Hof Arnhem-Leeuwarden, 30-01-2018, nr. 200.179.829
ECLI:NL:GHARL:2018:953
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
30-01-2018
- Zaaknummer
200.179.829
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2018:953, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 30‑01‑2018; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHARL:2016:10292, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 20‑12‑2016; (Hoger beroep)
Uitspraak 30‑01‑2018
Inhoudsindicatie
Verhouding schadestaatprocedure en hoofdzaak waarin aansprakelijkheid is vastgesteld; begroting schade
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.179.829
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht 296411)
arrest van 30 januari 2018
in de zaak van:
[appellant] ,
wonende te [plaatsnaam] ,
appellant in het principaal beroep,
geïntimeerde in incidenteel beroep,
hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. J.C. van Vliet,
tegen:
de coöperatie
Coöperatieve Bloemenveiling FloraHolland U.A.,
gevestigd te Aalsmeer,
geïntimeerde in het principaal beroep,
appellante in het incidenteel beroep,
hierna: Flora Holland,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Het hof verwijst hierbij naar het arrest in het incident van 20 december 2016. Nadien zijn nog de volgende processtukken genomen:
- een memorie van grieven (met producties),
- een memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel (met producties),
- een memorie van antwoord in het incidenteel appel.
1.2
Vervolgens is in een arrest van 18 juli 2017 een meervoudige comparitie van partijen bepaald. Ter gelegenheid van die comparitie van partijen, die heeft plaatsgevonden op 22 november 2017, heeft [appellant] een akte genomen met de producties 6 en 7. Van de comparitie van partijen is proces-verbaal opgemaakt; mr. van Vliet heeft pleitnotities overgelegd die aan het proces-verbaal zijn gehecht.
1.3
Het hof heeft vervolgens arrest bepaald.
2. De voorafgaande procedures
Voor de leesbaarheid van dit arrest herhaalt het hof hieronder een overzicht van de aan dit arrest voorafgaande procedures tussen partijen (ook weergegeven onder 2 in het arrest in het incident).
2.1
In een tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Utrecht van 7 oktober 2009 (hierna: het vonnis in de hoofdzaak) is de rechtbank na bewijslevering tot de conclusie gekomen dat [appellant] betrokken is geweest bij de diefstal van stapelwagens van Flora Holland en dat hij daarmee onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. [appellant] is veroordeeld om aan Flora Holland de schade te vergoeden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
Dit vonnis is, nadat ook bij het hof bewijslevering heeft plaatsgevonden, bekrachtigd bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 augustus 2014 (hierna: het eindarrest in de hoofdzaak).
2.2
Flora Holland heeft vervolgens een schadestaatprocedure gestart en betaling van een bedrag van € 7.610.000,- (met rente) aan schadevergoeding gevorderd. Zij stelt dat de gestolen stapelwagens als schroot zijn verkocht aan [Bedrijf X] en dat uit de administratie van dat bedrijf blijkt dat het ging om in totaal 1.309.550 kilo aluminium. Dat is volgens Flora Holland het gewicht van 18.700 stapelwagens. Uitgaande van € 400,- per wagen, beloopt de schade € 7.480.000,- en daar komen kosten van onderzoek (€ 10.000,-) interne kosten (€ 70.000,-) en kosten juridische bijstand (€ 50.000,-) bij. In die procedure is [appellant] niet verschenen.
2.3
De rechtbank heeft bij vonnis van 6 januari 2010 (hierna: het verstekvonnis) de hoofdsom en de vordering inzake de kosten van onderzoek toegewezen, de vordering inzake interne kosten afgewezen en de vordering ter zake buitengerechtelijke incassokosten toegewezen tot een bedrag van € 6.422,-. [appellant] is bij verstek veroordeeld tot betaling aan Flora Holland van € 7.496.422,- vermeerderd met wettelijke rente over een bedrag van € 7.480.000,- vanaf 1 januari 2002, alsmede over een bedrag van € 16.422,- vanaf 16 november 2009, en tot betaling van de proceskosten.
2.4
Van dit verstekvonnis is [appellant] in verzet gekomen. De rechtbank heeft bij vonnis van 29 juli 2015 (hierna: het vonnis in de schadestaatprocedure of het bestreden vonnis) het verstekvonnis bekrachtigd en [appellant] in de kosten van de verzetprocedure veroordeeld, die op nihil zijn gesteld. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] zijn verweer in het geheel niet heeft onderbouwd en (hoewel dat tegenover de akte van Flora Holland van 9 december 2009 met producties op zijn weg lag) dat verweer ook niet verder heeft toegelicht. Nu [appellant] dit heeft nagelaten was er geen aanleiding om tot een andere beslissing te komen dan in het verstekvonnis genomen, aldus de rechtbank.
3. De beoordeling
in het principale beroep
3.1
[appellant] heeft vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. Met grief I komt [appellant] op tegen het oordeel in het bestreden vonnis (in rechtsoverweging (r.o.) 3.3.) dat zijn betwisting betrokken te zijn geweest bij de diefstallen van de stapelwagens (en daarmee onrechtmatig gehandeld te hebben) achterhaald is door het arrest in de hoofdzaak (de aansprakelijkheidsprocedure). [appellant] betwist ook in hoger beroep zijn betrokkenheid bij de diefstallen en daarmee dat een causaal verband bestaat tussen aan hem toegeschreven gedrag en de schade die volgens Flora Holland uit de diefstallen is voortgevloeid. Hij verwijst daarbij naar een forensisch accountantsonderzoek van 4 mei 2016, opgesteld door drs. J. Brouwer RA (hierna: het onderzoeksrapport).
