Procestaal: Spaans.
HvJ EU, 04-09-2025, nr. C-21/24
ECLI:EU:C:2025:659
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
04-09-2025
- Magistraten
I. Jarukaitis, K. Lenaerts, M. Gavalec, A. Arabadjiev, R. Frendo
- Zaaknummer
C-21/24
- Conclusie
L. Medina
- Roepnaam
Nissan Iberia
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:659, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 04‑09‑2025
ECLI:EU:C:2025:248, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 03‑04‑2025
Uitspraak 04‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Artikel 101 VWEU — Doeltreffendheidsbeginsel — Schadevorderingen wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie — Verjaringstermijn — Bepaling van de dies a quo — Kennis van de informatie die onontbeerlijk is om de schadevordering in te stellen — Publicatie op de website van een nationale mededingingsautoriteit van haar besluit tot vaststelling van een inbreuk op de mededingingsregels — Bindende kracht van een besluit van een nationale mededingingsautoriteit dat nog niet definitief is — Schorsing of stuiting van de verjaringstermijn — Opschorting van de procedure voor de rechter bij wie een schadevordering is ingesteld — Richtlijn 2014/104/EU — Artikel 10 — Toepassing in de tijd
I. Jarukaitis, K. Lenaerts, M. Gavalec, A. Arabadjiev, R. Frendo
Partij(en)
In zaak C-21/24,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Juzgado de lo Mercantil n.º 1 de Zaragoza (handelsrechtbank nr. 1 Zaragoza, Spanje) bij beslissing van 10 januari 2024, ingekomen bij het Hof op 12 januari 2024, in de procedure
CP
tegen
Nissan Iberia SA,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Vierde kamer, M. Gavalec, A. Arabadjiev (rapporteur) en R. Frendo, rechters,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 januari 2025,
gelet op de opmerkingen van:
- —
CP, vertegenwoordigd door M. Porto Corredoira en J. Suderow Rodríguez, abogados,
- —
Nissan Iberia SA, vertegenwoordigd door J. Alonso Menjón, O. Guardiola Bas, I. Torras Balcell en J. Zuloaga González, abogados,
- —
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door P. Pérez Zapico en A. Pérez-Zurita Gutiérrez als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Baches Opi en C. Zois als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 april 2025,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 101 VWEU, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen CP en Nissan Iberia SA (hierna: ‘Nissan’) in verband met de vergoeding van de beweerdelijk geleden schade wegens een inbreuk op het mededingingsrecht die is gepleegd door meerdere ondernemingen, waaronder Nissan, en die is vastgesteld bij besluit van de Comisión Nacional de los Mercados y la Competencia (nationale commissie voor markten en mededinging, Spanje; hierna: ‘CNMC’).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 1/2003
3
Artikel 16 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) heeft als opschrift ‘Uniforme toepassing van het communautaire mededingingsrecht’. Lid 1 ervan luidt als volgt:
‘Wanneer nationale rechterlijke instanties artikel [101] of artikel [102 VWEU] toepassen op overeenkomsten, besluiten of gedragingen die reeds het voorwerp uitmaken van een beschikking van de [Europese] Commissie, kunnen zij geen beslissingen nemen die in strijd zijn met de door de Commissie gegeven beschikking. Ook moeten zij vermijden beslissingen te nemen die in strijd zouden zijn met een beschikking die de Commissie overweegt te geven in een door haar gestarte procedure. Te dien einde kan de nationale rechterlijke instantie de afweging maken of het nodig is haar procedure op te schorten. Deze verplichting laat de rechten en verplichtingen op grond van artikel [267 VWEU] onverlet.’
Richtlijn 2014/104
4
Artikel 10 van richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (PB 2014, L 349, blz. 1), met als opschrift ‘Verjaringstermijnen’, luidt:
- ‘1.
De lidstaten stellen overeenkomstig dit artikel regels vast die van toepassing zijn op verjaringstermijnen voor het instellen van schadevorderingen. In die regels wordt het tijdstip bepaald waarop de verjaringstermijn begint te lopen, de duur van de termijn en de omstandigheden waarin de termijn wordt gestuit of geschorst.
- 2.
De verjaringstermijn begint niet te lopen voordat de inbreuk op het mededingingsrecht is stopgezet en een eiser weet heeft, of redelijkerwijs geacht kan worden weet te hebben, van:
- a)
de gedraging en het feit dat deze gedraging een inbreuk op het mededingingsrecht vormt;
- b)
het feit dat hij door de inbreuk op het mededingingsrecht schade heeft geleden, en
- c)
de identiteit van de inbreukmaker.
- 3.
De lidstaten zorgen ervoor dat de verjaringstermijn om een schadevordering in te stellen ten minste vijf jaar bedraagt.
- 4.
De lidstaten zorgen ervoor dat de verjaringstermijn afhankelijk van het nationaal recht wordt geschorst dan wel wordt gestuit wanneer een mededingingsautoriteit een handeling verricht tot onderzoek of vervolging van de inbreuk op het mededingingsrecht waarop de schadevordering betrekking heeft. De schorsing eindigt ten vroegste één jaar na de vaststelling van een definitieve inbreukbeslissing of nadat de procedure op andere wijze is beëindigd.’
5
Artikel 21 van die richtlijn, met als opschrift ‘Omzetting’, bepaalt in lid 1:
‘De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 27 december 2016 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.
[…]’
6
Artikel 22 van genoemde richtlijn heeft als opschrift ‘Toepassing in de tijd’ en bepaalt in lid 1:
‘De lidstaten zorgen ervoor dat geen terugwerkende kracht wordt gegeven aan de nationale maatregelen die krachtens artikel 21 worden vastgesteld ter naleving van de materiële bepalingen van deze richtlijn.’
Spaans recht
7
Artikel 1902 van de Código Civil (burgerlijk wetboek) bepaalt:
‘Wie door zijn handeling of verzuim iemand schade berokkent door een fout of door nalatigheid, moet de berokkende schade herstellen.’
8
In artikel 1968 van dat wetboek staat:
‘Aan een verjaringstermijn van één jaar zijn onderworpen:
[…]
- 2.
De vordering uit niet-contractuele aansprakelijkheid wegens smaad of laster of op grond van de verplichtingen die voortvloeien uit de fout of nalatigheid bedoeld in artikel 1902, vanaf het moment dat de benadeelde persoon hiervan kennis heeft gekregen.’
9
Artikel 1973 van dat wetboek bepaalt:
‘De verjaringstermijn van vorderingen wordt gestuit door het instellen van een vordering bij de rechter, door een buitengerechtelijke vordering van de schuldeiser en door elke handeling tot erkenning van de schuld door de schuldenaar.’
