kan worden verklaard door art. 26 EVRM. Daarin is vastgelegd dat een voorwaarde voor ontvankelijkheid van een klacht is dat alle nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput. Verdragsstaten kunnen een door regelgeving dreigende verdragsschending voorkomen door de regel verdragsconform toe te passen.
Het EHRM kan alleen oordelen over de naleving van het Verdrag door verdragsstaten naar aanleiding van een bij hem ingediend verzoekschrift (‘application’), houdende een klacht over schending door een verdragsstaat van één of meer verdragsrechten. Het klachtrecht strekt zich op grond van art. 33 e.v. EVRM uit tot:
(groepen) individuen, ondernemingen en non gouvernementele organisaties die een klacht hebben over schending van één of meer verdragsrechten; en
klachten tussen de verdragsstaten (‘inter-State application’). Deze laatste klachten komen zelden voor.
Het Hof kan een klacht pas in behandeling nemen nadat alle nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput, in overeenstemming met de algemeen erkende regels van internationaal recht, en binnen een termijn van zes maanden na de datum van de definitieve nationale beslissing.1
Klagen over nationale regelgeving
Den Hartog merkt onder verwijzing naar Klass e.a.2op dat, nu in art. 34 EVRM is vastgelegd dat de betrokkene slachtoffer moet zijn van een verdragsschending, niet snel geklaagd zal kunnen worden over (nationale) regelgeving. Het enkele bestaan daarvan zal namelijk alleen in uitzonderingsgevallen een inbreuk maken op de door het Verdrag beschermde rechten.3 Van een schending zal veelal pas sprake zijn wanneer die regelgeving binnen een verdragsstaat wordt toegepast door haar rechtsprekende of uitvoerende organen. Omdat verdragsstaten (‘Hoge Verdragsluitende Partijen’) op grond van art. 33 EVRM kunnen klagen over elke niet-naleving door andere verdragsstaten, zullen die staten eerder met succes regelgeving kunnen aanvechten dan de andere verzoekers op grond van art. 34 EVRM.4