3.2
Uitgangspunt in een schadestaatprocedure is gebondenheid aan beslissingen die genomen zijn in de hoofdzaak (de procedure waarin aansprakelijkheid is vastgesteld). Die gebondenheid heeft een op beperking van het debat gerichte functie en geldt voor zover het gaat om bindende eindbeslissingen. Weliswaar bestaat een beperkte mogelijkheid terug te komen op bindende eindbeslissingen, voor zover die berusten op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Dit geldt echter niet voor de overwegingen die ten grondslag liggen aan de vaststelling van aansprakelijkheid in de hoofdzaak waarbij de verwijzing naar de schadestaatprocedure is uitgesproken (vgl. HR 17 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2247, NJ 1997,230, HR 30 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2383, NJ 1998,381 HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008: BD1674, NJ 2008,285 en laatstelijk onder meer HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2138, NJ 2014,128).
In de schadestaatprocedure kunnen dus niet - opnieuw of alsnog - in de hoofdprocedure gegeven oordelen worden bestreden.
3.3
In het eindarrest in de hoofdzaak heeft het hof Amsterdam, na bewijslevering, geoordeeld dat bewezen is dat [appellant] betrokken is geweest bij de diefstal (en/of verduistering) door [persoon 1] van stapelwagens van Flora Holland. Dit oordeel, dat ten grondslag ligt aan de vaststelling van de aansprakelijkheid van [appellant] , kan niet meer worden aangetast in deze schadestaatprocedure. Daarmee faalt grief I, waarmee [appellant] betoogt dat dit wel mogelijk is. Ook grief IV gaat daarom niet op. [appellant] klaagt met die grief immers dat zowel rechtbank en hof in de hoofdzaak als de rechtbank in de schadestaatprocedure ten onrechte uitgegaan zijn van (de juistheid van) getuigenverklaringen die in de strafzaak tegen [appellant] zijn afgelegd. Ook dit betreft oordelen die ten grondslag liggen aan de vaststelling van de aansprakelijkheid, die in deze schadestaatprocedure niet meer ter discussie gesteld kunnen worden.
3.4
Wel is in deze schadestaatprocedure de omvang van de door [appellant] onrechtmatig handelen veroorzaakte schade aan de orde en de wijze waarop die berekend is. [appellant] heeft met de grieven II en III het hiervoor in 2.4 weergegeven oordeel van de rechtbank in het bestreden vonnis bestreden.
3.5
Flora Holland heeft voor de onderbouwing van haar schade met name verwezen naar de bij inleidende dagvaarding betekende schadestaat, die luidt als volgt:
“SCHADESTAAT
De door [persoon 1] bij [Bedrijf X] ingeleverde 18.700 stapelwagens (zijnde 1.309.550 kilogram aluminium schroot):
à € 400,- per stapelwagen € 7.480.000,-
kosten juridische bijstand € 50.000,-
kosten onderzoeken (Ernst & Young en Hofman) € 10.000,-
Interne kosten € 70.000,-
-------------------
€ 7.610.000,-”.
Uit de overgelegde stukken en de stellingen van partijen blijken de volgende feiten en omstandigheden die naar het oordeel van het hof vast staan en relevant zijn voor een goed begrip van deze schadevordering.
3.6
Flora Holland exploiteert een bloemenveiling met vijf vestigingen in Nederland. Op deze vestigingen worden dagelijks bloemen en planten geveild die door kwekers worden aangevoerd. Voor het transporteren van deze producten heeft Flora Holland een speciaal soort transportkar laten ontwikkelen, vervaardigd van aluminium, die wordt aangeduid als stapelwagen. Deze stapelwagens worden gebruikt voor het aanvoeren van de producten naar de veiling toe, voor het transporteren van de producten binnen de veilinggebouwen en het vervoer van de producten buiten de veiling. Het gebruik van stapelwagens is binnen het veilinggebouw en op het terrein van Flora Holland voor iedereen toegestaan en kost de gebruiker niets. Indien de stapelwagen buiten het terrein van Flora Holland wordt gebruikt dan zijn daar bepaalde voorwaarden aan verbonden. De gebruiker is op grond van een overeenkomst met Flora Holland verplicht de stapelwagen te voorzien van een zogenaamde slotplaat, een oranjekleurige hard plastic plaat, voorzien van een slotmechanisme dat blokkeert als de plaat op de stapelwagen wordt bevestigd. Voor het plaatsen van de slotplaat is op de stapelwagen een beugel aangebracht. Het verwijderen van de slotplaat kan alleen maar gebeuren door personeel van Flora Holland met behulp van een speciale sleutel. De slotplaten kunnen worden gehuurd bij Flora Holland; daartoe wordt een huurcontract opgesteld.
Over een langere periode zijn een groot aantal stapelwagens bij Flora Holland verdwenen. Door [persoon 2] , (hierna te noemen [persoon 2] ), werkzaam bij de bedrijfsbeveiliging van Flora Holland, is namens het bedrijf daarvan aangifte gedaan. Begin januari 2003 is Flora Holland getipt over de aanwezigheid van stapelwagens van het bedrijf bij metaalschroothandel [Bedrijf X] , gevestigd te [plaatsnaam] (hierna te noemen: [Bedrijf X] ). Het politieonderzoek leidde naar [persoon 1] (hierna te noemen: [persoon 1] ), die vervolgens in verband is gebracht met [appellant] , een kweker en één van de aanvoerders van producten bij Flora Holland. Na observaties en verder onderzoek door de politie is huiszoeking verricht in de woning van [appellant] , waarbij de politie 42 intacte slotplaten heeft aangetroffen.