10
Artikel 74 van Ley 15/2007 de Defensa de la Competencia (wet 15/2007 inzake de bescherming van de mededinging) van 3 juli 2007 (BOE nr. 159 van 4 juli 2007, blz. 28848), zoals gewijzigd bij Real Decreto-ley 9/2017, por el que se transponen directivas de la Unión Europea en los ámbitos financiero, mercantil y sanitario, y sobre el desplazamiento de trabajadores (koninklijk wetsbesluit 9/2017 tot omzetting van richtlijnen van de Europese Unie op financieel, commercieel en gezondheidsgebied, alsook inzake de terbeschikkingstelling van werknemers) van 26 mei 2017 (BOE nr. 126 van 27 mei 2017, blz. 42820), bepaalt:
- ‘1.
De verjaringstermijn voor aansprakelijkheidsvorderingen wegens schade als gevolg van een inbreuk op het mededingingsrecht bedraagt vijf jaar.
- 2.
De verjaringstermijn begint te lopen wanneer de inbreuk op het mededingingsrecht is stopgezet en de eiser weet heeft, of redelijkerwijs geacht kan worden weet te hebben, van:
- a)
de gedraging en het feit dat deze gedraging een inbreuk op het mededingingsrecht vormt;
- b)
de door deze inbreuk veroorzaakte schade, en
- c)
de identiteit van de inbreukmaker.
- 3.
De termijn wordt gestuit wanneer een mededingingsautoriteit een onderzoek of een sanctieprocedure start in verband met een inbreuk op het mededingingsrecht waarop de schadevordering betrekking heeft. Deze stuiting eindigt één jaar na de datum waarop het besluit van de mededingingsautoriteit definitief is geworden of waarop de procedure op andere wijze is beëindigd.
- 4.
De termijn wordt eveneens gestuit wanneer een procedure van buitengerechtelijke geschillenbeslechting in verband met een vordering tot vergoeding van de veroorzaakte schade wordt geopend. Deze stuiting van de verjaringstermijn geldt echter enkel voor de partijen die bij de buitengerechtelijke geschillenbeslechting zijn of waren betrokken of vertegenwoordigd.’
11
Artikel 75, lid 1, van wet 15/2007, zoals gewijzigd bij koninklijk wetsbesluit 9/2017, luidt:
‘Een inbreuk op het mededingingsrecht die bij een definitieve beslissing is vastgesteld door een Spaanse mededingingsautoriteit of een Spaanse rechterlijke instantie, wordt geacht onweerlegbaar vast te staan voor de behandeling van een bij een Spaanse rechter aanhangig gemaakte schadevordering.’
12
De eerste overgangsbepaling van koninklijk wetsbesluit 9/2017, waarbij richtlijn 2014/104 in Spaans recht is omgezet, met als opschrift ‘Overgangsregeling voor schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie’, luidt:
- ‘1.
De bepalingen van artikel 3 van dit koninklijk wetsbesluit zijn niet met terugwerkende kracht van toepassing.
- 2.
De bepalingen van artikel 4 van dit koninklijk wetsbesluit zijn enkel van toepassing op procedures die zijn ingeleid na de inwerkingtreding van daarvan.’
13
In artikel 90, lid 3, van Ley 39/2015 del Procedimiento Administrativo Común de las Administraciones Públicas (wet 39/2015 betreffende de gemeenschappelijke administratieve procedure voor overheidsinstanties) van 1 oktober 2015 (BOE nr. 236 van 2 oktober 2015, blz. 89343), dat krachtens artikel 45 van wet 15/2007 van toepassing is gemaakt op het mededingingsrecht, is bepaald:
‘Het besluit dat de procedure beëindigt is uitvoerbaar als geen gewoon administratief beroep tegen dat besluit mogelijk In dat besluit kunnen de nodige voorlopige maatregelen worden vastgesteld om de werkzaamheid ervan te waarborgen zolang het niet uitvoerbaar is. Deze voorlopige maatregelen kunnen bestaan in de handhaving van de bewarende maatregelen die in voorkomend geval zijn vastgesteld.
Wanneer het besluit uitvoerbaar is, kan het voorlopig worden opgeschort indien de belanghebbende de autoriteiten in kennis stelt van zijn voornemen om bij een administratieve rechtbank beroep tegen het definitieve administratieve besluit in te stellen. Aan deze voorlopige opschorting komt een einde wanneer:
- a)
de belanghebbende op het tijdstip waarop de wettelijke termijn is verstreken geen beroep bij een administratieve rechtbank heeft ingesteld;
- b)
zelfs wanneer de belanghebbende beroep bij een administratieve rechtbank heeft ingesteld:
- 1.
hij bij dit beroep niet de voorlopige opschorting van het bestreden besluit heeft gevorderd;
- 2.
de rechter uitspraak doet over het verzoek om voorlopige opschorting, volgens de door deze rechter vastgestelde voorwaarden.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
14
Op 23 juli 2015 heeft de CNMC een besluit genomen waarbij zij heeft vastgesteld dat meerdere ondernemingen, waaronder Nissan, inbreuk hadden gemaakt op artikel 101 VWEU en artikel 1 van wet 15/2007. Aan de mededingingverstorende gedraging die hen werd verweten, die bestond in de uitwisseling van commercieel gevoelige informatie tussen die ondernemingen, kwam een einde in 2013.
15
Op 28 juli 2015 heeft de CNMC aangaande dat besluit een persbericht op haar website gepubliceerd.
16
Op 15 september 2015 werd genoemd besluit integraal gepubliceerd op de website van de CNMC.
17
Tegen dit besluit zijn meerdere beroepen tot nietigverklaring ingesteld door de plegers van de vermeende inbreuk, waaronder Nissan, maar het besluit is, wat Nissan betreft, in 2021 door de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) bevestigd.
18
CP heeft in maart 2023 bij de verwijzende rechter een schadevordering ingesteld na het besluit van de CNMC (follow-on damages action) met het oog op de veroordeling van Nissan tot vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden wegens de aankoop van een voertuig waarvan de prijs is beïnvloed door de in dat besluit vastgestelde inbreuk.
19
Nissan heeft als verdediging in essentie aangevoerd dat deze schadevordering verjaard was. Volgens deze onderneming volgt uit de regels inzake verjaring die zijn neergelegd in het burgerlijk wetboek dat de verjaringstermijn van een jaar die geldt voor een dergelijke vordering begint te lopen vanaf het tijdstip waarop de benadeelde persoon kennis heeft gekregen van de betrokken inbreuk op het mededingingsrecht. Aangezien, ten eerste, het besluit van de CNMC op 15 september 2015 integraal op de website van deze instantie is gepubliceerd, ten tweede, de CNMC een perscommuniqué ter zake heeft gepubliceerd, en ten derde, de zaak die aanleiding heeft gegeven tot dat besluit veel media-aandacht heeft gekregen op nationaal niveau, kan CP in casu niet beweren dat hij op de datum van publicatie van dat besluit op de website van de CNMC geen kennis had van de informatie die onontbeerlijk was voor het instellen van die schadevordering. Volgens Nissan is het voor het ingaan van de verjaringstermijn niet noodzakelijk dat dit besluit definitief is geworden, zodat kan worden aangenomen dat die termijn op 15 september 2015 is beginnen te lopen.
20
Volgens de verwijzende rechter kunnen de verjaringstermijnen die gelden voor schadevorderingen wegens een inbreuk op de mededingingsregels niet beginnen te lopen voordat de betrokken inbreuk is beëindigd en de benadeelde persoon kennis heeft gekregen of redelijkerwijs kennis kan hebben gekregen van de informatie die onontbeerlijk is voor het instellen van zijn schadevordering.
21
Wanneer deze inbreuk is vastgesteld door een besluit van de nationale mededingingsautoriteit, kan volgens deze rechter worden aangenomen dat de personen die schade hebben geleden kennis hebben gekregen van deze informatie op het tijdstip waarop het besluit werd gepubliceerd op de website van die autoriteit. In het bijzonder is bij die publicatie het bestaan van de betrokken inbreuk bekend, worden de inbreukmakers nauwkeurig aangewezen, wordt de duur van de onrechtmatige gedraging vermeld en kan het bestaan van schade worden vastgesteld. Omdat geen enkele rechtsregel vereist dat een dergelijk besluit definitief is geworden opdat het recht op vergoeding van de door de betrokken inbreuk veroorzaakte schade ontstaat, heeft de omstandigheid dat beroep in rechte werd ingesteld tegen dat besluit volgens de verwijzende rechter geen invloed op de berekening van de verjaringstermijn die van toepassing is op een schadevordering die strekt tot vergoeding van de schade ten gevolge van de betrokken inbreuk.
22
Volgens de verwijzende rechter is het juist dat de rechter bij wie een schadevordering is ingesteld na een besluit van de mededingingsautoriteit waartegen beroep tot nietigverklaring is ingesteld, pas gebonden kan zijn aan de vaststelling van het bestaan van de in dat besluit vermelde inbreuk wanneer dit besluit definitief is geworden. Deze rechter kan echter op grond van het toepasselijke procesrecht de voor hem aanhangige procedure opschorten totdat genoemd besluit definitief is geworden. Voorts kan die rechter, indien een schadevordering is ingesteld wegens een inbreuk op de mededingingsregels die tegelijkertijd wordt onderzocht door de mededingingsautoriteit, de procedure opschorten totdat die autoriteit een besluit vaststelt en dat besluit definitief is geworden.
23
In casu was het volgens deze rechter mogelijk voor CP om kennis te hebben van alle informatie die onontbeerlijk was om zijn schadevordering in te stellen na de integrale publicatie van het besluit van de CNMC op de website van die autoriteit, na de publicatie van het persbericht dienaangaande — waarin de personen die schade hebben geleden expliciet werden uitgenodigd om een schadevordering in te stellen voor de door de betrokken inbreuk veroorzaakte schade — alsmede gelet op de grote media-aandacht op nationaal niveau voor de zaak die heeft geleid tot dat besluit.
24
De verwijzende rechter voegt daar nog aan toe dat, anders dan de besluiten van de CNMC — die worden gepubliceerd op de website van die autoriteit en waarover een persbericht op deze website wordt gepubliceerd —, de uitspraken van de Spaanse rechterlijke instanties waardoor een besluit van die autoriteit in voorkomend geval definitief wordt, niet worden bekendgemaakt via een persbericht en niet worden gepubliceerd in het Boletín Oficial del Estado (Spaans staatsblad). Bovendien is de website waarop de uitspraken van de Spaanse rechterlijke instanties worden gepubliceerd moeilijk toegankelijk voor het grote publiek.
25
In deze context merkt de verwijzende rechter evenwel op dat er, in tegenstelling tot zijn uitlegging van de regels betreffende de dies a quo van de verjaringstermijn voor schadevorderingen wegens inbreuken op de mededingingsregels, er een stroming in de nationale rechtspraak bestaat volgens welke de verjaringstermijn die van toepassing is op dergelijke schadevorderingen die zijn ingesteld na een besluit van de CNMC waartegen beroep tot nietigverklaring is ingesteld bij de bevoegde rechterlijke instanties, pas begint te lopen vanaf het tijdstip waarop dat besluit definitief is geworden na afloop van de rechterlijke toetsing. Volgens deze stroming in de rechtspraak is het voor de benadeelde persoon niet mogelijk om kennis te hebben van de informatie die onontbeerlijk is voor het instellen van zijn schadevordering enkel en alleen op basis van de publicatie van de integrale versie van het besluit van de CNMC op haar website, en van het persbericht, alsook op basis van de media-aandacht op nationaal niveau voor de betrokken zaak. Derhalve zou moeten worden geoordeeld dat de verjaringstermijn pas begint te lopen wanneer het arrest van de laatste beroepsinstantie in kracht van gewijsde is gegaan. Hoe dan ook zou het geen nut hebben om een schadevordering in te stellen op grond van het besluit van de CNMC om vervolgens de opschorting ervan te vragen om te kunnen bepalen of het al dan niet mogelijk is om zich op dat besluit te baseren ter onderbouwing van die schadevordering.
26
Volgens de verwijzende rechter lijkt deze stroming in de rechtspraak ten onrechte een onderscheid te maken tussen de mogelijkheid en de verplichting om een vordering in te stellen. Deze rechter is van mening dat wanneer de betrokken verzoeker kennis heeft van de informatie die onontbeerlijk is voor het instellen van zijn schadevordering, hij dat binnen de daartoe gestelde termijnen moet doen.
27
Daarop heeft de Juzgado de lo Mercantil n.º 1 de Zaragoza (handelsrechtbank nr. 1 Zaragoza, Spanje) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Bevat het Unierecht een rechtsgrondslag voor het onderscheid tussen de mogelijkheid om een schadevordering wegens inbreuk op het mededingingsrecht in te stellen en de verplichting daartoe, of dient de benadeelde partij die vordering daarentegen in te stellen, en begint de verjaringstermijn te lopen, zodra hij kennis heeft of redelijkerwijs kennis kan hebben van zowel het feit dat hij schade wegens die inbreuk heeft geleden als de identiteit van de pleger van de inbreuk?
- 2)
Moet voor het instellen van een schadevordering in rechte worden gewacht tot de sanctie definitief is geworden, of moet daarentegen worden aangenomen dat indien in het — volledig bekendgemaakte — besluit van [de CNMC] wordt vermeld wie de plegers van de betrokken inbreuk zijn, hoe lang de inbreuk precies heeft geduurd en op welke producten die inbreuk betrekking had, de schadevordering in rechte kan worden ingesteld en de verjaringstermijn begint te lopen?
- 3)
Moet, met het oog op de bepaling van de aanvangsdatum van de verjaringstermijn, de volledige bekendmaking van de sanctie op de officiële en openbare website van de CNMC worden gelijkgesteld met de bekendmaking van de samenvatting van het besluit die wordt verricht door de Europese Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie, gelet op het feit dat de besluiten van de CNMC enkel op haar officiële website worden bekendgemaakt?’