[persoon 1] heeft in de strafzaak een aantal verklaringen afgelegd en heeft verklaard dat hij tezamen met [appellant] stapelwagens heeft ontvreemd bij Flora Holland, dat hij deze in de loods op het terrein van [appellant] in stukken heeft gezaagd en geslepen en dat hij de onderdelen vervolgens bij [Bedrijf X] als aluminium schroot heeft ingeleverd, waarna de opbrengst daarvan door hem met [appellant] werd gedeeld.
De politie heeft de administratie van [Bedrijf X] over de jaren 2000 tot en met 2002 en een deel van 2003 in beslag genomen. Uit onderzoek van die administratie is gebleken dat [persoon 1] (onder zijn eigen naam en onder de naam [naam] ) in die periode een grote hoeveelheid aluminium heeft aangeleverd en verkocht aan [Bedrijf X] .
3.7
Flora Holland heeft het volgende aangevoerd ter onderbouwing van haar schadevordering. Uit de hoeveelheid aluminium die door [persoon 1] bij [Bedrijf X] is ingeleverd (1.309.550 kg) valt het aantal stapelwagens af te leiden dat volgens haar door [appellant] en [persoon 1] is ontvreemd, te weten 18.700. Uit aankoopnota’s blijkt dat die stapelwagens zijn aangekocht voor prijzen variërend tussen € 350,- en € 450,-. Flora Holland heeft daarom een middenprijs van € 400,- per stapelwagen aangehouden, hetgeen leidt tot de berekende schade van € 7.480.000,-. Flora Holland heeft de schade daadwerkelijk geleden doordat zij die stapelwagens heeft moeten vervangen. Flora Holland is gehouden ten opzichte van haar leden een zekere hoeveelheid stapelwagens aan te bieden.
3.8
In de toelichting op grief II klaagt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij zijn betwisting van de schade onvoldoende heeft onderbouwd. Deze grief behoeft geen verdere behandeling, nu [appellant] thans in hoger beroep in de gelegenheid is deze betwisting nader te onderbouwen, hetgeen hierna beoordeeld wordt.
3.9
In de toelichting op grief III voert [appellant] in de eerste plaats aan dat Flora Holland moet stellen en bewijzen dat er causaal verband bestaat tussen de vermeende betrokkenheid van [appellant] en de gestelde schade. Zoals hiervoor onder 3.3 is overwogen, is in de hoofdzaak vastgesteld dat [appellant] betrokken is geweest bij de diefstal en/of verduistering door [persoon 1] van de stapelwagens van Flora Holland. Naar aanleiding van de standpunten van partijen, zoals hierna weergegeven onder 3.10 en 3.11, zal het hof hierna onder 3.12 nader beslissen over de vraag wat de omvang is van de door het onrechtmatig handelen van [persoon 1] en [appellant] veroorzaakte schade.
3.10
[appellant] heeft, onder verwijzing naar het door hem ingewonnen onderzoeksrapport, in de toelichting op grief III echter niet zozeer de omvang van de aansprakelijkheid, maar veeleer de omvang van de schade betwist op de volgende punten.
De schadeberekening gaat er van uit dat al het door [persoon 1] bij [Bedrijf X] ingeleverde aluminium in de periode 2000-2003 afkomstig is van stapelwagens van Flora Holland. Die veronderstelling is volgens [appellant] onjuist om de volgende redenen (waarbij hij citeert uit het onderzoeksrapport):
a. Tot januari 2003 bedroeg het aantal vermiste stapelwagens bij Flora Holland ongeveer 15.894. Uit het politieonderzoek is gebleken dat [persoon 1] in de periode januari tot april 2003 het equivalent van 152 stapelwagens bij [Bedrijf X] heeft ingeleverd, waarvan een aantal stapelwagens niet van Flora Holland afkomstig waren maar van een andere bloemenveiling, VBA Aalsmeer. Dit betekent dat in de periode juni 2000 tot april 2003 maximaal 16.000 stapelwagens bij Flora Holland zijn ontvreemd, zodat Flora Holland nooit de schade kan hebben geleden gebaseerd op de diefstal van 18.700 stapelwagens;
b. Uit het politieonderzoek blijkt voorts dat door de politie aangetroffen stapelwagens afkomstig zijn van meerdere veilingcomplexen en niet alleen van Flora Holland;
c. Op grond van de hoeveelheid kilogrammen van het ingeleverde aluminium, zoals blijkt uit het politieonderzoek, is berekend dat [persoon 1] gemiddeld meer dan 1.000 stapelwagens per maand had moeten ontvreemden om die kilogrammen ingeleverde aluminium te kunnen leveren. Dit kan alleen daarom al niet kloppen omdat de door [persoon 1] gebruikte vrachtwagen niet de capaciteit had om zoveel stapelwagens te vervoeren;
d. Uit het onderzoek van [rapport Y] (vastgelegd in een rapport van 12 december 2002, dat na het arrest in incident is overgelegd als productie 5 bij de memorie van grieven, hierna te noemen: [rapport Y] ) blijkt dat er geen aanwijzingen zijn voor georganiseerde diefstal van stapelwagens en dat de eerder uitgevoerde tellingen met betrekking tot het aantal vermiste stapelwagens onzuiver zijn. Bij Flora Holland was bekend dat de stapelwagens in een brede kring van toeleveranciers en afnemers verdwenen. Deze stapelwagens kunnen nooit allemaal bij [Bedrijf X] als schroot zijn ingeleverd.