Verzoeken tot heropening van de mondelinge behandeling en tot verkrijging van verduidelijkingen van de verwijzende rechter
28
Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 17 april 2025, heeft Nissan het Hof in hoofdorde verzocht om de heropening van de mondelinge behandeling te gelasten overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Subsidiair heeft zij het Hof verzocht om de verwijzende rechter om verduidelijkingen te verzoeken in overeenstemming met artikel 101 van dat Reglement voor de procesvoering.
29
Ter ondersteuning van deze verzoeken voert Nissan in essentie aan, ten eerste, dat de advocaat-generaal zich in haar conclusie heeft gebaseerd op feitelijke en juridische elementen die CP heeft aangevoerd tijdens de terechtzitting en waarover geen contradictoir debat heeft plaatsgevonden tijdens die terechtzitting, en ten tweede, dat het Hof onvoldoende voorgelicht is over feitelijke kwesties en over het nationale recht. In het bijzonder dient volgens Nissan ten eerste te worden verduidelijkt wat de voorwaarden zijn voor de stuiting van de verjaringstermijn die van toepassing is op schadevorderingen, en — in het bijzonder — wat de invloed is van buitengerechtelijke klachten op de stuiting van die termijn. In casu dient de verwijzende rechter te worden verzocht te verduidelijken of CP een buitengerechtelijke klacht heeft ingediend, en in voorkomend geval, wat de inhoud ervan is en welke kosten verbonden zijn aan de indiening van die klacht. Ten tweede zou het nuttig zijn dat nader wordt aangegeven hoeveel sanctiebesluiten van de CNMC naar aanleiding van een rechterlijke toetsing van die besluiten werden nietig verklaard. Ten derde moet de verwijzende rechter worden verzocht nadere aanwijzingen te geven over bepaalde aspecten van het Spaanse recht inzake met name de uitvoerbaarheid van de besluiten van de CNMC, de verschillen tussen de nationale regels inzake de publicatie van de besluiten van de CNMC en die inzake de publicatie van de uitspraken van de Spaanse rechterlijke instanties, alsook de kosten die gepaard gaan met de stuiting van de verjaringstermijnen.
30
Wat in dit verband in de eerste plaats het verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling betreft, zij eraan herinnerd dat de advocaat-generaal op grond van artikel 252, tweede alinea, VWEU in het openbaar in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies neemt aangaande zaken waarin zulks overeenkomstig het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is vereist. Het Hof is noch door de conclusie van de advocaat-generaal, noch door de motivering op grond waarvan hij tot die conclusie komt, gebonden (arrest van 19 maart 2020, Sánchez Ruiz e.a., C-103/18 en C-429/18, EU:C:2020:219, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31
In deze context dient voorts te worden opgemerkt dat het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Reglement voor de procesvoering niet voorzien in de mogelijkheid voor de partijen of de in artikel 23 van dat Statuut bedoelde belanghebbenden om opmerkingen in te dienen in antwoord op de conclusie van de advocaat-generaal. Het feit dat een partij of een dergelijke belanghebbende het oneens is met de conclusie van de advocaat-generaal, kan als zodanig geen grond voor de heropening van de mondelinge behandeling opleveren, ongeacht welke kwesties hij in zijn conclusie heeft onderzocht (arrest van 19 maart 2020, Sánchez Ruiz e.a., C-103/18 en C-429/18, EU:C:2020:219, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32
Hieruit volgt dat het verzoek van Nissan tot heropening van de mondelinge behandeling, voor zover dit ertoe strekt haar in staat te stellen te antwoorden op het standpunt dat de advocaat-generaal heeft ingenomen in haar conclusie, niet kan worden ingewilligd.
33
Volgens artikel 83 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof echter in elke stand van het geding de advocaat-generaal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit aanbrengt dat van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Hof, of wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen of de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.
34
In het onderhavige geval is het Hof, de advocaat-generaal gehoord, van oordeel dat het over alle gegevens beschikt die nodig zijn om de door de verwijzende rechter gestelde vragen te kunnen beantwoorden en dat deze zaak niet hoeft te worden beslecht op basis van een argument waarover de belanghebbenden hun standpunten onvoldoende hebben kunnen uitwisselen. Bovendien wordt in het verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling geen melding gemaakt van enig nieuw feit dat van beslissende invloed zou kunnen zijn voor de beslissing die het Hof in deze zaak moet geven.
35
Bijgevolg hoeft er geen heropening van de mondelinge behandeling te worden gelast.
36
Wat in de tweede plaats het subsidiaire verzoek betreft, waarmee Nissan het Hof verzoekt verduidelijkingen te vragen aan de verwijzende rechter, volstaat het erop te wijzen dat de mogelijkheid waarover het Hof op grond van artikel 101 van zijn Reglement voor de procesvoering beschikt om een verwijzende rechter om verduidelijkingen te verzoeken, een loutere mogelijkheid vormt waarvan het Hof in ieder concreet geval naar eigen goeddunken gebruik kan maken (arrest van 3 december 2015, Banif Plus Bank, C-312/14, EU:C:2015:794, punt 32). Zoals in punt 34 van het onderhavige arrest is opgemerkt, beschikt het Hof over alle gegevens die nodig zijn om uitspraak te kunnen doen op het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing. Derhalve moet dit verzoek eveneens worden afgewezen.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
37
Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren. Voorts kan het Hof bepalingen van het Unierecht in aanmerking nemen waarvan de nationale rechter in de formulering van zijn vraag geen melding heeft gemaakt (arrest van 12 januari 2023, RegioJet, C-57/21, EU:C:2023:6, punt 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de nationale rechterlijke instantie verschafte gegevens, en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geding, uitlegging behoeven (arrest van 22 juni 2022, Volvo en DAF Trucks, C-267/20, EU:C:2022:494, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
Gelet op alle door de verwijzende rechter verstrekte gegevens moeten de prejudiciële vragen in casu worden geherformuleerd teneinde deze rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geding kan beslechten.
39
Uit deze gegevens kan namelijk worden afgeleid dat de verwijzende rechter in het bijzonder wenst te vernemen of CP — die van mening is dat hij schade heeft geleden door een inbreuk op het mededingingsrecht die is vastgesteld bij een besluit van de CNMC, dat op 15 september 2015 op de website van die autoriteit is gepubliceerd en dat definitief is geworden na een arrest van de Tribunal Supremo dat is gewezen in 2021 — gerechtigd is om vergoeding van de geleden schade te vorderen, dan wel of zijn in maart 2023 ingestelde schadevordering is verjaard.