3.11
Bij memorie van antwoord in principaal beroep heeft Flora Holland deze betwisting door [appellant] weersproken.
ad a. en b. De stapelwagens die zijn aangetroffen bij [Bedrijf X] zijn allemaal afkomstig van vestigingen van Flora Holland. Het veilingbedrijf VBA Aalsmeer heeft andersoortige stapelwagens en deze zijn ook niet door de politie herkend bij het onderzoek dat op het terrein van [Bedrijf X] is verricht;
ad c. Uit het politieonderzoek blijkt dat in drie jaar tijd geen 1.000 stapelwagens per maand zijn ontvreemd, maar gemiddeld 500 stapelwagens per maand. [persoon 1] ging met de vrachtwagen van [appellant] naar Flora Holland, laadde deze vol, reed terug naar het bedrijf van [appellant] en daar werden de karren verzaagd. [persoon 1] kwam soms wel drie à vier keer per dag bij [Bedrijf X] . Uit het strafdossier blijkt, gelet op de hoeveelheden aluminium die volgens de administratie van [Bedrijf X] per keer werden aangeleverd, dat wel degelijk tot meer dan 50 stapelwagens per keer konden worden afgeleverd met de auto van [persoon 1] , zeker nu het niet om intacte stapelwagens ging maar om kapot gezaagd materiaal.
ad d. [rapport Y] sluit wel degelijk aan bij de stellingen van Flora Holland inzake de schade-omvang. [rapport Y] geeft een totaalbeeld van de vermissing van stapelwagens, terwijl [appellant] op dat moment nog niet in beeld was als dader.
3.12
Het hof oordeelt als volgt.
Het uitgangspunt van Flora Holland bij haar schadeberekening is de hoeveelheid aluminium die door [persoon 1] volgens de administratie van [Bedrijf X] daar is ingeleverd over de jaren 2000 tot en met april 2003 (1.309.550 kg.), waarna deze hoeveelheid aluminium is teruggerekend tot een aantal stapelwagens. [appellant] heeft de juistheid van dit uitgangspunt en ook de uitwerking daarvan onvoldoende gemotiveerd betwist, terwijl dit wel van hem verwacht mocht worden. Weliswaar rust de bewijslast dat er schade is geleden op Flora Holland en dient zij bij begroting van die schade voldoende te stellen om de uitgangspunten daarvan te onderbouwen, maar dat heeft zij gedaan door overlegging van de processen-verbaal die opgesteld zijn in het kader van het strafrechtelijk onderzoek. [appellant] heeft vervolgens zijn betwisting van die begroting van de schade in de processtukken slechts toegespitst op een beperkt aantal punten, hiervoor onder 3.10 gerubriceerd als a. tot en met d.
Flora Holland heeft onder verwijzing naar het politieonderzoek (met name het onderzoek ter plekke op het terrein van [Bedrijf X] en het onderzoek van de boekhouding van [Bedrijf X] ) aangevoerd dat het aluminiumschroot dat is aangetroffen bij [Bedrijf X] en terug te voeren is op leveringen door [persoon 1] steeds afkomstig is van stapelwagens die eigendom waren van Flora Holland. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen in hoger beroep heeft [persoon 2] dit desgevraagd bevestigd. [persoon 2] heeft verklaard dat bij beschouwing van het aluminiumschroot stapelwagens van Flora Holland herkend kunnen worden aan de kleur van de beugel en ook aan de naam van het bedrijf, die op de stapelwagens vermeld was.
[appellant] heeft hier slechts tegen ingebracht dat een aantal stapelwagens mogelijk afkomstig was van een ander veilingbedrijf, maar heeft deze stelling verder niet uitgewerkt. Flora Holland heeft in dit kader ook nog aangevoerd dat in het onderzoeksrapport kennelijk uit het oog is verloren dat Flora Holland meerdere vestigingen heeft en dat uit de verklaring van [persoon 1] blijkt dat slechts stapelwagens werden opgehaald bij de vestigingen van Flora Holland.
Ook de betwisting door [appellant] onder c., die door Flora Holland gemotiveerd is weersproken, is te weinig uitgewerkt om af te doen aan de schadeberekening door Flora Holland. Die berekening gaat immers uit van de op de administratie van [Bedrijf X] gebaseerde veronderstelling dat [persoon 1] op een groot aantal dagen in met name 2001 en 2002 meerdere keren per dag aluminium aanleverde bij [Bedrijf X] , waarbij het niet ging om intacte stapelwagens die in de vrachtauto van [persoon 1] geladen moesten worden, maar om veel minder ruimte innemend verzaagd schroot.
Nu het uitgangspunt van de schadeberekening van Flora Holland alleen de hoeveelheid aluminium is die door [persoon 1] bij [Bedrijf X] is aangeleverd, is niet relevant of de administratie van stapelwagens bij Flora Holland steeds geheel precies kloppend was. [appellant] heeft onvoldoende gesteld voor de aannemelijkheid dat [persoon 1] ook alleen en/of ook andere personen (wie en in welke mate?) of andere factoren (welke en waarom?) een rol van betekenis speelden bij het grote aantal stapelwagens dat vermist werd in de periode 2000 tot en met 2003. Wel acht het hof relevant dat uit de verklaring die [persoon 2] bij de politie heeft afgelegd blijkt dat op 6 januari 2003 in totaal 15.894 stapelwagens werden vermist bij Flora Holland, terwijl uit het politieonderzoek blijkt dat [persoon 1] in 2003 nog slechts 10.640 kg aluminium bij [Bedrijf X] heeft ingeleverd, overeenkomend met 152 stapelwagens. Het hof gaat daarom bij de begroting van de schade uit van een totaal van 16.046 aan vermiste stapelwagens.
Voor het overige geldt, in het bijzonder nu als vaststaand moet worden aangenomen dat [appellant] onrechtmatig stapelwagens van Flora Holland heeft weggenomen, dat het op zijn weg lag om zijn verweer betreffende de omvang van de gevolgen van zijn onrechtmatig handelen met concrete feiten en omstandigheden te motiveren, in plaats van te volstaan met een meer algemene betwisting van de stellingen van Flora Holland.
Dat een stapelwagen een waarde had van € 400,- per exemplaar is niet betwist door [appellant] , zodat de totale schade uitkomt op € 6.418.400,- (€ 16.046 x € 400,-). Dit bedrag ligt daarmee voor toewijzing gereed, vermeerderd met de niet weersproken wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2002. Grief III gaat slechts in beperkte mate op.
3.13
Nu [appellant] onvoldoende heeft gesteld om zijn betwisting van de schadebegroting te staven komt het hof niet toe aan zijn algemeen geformuleerd bewijsaanbod.
in het incidentele beroep
3.14
Grief I in het incidentele beroep richt zich tegen de afwijzing door de rechtbank van de vordering ter zake door Flora Holland gemaakte interne kosten ter hoogte van € 70.000,- en van kosten ter hoogte van € 10.000,- die Flora Holland heeft moeten maken voor de onderzoeken door [Kantoor Z] . Flora Holland biedt vervolgens een nadere onderbouwing aan van het aantal intern bestede uren en het gehanteerde uurtarief en voorts overlegging van de nota’s van [Kantoor Z] , maar laat na deze stukken over te leggen. Nu Flora Holland in het geheel niet heeft onderbouwd dat zij voor € 70.000,- interne kosten heeft gemaakt faalt deze grief in zoverre.
Anders dan partijen gaat het hof er voorts van uit dat de rechtbank, die in het verstekvonnis alleen de afwijzingen heeft gemotiveerd en aan de onderzoekskosten geen woord heeft gewijd, het gevorderde bedrag van € 10.000,- aan kosten van de onderzoeken van [Kantoor Z] wel degelijk heeft toegewezen (als onderdeel van het in het dictum genoemde bedrag van € 7.496.422,-). Deze beslissing is bekrachtigd in het verzetvonnis.
[appellant] heeft weliswaar in het algemeen gegriefd tegen toewijzing van de vorderingen van Flora Holland, maar heeft die grieven op het punt van de post van € 10.000,- niet nader onderbouwd, anders dan door betwisting van het causaal verband tussen de inhoud van de rapporten van [Kantoor Z] en het onrechtmatig handelen van [appellant] , welk verweer niet opgaat, zoals hiervoor overwogen. Het hof zal deze post dan ook toewijzen, vermeerderd met de niet weersproken wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 november 2009, nu de kosten voor het opmaken van deze rapporten zijn aan te merken als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6: 96 lid 2 sub b BW.
Grief I in het incidentele beroep behoeft daarmee geen verdere behandeling.
in het principale en het incidentele beroep
3.15
Tegen de in het verzetvonnis bekrachtigde toewijzing in het verstekvonnis van een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 6.422,- heeft [appellant] geen (gemotiveerde) grieven gericht, zodat ook dit bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de niet weersproken wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 november 2009.
4. Slotsom
in het principaal beroep
4.1
Uit het voorgaande blijkt dat de grieven I, II en IV falen en dat grief III in zoverre opgaat dat niet het in het verstekvonnis van 6 januari 2010 toegewezen bedrag aan schade dient te worden toegewezen, maar de hiervoor onder 3.12, 3.14 en 3.15 genoemde bedragen. Dit betekent dat zowel het verstekvonnis van 6 januari 2010 als het vonnis in verzet van 29 juli 2015 dienen te worden vernietigd en dat opnieuw rechtdoende deze bedragen zullen worden toegewezen.
4.2
Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de beide instanties veroordelen in de proceskosten.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van Flora Holland zullen worden vastgesteld op:
- explootkosten € 78,13
- griffierecht € 4.938,-
subtotaal verschotten € 5.016,13
- salaris advocaat € 3.211,- (1 punt x tarief VIII ad € 3.211,-)
Totaal € 8.227,13.
4.3
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Flora Holland zullen worden vastgesteld op:
- griffierecht € 5.160,-
- salaris advocaat € 9.160,- (2 punten x appeltarief VIII ad € 4.580,- per punt)
Totaal € 14.320,-.
Uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de vordering ter zake de proceskosten is in hoger beroep niet gevorderd.
in het incidentele beroep
4.4
Nu de grief in het incidentele beroep faalt zal Flora Holland in de kosten van dit hoger beroep worden veroordeeld, die zullen worden vastgesteld aan de zijde van [appellant] op
€ 1.631,- (1 punt x appeltarief IV).
5. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
in het principale beroep
vernietigt het verstekvonnis van 6 januari 2010 van de rechtbank Utrecht en het vonnis in verzet van 29 juli 2015 van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, en doet opnieuw recht:
veroordeelt [appellant] om aan Flora Holland te betalen een bedrag van € 6.418.400,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2002 tot aan de volledige voldoening, een bedrag van € 10.000,- en een bedrag van € 6.422,-, deze beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2009 tot aan de volledige voldoening;
veroordeelt [appellant] in de kosten van de eerste aanleg, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van Flora Holland vastgesteld op € 5.016,13 voor verschotten en op € 3.211,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;
veroordeelt [appellant] in de nakosten van de eerste aanleg, begroot op € 131,-- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,-- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 5.160,- voor verschotten en op € 9.160,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
in het incidentele beroep
verwerpt het beroep;
veroordeelt Flora Holland in de kosten van dit hoger beroep, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 1.631,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
in het principale en het incidentele beroep
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, A.W. Steeg en M.B. Beekhoven van den Boezem en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2018.