40
In dit verband blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat koninklijk wetsbesluit 9/2017, waarbij richtlijn 2014/104 in Spaans recht is omgezet, in werking is getreden op 27 mei 2017, te weten ongeveer vijf maanden nadat de in artikel 21 van deze richtlijn bedoelde omzettingstermijn was verstreken. De verwijzende rechter zet uiteen dat tot de datum van inwerkingtreding van dat wetsbesluit houdende omzetting van voornoemde richtlijn in Spaans recht de verjaringstermijn voor schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht werd beheerst door de algemene regeling inzake niet-contractuele aansprakelijkheid en dat deze verjaringstermijn van één jaar krachtens artikel 1968, lid 2, van het burgerlijk wetboek pas inging op het tijdstip waarop de persoon die meende schade te hebben geleden kennis had gekregen van de feiten die aanleiding gaven tot aansprakelijkheid. Deze rechter preciseert dat de nationale wetgeving sinds een wetswijziging in 2007 niet meer vereist dat het besluit van de nationale mededingingsautoriteit definitief is geworden opdat het recht op vergoeding van de wegens de betrokken inbreuk geleden schade ontstaat. De verwijzende rechter is dus van oordeel dat het beginpunt van de verjaringstermijn die van toepassing is op de schadevordering van CP samenvalt met de datum van publicatie van het besluit van de CNMC op haar website, zijnde 15 september 2015, en niet met de datum van publicatie van het arrest van de Tribunal Supremo waardoor dat besluit in 2021 definitief is geworden.
41
In deze context en gelet op met name de omstandigheid dat de verjaringsregels van het burgerlijk wetboek tot ongeveer vijf maanden na het verstrijken van de omzettingstermijn van richtlijn 2014/104 nog steeds van toepassing waren, blijkt duidelijk uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens dat hij wenst te vernemen of de verjaringsregels die van kracht waren vóór de omzetting van richtlijn 2014/104, met name wat de vaststelling van de dies a quo van de verjaringstermijn betreft, verenigbaar zijn met artikel 101 VWEU, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, en in voorkomend geval, met artikel 10 van deze richtlijn.
42
Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, in essentie wenst te vernemen of artikel 101 VWEU, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, en in voorkomend geval artikel 10, lid 2, van richtlijn 2014/104 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling, zoals uitgelegd door de bevoegde nationale rechterlijke instanties, volgens welke voor de vaststelling van het tijdstip waarop de verjaringstermijn begint te lopen die van toepassing is op schadevorderingen wegens inbreuken op de mededingingsregels die worden ingesteld na een besluit van de nationale mededingingsautoriteit tot vaststelling van een inbreuk op die regels, kan worden aangenomen dat een persoon die meent schade te hebben geleden kennis heeft gekregen van de informatie die onontbeerlijk is om zijn schadevordering te kunnen instellen voordat dit besluit definitief is geworden.
43
In deze context moet voor de beantwoording van de gestelde vragen eerst de werking in de tijd van artikel 10 van richtlijn 2014/104 worden vastgesteld. Dat artikel stelt bepaalde eisen in verband met de verjaringstermijn voor schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht. Het bepaalt met name de minimumduur van deze termijn, alsook het vroegste tijdstip waarop de termijn kan ingaan en de omstandigheden waarin deze moet worden geschorst of gestuit.
44
Aldus dient eraan te worden herinnerd dat artikel 10 van richtlijn 2014/104 een materiële bepaling is in de zin van artikel 22, lid 1, van deze richtlijn. Volgens laatstgenoemde bepaling moesten de lidstaten ervoor zorgen dat geen terugwerkende kracht wordt gegeven aan de nationale maatregelen die krachtens artikel 21 van deze richtlijn worden vastgesteld ter naleving van de materiële bepalingen van deze richtlijn [arrest van 18 april 2024, Heureka Group (Online prijsvergelijkers), C-605/21, EU:C:2024:324, punt 47].
45
Vanaf het verstrijken van de termijn voor omzetting van een richtlijn moet het nationale recht evenwel richtlijnconform worden uitgelegd [arrest van 18 april 2024, Heureka Group (Online prijsvergelijkers), C-605/21, EU:C:2024:324, punt 48].
46
Om te bepalen of artikel 10 van richtlijn 2014/104 ratione temporis van toepassing is, moet bijgevolg worden nagegaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie vóór het verstrijken van de termijn voor omzetting van die richtlijn vaststond dan wel of deze na het verstrijken van die termijn effect is blijven sorteren [arrest van 18 april 2024, Heureka Group (Online prijsvergelijkers), C-605/21, EU:C:2024:324, punt 49].
47
Daartoe moet, gelet op de specifieke kenmerken, de aard en het werkingsmechanisme van verjaringsregels, met name in de context van een schadevordering wegens een inbreuk op het mededingingsrecht, worden onderzocht of op de datum van het verstrijken van de termijn voor omzetting van richtlijn 2014/104, te weten 27 december 2016, de in het nationale recht voorgeschreven verjaringstermijn die tot dan toe gold voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie was verstreken, wat betekent dat moet worden bepaald wanneer die verjaringstermijn volgens het nationale recht is ingegaan [arrest van 18 april 2024, Heureka Group (Online prijsvergelijkers), C-605/21, EU:C:2024:324, punt 50].
48
Aangezien er ter zake geen Unieregeling bestond tot op de datum van het verstrijken van de termijn voor omzetting van richtlijn 2014/104, stond het immers aan de rechtsorde van elke lidstaat om regels vast te stellen voor de uitoefening van het recht om vergoeding te vorderen van de schade als gevolg van een inbreuk op de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU, met inbegrip van regels inzake verjaringstermijnen, mits het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel in acht werden genomen, waarbij laatstgenoemd beginsel vereist dat de regels die van toepassing zijn op vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het Unierecht ontlenen, de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken [arrest van 18 april 2024, Heureka Group (Online prijsvergelijkers), C-605/21, EU:C:2024:324, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
49
Uit het doeltreffendheidsbeginsel volgt dat, zelfs vóór de datum waarop de termijn voor omzetting van richtlijn 2014/104 is verstreken, een nationale regeling waarin werd vastgelegd vanaf welke datum de verjaringstermijn begint te lopen en hoe lang en onder welke voorwaarden de schorsing of stuiting ervan plaatsvindt, afgestemd moest zijn op het specifieke karakter van het mededingingsrecht en de doelstellingen die aan de uitvoering van dit recht door de betrokken personen zijn verbonden, teneinde de volle werking van de artikelen 101 en 102 VWEU niet teniet te doen [arrest van 18 april 2024, Heureka Group (Online prijsvergelijkers), C-605/21, EU:C:2024:324, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
50
In dit verband is het nuttig eraan te herinneren dat artikel 101, lid 1 VWEU en artikel 102 VWEU rechtstreekse gevolgen teweegbrengen in de betrekkingen tussen particulieren en voor de justitiabelen rechten doen ontstaan die de nationale rechter dient te handhaven (arrest van 5 juni 2014, Kone e.a., C-557/12, EU:C:2014:1317, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51
Er zou aan de volle werking van artikel 101 VWEU en met name het nuttige effect van het in lid 1 van dat artikel neergelegde verbod worden afgedaan indien het niet voor eenieder mogelijk was vergoeding van schade te vorderen die hem is berokkend door een inbreuk op het mededingingsrecht (arresten van 5 juni 2014, Kone e.a., C-557/12, EU:C:2014:1317, punt 21, en 28 januari 2025, ASG 2, C-253/23, EU:C:2025:40, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52
Bijgevolg kan eenieder vergoeding van de geleden schade vorderen indien er een causaal verband bestaat tussen die schade en een door artikel 101 VWEU verboden mededingingsregeling of onderling afgestemde feitelijke gedraging (arrest van 5 juni 2014, Kone e.a., C-557/12, EU:C:2014:1317, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53
Door dat recht van eenieder om vergoeding van dergelijke schade te vorderen, worden de mededingingsregels van de Unie gemakkelijker toepasbaar en worden de gedragingen die de mededinging kunnen beperken of vervalsen minder aantrekkelijk, hetgeen ertoe bijdraagt dat de daadwerkelijke mededinging in de Unie wordt gehandhaafd (arrest van 28 januari 2025, ASG 2, C-253/23, EU:C:2025:40, punt 63).