Uitspraak 20‑12‑2016
Inhoudsindicatie
Rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad valt ook onder reikwijdte art. 843a Rv;
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.179.829
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht 296411)
arrest van 20 december 2016
in het incident
in de zaak van:
[appellant] ,
wonende te [plaatsnaam] ,
appellant,
hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. J.C. van Vliet,
tegen:
de coöperatie
Coöperatieve Bloemenveiling FloraHolland U.A.,
gevestigd te Aalsmeer,
geïntimeerde,
hierna: Flora Holland,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 15 maart 2016 hier over. In dit arrest is een comparitie van partijen bepaald in de tussen partijen aanhangige hoofdzaak en in het incident.
1.2
Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft [appellant] een akte houdende wijziging eis in het incident genomen. Van de comparitie van partijen, die heeft plaatsgevonden op 12 september 2016 en waar Flora Holland niet (tijdig) is verschenen, is proces-verbaal opgemaakt. Naar aanleiding van de na de comparitie van partijen gevoerde correspondentie is Flora Holland door de raadsheer-commissaris in staat gesteld een antwoordakte te nemen, waarna arrest in het incident is bepaald.
2. De voorafgaande procedures
2.1
In een tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Utrecht van 7 oktober 2009 is de rechtbank na bewijslevering tot de conclusie gekomen dat [appellant] betrokken is geweest bij de diefstal van stapelwagens van Flora Holland en dat hij daarmee onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. [appellant] is veroordeeld om aan Flora Holland de schade te vergoeden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
Dit vonnis is, nadat ook bij het hof bewijslevering heeft plaatsgevonden, bekrachtigd bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 augustus 2014.
2.2
Flora Holland heeft vervolgens een schadestaatprocedure gestart en betaling van een bedrag van € 7.610.000,- (met rente) aan schadevergoeding gevorderd. Zij stelt dat de gestolen stapelwagens als schroot zijn verkocht aan [bedrijf X] en dat uit de administratie van dat bedrijf blijkt dat het ging om in totaal 1.309.550 kilo aluminium. Dat is volgens Flora Holland het gewicht van 18.700 stapelwagens. Uitgaande van € 400,- per wagen, beloopt de schade € 7.480.000,- en daar komen kosten van onderzoek (€ 10.000,-) interne kosten (€ 70.000,-) en kosten juridische bijstand (€ 50.000,-) bij. In die procedure is [appellant] niet verschenen.
2.3
De rechtbank heeft bij vonnis van 6 januari 2010 (hierna: het verstekvonnis) de hoofdsom en de vordering inzake de kosten van onderzoek toegewezen, de vordering inzake interne kosten afgewezen en de vordering ter zake de kosten van juridische bijstand beperkt tot een bedrag van € 6.422,-. [appellant] is bij verstek veroordeeld tot betaling aan Flora Holland van € 7.496.422,- vermeerderd met wettelijke rente over een bedrag van € 7.480.000,- vanaf 1 januari 2002, alsmede over een bedrag van € 16.422,- vanaf 16 november 2009, en tot betaling van de proceskosten.
2.4
Van dit verstekvonnis is [appellant] in verzet gekomen. De rechtbank heeft bij vonnis van 29 juli 2015 (hierna: het bestreden vonnis) het verstekvonnis bekrachtigd en [appellant] in de kosten van de verzetprocedure veroordeeld, die op nihil zijn gesteld. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat [appellant] zijn verweer in het geheel niet heeft onderbouwd en (hoewel dat tegenover de akte van Flora Holland van 9 december 2009 met producties op zijn weg lag) dat verweer ook niet verder heeft toegelicht. Nu [appellant] dit heeft nagelaten was er geen aanleiding om tot een andere beslissing te komen dan in het verstekvonnis genomen, aldus de rechtbank.
3. De motivering van de beslissing in het incident
3.1
Bij incidentele conclusie van 19 januari 2016 heeft [appellant] op grond van artikel 223 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) gevorderd dat Flora Holland bij wijze van voorlopige voorziening op straffe van een dwangsom uitvoerbaar bij voorraad wordt veroordeeld tot het afgeven van dan wel ter inzage verstrekken aan [appellant] van het rapport van [Bedrijf Y] van 12 december 2002 (hierna: het rapport [Bedrijf 1(het rapport)] ).
3.2
Bij akte van 12 september 2016 heeft [appellant] deze eis aangevuld en heeft hij zijn incidentele vordering tevens gegrond op de artikelen 22 en 843a Rv. [appellant] vordert thans dat Flora Holland op grond van artikel 223 Rv en/of op grond van artikel 22 Rv en/of op grond van artikel 843a Rv veroordeeld wordt tot afgifte van het rapport [Bedrijf 1(het rapport)] .
3.3
Het hof zal de incidentele vordering allereerst beoordelen op de (meest passende) grondslag van artikel 843a Rv. Bij de beoordeling van deze vordering moet worden vooropgesteld dat artikel 843a Rv niet voorziet in een onbeperkt recht op inzage van bescheiden jegens degene die deze te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, maar dat deze bepaling het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden afhankelijk stelt van enkele cumulatieve vereisten. Ingevolge het eerste lid van genoemd artikel moet de eiser in elk geval een rechtmatig belang hebben bij de inzage, het afschrift of het uittreksel. Verder moet hij inzage, afschrift of een uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarbij hij of zijn rechtsvoorganger partij is of was; daaronder valt mede een rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad.