54
Volgens vaste rechtspraak van het Hof biedt dit recht iedere benadeelde persoon de mogelijkheid om vergoeding te vorderen van de schade die is veroorzaakt door gedrag dat de mededinging kan verhinderen, beperken of vervalsen (zie in die zin arresten van 20 september 2001, Courage en Crehan, C-453/99, EU:C:2001:465, punt 25; 13 juli 2006, Manfredi e.a., C-295/04 — C-298/04, EU:C:2006:461, punt 60, en 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 201).
55
In dat verband beogen de verjaringstermijnen die van toepassing zijn op dit recht in beginsel enerzijds de rechten van de benadeelde te beschermen daar hij over voldoende tijd moet beschikken om de passende informatie voor een eventueel beroep te verzamelen, en anderzijds te vermijden dat de benadeelde de uitoefening van zijn recht op schadevergoeding eindeloos kan uitstellen in het nadeel van degene die voor de schade aansprakelijk is. De verjaringstermijnen beschermen dus uiteindelijk zowel de benadeelde als degene die voor de schade aansprakelijk is (zie in die zin arrest van 22 juni 2022, Volvo en DAF Trucks, C-267/20, EU:C:2022:494, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
56
Er zij eveneens aan herinnerd dat de uitoefening van het recht om schadevergoeding te vorderen voor schade die is geleden wegens een inbreuk op het mededingingsrecht in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk zou worden gemaakt indien de verjaringstermijnen die gelden voor schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht zouden beginnen te lopen voordat de inbreuk is beëindigd en de benadeelde persoon kennis heeft gekregen of redelijkerwijs kan worden geacht kennis te hebben gekregen van de informatie die onontbeerlijk is om zijn schadevordering in te stellen [zie in die zin arrest van 18 april 2024, Heureka Group (Online prijsvergelijkers), C-605/21, EU:C:2024:324, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
57
Wat in casu de eerste in het vorige punt van het onderhavige arrest genoemde voorwaarde betreft, te weten de beëindiging van de inbreuk, staat vast dat de inbreuk in de loop van 2013 is beëindigd.
58
Wat de tweede in dat punt genoemde voorwaarde betreft, namelijk dat de benadeelde persoon kennis moet hebben gekregen van de informatie die onontbeerlijk is om zijn schadevordering te kunnen instellen, volgt uit vaste rechtspraak dat het bij die informatie gaat om het bestaan van een inbreuk op het mededingingsrecht, het bestaan van schade en het oorzakelijke verband tussen die schade en deze inbreuk, alsmede de identiteit van de inbreukmaker [zie in die zin arrest van 18 april 2024, Heureka Group (Online prijsvergelijkers), C-605/21, EU:C:2024:324, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
59
Zonder deze informatie is het voor de benadeelde immers uiterst moeilijk of zelfs onmogelijk om vergoeding te verkrijgen van de schade die hij door die inbreuk heeft geleden [arrest van 18 april 2024, Heureka Group (Online prijsvergelijkers), C-605/21, EU:C:2024:324, punt 65].
60
Het staat daarbij aan de nationale rechter bij wie de schadevordering aanhangig is, om te bepalen vanaf welk tijdstip redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de benadeelde persoon kennis heeft gekregen van deze informatie. De nationale rechter is immers bij uitsluiting bevoegd om de feiten van het hoofdgeding vast te stellen en te beoordelen. Het staat het Hof evenwel vrij om die rechter in zijn prejudiciële beslissing daarvoor richtsnoeren te geven [zie in die zin arrest van 18 april 2024, Heureka Group (Online prijsvergelijkers), C-605/21, EU:C:2024:324, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
61
Blijkens de verwijzingsbeslissing kan een persoon die inbreuk op de mededingingsregels heeft gemaakt volgens de nationale regelgeving in beginsel aansprakelijk worden gesteld hetzij doordat de benadeelde partij een schadevordering instelt bij de bevoegde nationale rechter, zelfs wanneer een dergelijke inbreuk niet is vastgesteld in een besluit van de nationale mededingingsautoriteit, hetzij door een dergelijke vordering in te stellen nadat die autoriteit een dergelijk besluit heeft vastgesteld.
62
De verwijzende rechter benadrukt dat geen enkele rechtsregel vereist dat een dergelijk besluit definitief is geworden opdat het recht op vergoeding van de door de betrokken inbreuk veroorzaakte schade ontstaat.
63
Deze rechter preciseert evenwel dat de rechter bij wie een schadevordering aanhangig is gemaakt nadat de nationale mededingingsautoriteit een inbreukbesluit heeft vastgesteld waartegen beroep tot nietigverklaring is ingesteld, volgens de nationale regelgeving pas gebonden kan zijn aan de vaststelling dat er sprake is van een inbreuk wanneer dat besluit definitief is geworden.
64
Aldus blijkt dat, anders dan de besluiten van de Commissie over overeenkomsten, besluiten of gedragingen die onder de artikelen 101 en 102 VWEU vallen, die op grond van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1/2003 bindend zijn voor de nationale rechterlijke instanties, zodat deze instanties geen beslissingen kunnen nemen die in strijd zijn met dergelijke besluiten, in het onderhavige geval een besluit van de nationale mededingingsautoriteit tot vaststelling van een inbreuk op de mededingingsregels, waarvan de geldigheid in rechte wordt aangevochten, niet bindend is voor de nationale rechter. Dientengevolge beschikt de rechter bij wie een schadevordering aanhangig is gemaakt nadat een dergelijk besluit is vastgesteld, in geval van beroep tegen dat besluit over informatie die niet definitief is.