Ook indien aan voormelde vereisten is voldaan, kan de vordering wegens gewichtige redenen of omdat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat ook zonder de gevorderde gegevens een behoorlijke rechtsbedeling is gewaarborgd, worden afgewezen.
3.4
[appellant] heeft het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd.
In de procedure die heeft geleid tot het bestreden vonnis heeft Flora Holland een brief overgelegd van [Bedrijf Z(de brief)] van 15 januari 2003 (hierna: de brief van [Bedrijf Z(de brief)] ). In deze brief geeft [Bedrijf Z(de brief)] een samenvatting van het door haar opgestelde rapport in verband met de vermissing van stapelwagens bij Flora Holland en verwijst daarbij naar het rapport [Bedrijf 1(het rapport)] . Uit dit rapport zou blijken dat de administratieve verwerking van het beheer van de stapelwagens bij Flora Holland onduidelijk was en dat er onzuiverheden in de telling van de vermiste stapelwagens zat. Hieruit blijkt dat het rapport [Bedrijf 1(het rapport)] belangrijke informatie bevat voor deze zaak en dat [appellant] dus een rechtmatig belang heeft bij afgifte dan wel inzage in dit rapport.
3.5
Nadat Flora Holland eerst verklaarde niet te beschikken over het rapport [Bedrijf 1(het rapport)] heeft zij in haar laatste akte meegedeeld dat het rapport alsnog is gevonden. Flora Holland verzet zich tegen afgifte/inzage van het rapport op grond van artikel 843a Rv. Zij voert aan dat [appellant] geen rechtmatig belang heeft bij afgifte of inzage. Aangezien de aantallen ontvreemde stapelwagens waarvan uitgegaan wordt bij de berekening van de schade zijn gebaseerd op andere bewijsmiddelen (getuigenverklaringen) is het rapport [Bedrijf 1(het rapport)] niet relevant voor de rechtspositie van [appellant] . Het betreft een rapport over de interne gang van zaken binnen Flora Holland dat vergeleken kan worden met een due diligence-rapport, waarbij geldt dat in de jurisprudentie dergelijke vorderingen worden afgewezen. Tevens geldt dat [appellant] geen partij is in de rechtsbetrekking tussen Flora Holland en de opsteller van het rapport. Het rapport bevat voorts niet alleen maar feiten, maar ook interne adviezen en vertrouwelijke (persoonlijke en bedrijfsmatige) gegevens. Dat vormt een gewichtige reden voor Flora Holland om het rapport niet in het geding te hoeven brengen. Indien de vordering wel wordt toegewezen bestaat er aanleiding een geheimhoudingsplicht conform artikel 29 Rv op te leggen, dan wel behandeling met gesloten deuren te gelasten. In het rapport komen medewerkers en klanten van Flora Holland aan het woord aan wie bij het opstellen van het rapport geheimhouding is beloofd. [appellant] had voorts al vanaf 2003, toen de brief van [Bedrijf Z(de brief)] in het geding is gebracht, om afgifte van/inzage in het rapport kunnen verzoeken. Dit kan niet voor het eerst in hoger beroep. Flora Holland heeft ten slotte verzocht om, als het rapport naar het oordeel van het hof moet worden overgelegd, haar toe te staan de vertrouwelijke passages onherkenbaar te maken en te anonimiseren.
3.6
Het hof oordeelt als volgt.
Zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis van dit artikel (Parlementaire Geschiedenis Herziening Rechtsvordering, MvT, p. 554) valt een rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad, zoals in dit geval aan de orde, ook binnen de reikwijdte van artikel 843a Rv.
Als onderbouwing van haar schade heeft Flora Holland tot nu toe in deze procedure met name verwezen naar de bij inleidende dagvaarding betekende summiere schadestaat, die luidt als volgt:
“SCHADESTAAT
De door [persoon 1] bij [bedrijf X] ingeleverde 18.700 stapelwagens (zijnde 1.309.550 kilogram aluminium schroot):
à € 400,- per stapelwagen € 7.480.000,-
kosten juridische bijstand € 50.000,-
kosten onderzoeken ( [Bedrijf Z(de brief)] en [Bedrijf 1(het rapport)] ) € 10.000,-
Interne kosten € 70.000,-
-------------------
€ 7.610.000,-”.
Centraal in deze berekening van de schade staat het aantal stapelwagens bij de diefstal en/of verduistering waarvan [appellant] betrokken zou zijn geweest (hierna: het voor de schade relevante aantal stapelwagens). Dit aantal wordt kennelijk afgeleid uit de hoeveelheid aluminium schroot die door [persoon 1] bij [bedrijf X] is ingeleverd.
Uit de brief van [Bedrijf Z(de brief)] blijkt dat [Bedrijf 1(het rapport)] een uitvoerig administratief onderzoek heeft uitgevoerd, onder meer naar tellingen van stapelwagens in de jaren 1996 tot en met 2002. Onder meer op basis daarvan trekt [Bedrijf 1(het rapport)] in zijn rapport een aantal conclusies, die in de brief van [Bedrijf Z(de brief)] als volgt worden samengevat :
“(…)
- -
de administratieve verwerking van het stapelwagenbeheer is niet altijd even duidelijk en inzichtelijk;
- -
er zitten belangrijke onzuiverheden in de tellingen als gevolg van losse en afgekochte slotplaten;
- -
het vermoeden bestaat dat naar aanleiding van tellingen onjuiste cijfers zijn doorgegeven en niet de werkelijk geconstateerde verschillen;
- -
getwijfeld wordt aan de juiste berekening van de verschillen in 2002 (…) “.
Naar aanleiding van deze conclusies van [Bedrijf 1(het rapport)] heeft [Bedrijf Z(de brief)] vervolgens zelf een analyse gemaakt van het aantal vermiste stapelwagens.
3.7
Uit het bovenstaande volgt dat het rapport [Bedrijf 1(het rapport)] informatie bevat die relevant is voor de schatting van het aantal vermiste stapelwagens en de omstandigheden rond die vermissingen. Niet uit te sluiten valt dat die informatie tevens van belang is voor de schatting van het voor de schade relevante aantal stapelwagens en dus van belang voor de rechtspositie van [appellant] in deze procedure. Daarmee is het rechtmatige belang van [appellant] bij kennisneming van dit rapport voldoende aangetoond. Flora Holland voert weliswaar aan dat het rapport niet relevant is voor de rechtspositie van [appellant] , omdat de schatting van het voor de schade relevante aantal sloopwagens is gebaseerd op andere bewijsmiddelen. Ook al zou dit moeten worden aangenomen, dan nog neemt dit niet weg dat er voor [appellant] een belang bestaat om de beschikking te krijgen over informatie die kan leiden tot een andere schatting van het voor de schade relevante aantal stapelwagens. Dat [appellant] deze informatie mogelijk eerder had kunnen opvragen is niet van belang, nu het hoger beroep ook dient om eerdere omissies te herstellen. Dat het rapport [Bedrijf 1(het rapport)] gelijk gesteld zou kunnen worden met een due diligence-rapport is door Flora Holland onvoldoende onderbouwd.
Aan het bezwaar van Flora Holland dat bij de totstandkoming van het rapport [Bedrijf 1(het rapport)] aan diegenen die daar medewerking aan hebben verleend vertrouwelijkheid is beloofd zal het hof tegemoet komen door partijen op de voet van artikel 29 Rv te verbieden mededeling te doen aan derden over de inhoud van het rapport [Bedrijf 1(het rapport)] .
Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat er geen gewichtige redenen bestaan voor Flora Holland om het volledige rapport [Bedrijf 1(het rapport)] niet in het geding te brengen. De bezwaren die zij daartegen heeft aangevoerd wegen niet op tegen het rechtmatige belang van [appellant] bij toewijzing van zijn vordering, voortvloeiend uit de eisen van een behoorlijke rechtsbedeling. Wel zal het aan Flora Holland worden toegestaan om (louter) de NAW-gegevens van de informatieverstrekkers onherkenbaar te maken.
4. Slotsom
4.1
Uit het voorgaande volgt dat het hof de incidentele vordering, zoals gebaseerd op artikel 843a Rv, zal toewijzen. In het feit dat Flora Holland in deze vanaf 2009 lopende procedure pas op 4 oktober 2016 heeft laten weten over het rapport [Bedrijf 1(het rapport)] te beschikken ziet het hof aanleiding de vordering toe te wijzen op straffe van verbeurte van een dwangsom, zij het dat voor voldoening aan de vordering een termijn zal worden gesteld en dat de dwangsom zal worden beperkt en aan een maximum zal worden gebonden. Voor het geval Flora Holland het rapport [Bedrijf 1(het rapport)] ondanks toewijzing van deze vordering nog buiten beeld houdt, kan het hof daaraan voor de schadekwestie de gevolgtrekking maken die het geraden acht.
Daarmee behoeven de alternatieve grondslagen voor de vordering geen bespreking meer.
4.2
Het hof zal Flora Holland als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van dit incident veroordelen, vermeerderd met de daarover gevorderde en niet betwiste wettelijke rente. Die kosten bedragen € 1.788,- voor salaris advocaat conform het liquidatietarief (2 punten van appeltarief II ad € 894,-).
in de hoofdzaak
4.3
Het hof zal de zaak verwijzen naar de rol voor memorie van grieven. In de gang van zaken rond de comparitie van partijen op 12 september 2016 ziet het hof aanleiding om, nadat ook de memorie van antwoord is genomen, nogmaals een comparitie te gelasten, ditmaal meervoudig. Na het nemen van de memorie van antwoord zullen daartoe verhinderdata worden opgevraagd en zal aan beide partijen (in afwijking van het rolreglement) gevraagd worden een procesdossier over te leggen, compleet met de stukken die gewisseld zijn in de procedure die heeft geleid tot het arrest van het hof van 26 augustus 2014.
5. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
in het incident:
veroordeelt Flora Holland tot afgifte aan [appellant] van een afschrift van het volledige rapport [Bedrijf 1(het rapport)] (met louter de NAW-gegevens van de informatieverstrekkers onherkenbaar) uiterlijk drie weken na betekening van dit arrest op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat Flora Holland hiermee in gebreke blijft, met bepaling dat geen dwangsom verbeurd kan worden boven een maximum van € 50.000,-;
verbiedt partijen op de voet van artikel 29 Rv mededelingen te doen aan derden over het rapport [Bedrijf 1(het rapport)] ;
veroordeelt Flora Holland in de kosten van het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 1.788,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;
verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de roldatum 31 januari 2017 voor memorie van grieven;
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, C.G. ter Veer en M. Beekhoven van den Boezem, bij afwezigheid van de voorzitter getekend door de oudste raadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 december 2016.