65
In de gevallen waarin de eventuele pleger van een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie, welke inbreuk is vastgesteld in een besluit van een nationale mededingingsautoriteit, via een beroep tot nietigverklaring opkomt tegen de vaststellingen van deze autoriteit met betrekking tot de aard, alsook de materiële, personele, temporele en territoriale werkingssfeer van deze inbreuk, met als gevolg dat de rechter bij wie de schadevordering is ingesteld niet gebonden is aan die vaststellingen, kan bijgevolg niet worden geoordeeld dat de benadeelde persoon zich voor deze rechter daadwerkelijk op dat besluit kan beroepen ter staving van zijn vordering tegen de eventuele pleger van de inbreuk.
66
In een dergelijk geval zou de mogelijkheid voor de benadeelde persoon om een schadevordering in te stellen na een besluit van de nationale mededingingsautoriteit (follow-on damages action) worden ondermijnd en zou het voor die persoon uiterst moeilijk zijn om zijn recht op schadevergoeding uit te oefenen.
67
In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat, voor zover de rechter bij wie een schadevordering is ingesteld pas gebonden is aan de vaststelling inzake het bestaan van de betrokken inbreuk wanneer het besluit van de nationale mededingingsautoriteit definitief is geworden, de benadeelde persoon niet redelijkerwijs kan worden geacht kennis te hebben gekregen van de informatie die onontbeerlijk is om zijn schadevordering te kunnen instellen op grond van dat besluit, zodat de verjaringstermijn niet mag ingaan voordat dit besluit definitief is geworden.
68
Gepreciseerd dient te worden dat deze uitlegging in casu niet wordt ontkracht door de wijze waarop de verjaringstermijn wordt geschorst en/of gestuit, noch door de regels betreffende de opschorting van de procedure bij de rechter bij wie een schadevordering is ingesteld, zoals die blijken uit het dossier waarover het Hof beschikt.
69
Wat ten eerste de eventuele schorsing van de verjaringstermijn betreft, blijkt uit dat dossier niet dat een dergelijke schorsing mogelijk is omdat bij de bevoegde rechterlijke instanties beroep tot nietigverklaring van het betrokken besluit van de CNMC is ingesteld, en evenmin dat een dergelijke schorsing noodzakelijkerwijs voortduurt tot de datum van publicatie van de uitspraak waardoor dit besluit definitief wordt.
70
Wat ten tweede de stuiting van de verjaringstermijn betreft, blijkt uit dat dossier dat deze termijn kan worden gestuit door een buitengerechtelijke vordering van de benadeelde persoon waarbij de pleger van de vermeende inbreuk wordt verzocht hem schadeloos te stellen door het inleiden van een bemiddelingsprocedure of door een verzoek om voorlopige maatregelen met het oog op het verzamelen van informatie en/of documenten die essentieel zijn om de instelling van de schadevordering voor te bereiden.
71
Vastgesteld moet echter worden dat deze gronden voor stuiting autonoom zijn ten opzichte van het instellen van beroep tot nietigverklaring van het betrokken besluit van de CNMC bij de bevoegde rechterlijke instanties. Bijgevolg moet worden geoordeeld dat geen van deze gronden voor stuiting op voldoende doeltreffende wijze waarborgt dat de in de nationale regeling vastgestelde verjaringstermijn van één jaar niet is verstreken vóór de beëindiging van de gerechtelijke procedures na afloop waarvan het betrokken besluit definitief wordt.
72
Wat ten derde de mogelijkheid betreft voor de rechter bij wie een schadevordering aanhangig is gemaakt om — wanneer die vordering wordt ingesteld na een besluit van de mededingingsautoriteit waartegen beroep tot nietigverklaring is ingesteld — de bij hem aanhangige procedure op te schorten totdat dat besluit definitief is geworden, blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat die opschorting niet automatisch gebeurt, aangezien de aangezochte rechter dienaangaande over een beoordelingsmarge beschikt.
73
Zoals de advocaat-generaal in punt 83 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, kan een verzoek tot opschorting van de procedure hoe dan ook pas worden ingediend nadat de schadevordering is ingesteld, hetgeen impliceert dat deze vordering moet worden ingesteld vóór het verstrijken van de verjaringstermijn. In die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de mogelijkheid om te verzoeken om opschorting van de procedure kan voldoen aan de vereisten van artikel 101 VWEU en het doeltreffendheidsbeginsel.
74
Voorts moet worden opgemerkt dat de voorwaarde dat de benadeelde persoon kennis heeft van de informatie die onontbeerlijk is om een schadevordering te kunnen instellen na een besluit van een nationale mededingingsautoriteit, niet alleen vereist dat dit besluit definitief is geworden, maar eveneens dat die informatie, die blijkt uit het definitieve besluit, op passende wijze is gepubliceerd.
75
Om redelijkerwijs te kunnen aannemen dat de benadeelde persoon over de onontbeerlijke informatie beschikt om zijn schadevordering in te stellen met ingang van de datum van publicatie van een uitspraak waarbij het besluit van de betrokken nationale mededingingsautoriteit definitief is bevestigd, moet die uitspraak officieel worden gepubliceerd en vrij toegankelijk zijn voor het grote publiek en moet de datum van publicatie daar duidelijk in vermeld staan.
76
In casu heeft CP zijn schadevordering in maart 2023 ingesteld na een besluit van de CNMC van 23 juli 2015, dat op 15 september 2015 op de website van die autoriteit is gepubliceerd en dat ten aanzien van Nissan definitief is geworden als gevolg van een arrest van de Tribunal Supremo in 2021.
77
Bovendien blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de website waarop de arresten van de Spaanse rechterlijke instanties worden gepubliceerd, de website van het Centro de Documentación Judicial (Cendoj) (centrum voor gerechtelijke documentatie) van de Consejo General del Poder Judicial (algemene raad van justitie, Spanje) is, die in wezen een databank van rechtspraak vormt die vrij toegankelijk is voor het grote publiek.
78
Bijgevolg kan, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, redelijkerwijs worden aangenomen dat CP op de datum van publicatie van het arrest van de Tribunal Supremo waarbij het besluit van de CNMC in 2021 definitief is geworden, kennis heeft gekregen van alle informatie die hij nodig had om zijn schadevordering te kunnen instellen.
79
Hieruit volgt dat — zoals blijkt uit de punten 76 tot en met 78 van het onderhavige arrest — op de datum waarop de termijn voor omzetting van richtlijn 2014/104 is verstreken, namelijk 27 december 2016, de verjaringstermijn niet alleen nog niet was verstreken, maar zelfs nog niet was ingegaan.
80
De in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie stond dus niet vast vóór het verstrijken van de termijn voor omzetting van deze richtlijn, zodat artikel 10 ervan in het onderhavige geval ratione temporis van toepassing is en de schadevordering van CP niet lijkt te zijn verjaard.
81
Aangezien de inhoud van artikel 10, lid 2, van richtlijn 2014/104 met betrekking tot de bepaling van het tijdstip waarop de verjaringstermijn begint te lopen in essentie de rechtspraak van het Hof inzake de artikelen 101 en 102 VWEU en het doeltreffendheidsbeginsel weerspiegelt, zijn de overwegingen in het onderhavige arrest over het beginpunt van de verjaringstermijn voor schadevorderingen wegens inbreuken op de mededingingsregels die worden ingesteld nadat een nationale mededingingsautoriteit een inbreukbesluit heeft vastgesteld, eveneens van toepassing op de uitlegging van artikel 10, lid 2, van richtlijn 2014/104.
82
Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 101 VWEU, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, en artikel 10, lid 2, van richtlijn 2014/104 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling, zoals uitgelegd door de bevoegde nationale rechterlijke instanties, volgens welke voor de vaststelling van het tijdstip waarop de verjaringstermijn begint te lopen voor schadevorderingen wegens inbreuken op de mededingingsregels die worden ingesteld na een besluit van de nationale mededingingsautoriteit tot vaststelling van een inbreuk op die regels, kan worden aangenomen dat een persoon die meent schade te hebben geleden kennis heeft gekregen van de informatie die onontbeerlijk is om een schadevordering te kunnen instellen voordat dit besluit definitief is geworden.
Kosten
83
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 101 VWEU, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, en artikel 10, lid 2, van richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich verzetten tegen een nationale regeling, zoals uitgelegd door de bevoegde nationale rechterlijke instanties, volgens welke voor de vaststelling van het tijdstip waarop de verjaringstermijn begint te lopen voor schadevorderingen wegens inbreuken op de mededingingsregels die worden ingesteld na een besluit van de nationale mededingingsautoriteit tot vaststelling van een inbreuk op die regels, kan worden aangenomen dat een persoon die meent schade te hebben geleden kennis heeft gekregen van de informatie die onontbeerlijk is om een schadevordering te kunnen instellen voordat dit besluit definitief is geworden.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 04‑09‑2025
Conclusie 03‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Mededinging — Doeltreffendheidsbeginsel — Vergoeding van schade die is veroorzaakt door een praktijk die verboden is op grond van artikel 101, lid 1, VWEU — Richtlijn 2014/104/EU — Privaatrechtelijke handhaving — Te late omzetting van de richtlijn — Toepassing in de tijd — Artikel 10 — Verjaringstermijn — Nadere regels van de dies a quo — Kennis van de informatie die noodzakelijk is om een schadevordering te kunnen instellen — Arrest in zaak C-605/21, Heureka Group (Online prijsvergelijkers) — Bekendmaking van het besluit van een nationale mededingingsautoriteit (NMa) op haar website — Bindende kracht van een besluit van een NMa dat nog niet definitief is — Schorsing of stuiting van de verjaringstermijn tot de datum waarop dat besluit definitief wordt
L. Medina
Partij(en)
Zaak C-21/241.
CP
tegen
Nissan Iberia SA
[verzoek van de Juzgado de lo Mercantil n.o 1 de Zaragoza (handelsrechtbank nr. 1 Zaragoza, Spanje) om een prejudiciële beslissing]
1.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 101 VWEU in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel. Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure tussen CP, een natuurlijke persoon, en Nissan Iberia SA (hierna: ‘Nissan’) betreffende een door CP ingestelde vordering tot vergoeding van schade die zou zijn geleden als gevolg van een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 1 van Ley 15/2007 de Defensa de la Competencia (wet 15/2007 betreffende de bescherming van de mededinging) van 3 juli 2007. Deze inbreuk is vastgesteld door de Comisión Nacional de los Mercados y la Competencia (nationale commissie voor markten en mededinging, Spanje; hierna ‘CNMC’) en gepleegd door verschillende ondernemingen, waaronder Nissan.
2.
De onderhavige zaak ligt in het verlengde van de zaken van het Hof betreffende de verjaringstermijnen die van toepassing zijn op schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht van de Unie en, in het bijzonder, de vaststelling van de dies a quo2. van dergelijke termijnen.3. De onderhavige zaak verschilt echter van die zaken, aangezien de schadevordering is ingesteld naar aanleiding van een besluit van een nationale mededingingsautoriteit (NMa) dat is bekendgemaakt op haar website, en niet naar aanleiding van een besluit van de Europese Commissie, waarvan een samenvatting is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
3.
Artikel 9 van richtlijn 2014/104/EU4., met als opschrift ‘Doorwerking van nationale beslissingen’, bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten zorgen ervoor dat een inbreuk op het mededingingsrecht die door [een NMa] of door een beroepsinstantie door middel van een definitieve inbreukbeslissing is vastgesteld, geacht wordt onweerlegbaar vast te staan voor de behandeling van een voor een nationale rechter aanhangig gemaakte schadevordering uit hoofde van artikel 101 of artikel 102 VWEU of uit hoofde van het nationale mededingingsrecht.
- 2.
De lidstaten zorgen ervoor dat indien in een andere lidstaat een definitieve beslissing in de zin van lid 1 is genomen deze definitieve beslissing overeenkomstig hun nationale rechtsstelsels voor hun nationale rechterlijke instanties tenminste kan worden gebruikt als een prima-faciebewijs van het feit dat zich een inbreuk op het mededingingsrecht heeft voorgedaan, en naargelang het geval, naast eventueel ander door de partijen aangevoerd bewijsmateriaal kan worden beoordeeld.
- 3.
Dit artikel laat de rechten en verplichtingen van nationale rechterlijke instanties uit hoofde van artikel 267 VWEU onverlet.’
4.
Artikel 10 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Verjaringstermijnen’, luidt:
- ‘1.
De lidstaten stellen overeenkomstig dit artikel regels vast die van toepassing zijn op verjaringstermijnen voor het instellen van schadevorderingen. In die regels wordt het tijdstip bepaald waarop de verjaringstermijn begint te lopen, de duur van de termijn en de omstandigheden waarin de termijn wordt gestuit of geschorst.
- 2.
De verjaringstermijn begint niet te lopen voordat de inbreuk op het mededingingsrecht is stopgezet en een eiser weet heeft, of redelijkerwijs geacht kan worden weet te hebben, van:
- a)
de gedraging en het feit dat deze gedraging een inbreuk op het mededingingsrecht vormt;
- b)
het feit dat hij door de inbreuk op het mededingingsrecht schade heeft geleden, en
- c)
de identiteit van de inbreukmaker.
- 3.
De lidstaten zorgen ervoor dat de verjaringstermijn om een schadevordering in te stellen ten minste vijf jaar bedraagt.
- 4.
De lidstaten zorgen ervoor dat de verjaringstermijn afhankelijk van het nationaal recht wordt geschorst dan wel wordt gestuit wanneer een mededingingsautoriteit een handeling verricht tot onderzoek of vervolging van de inbreuk op het mededingingsrecht waarop de schadevordering betrekking heeft. De schorsing eindigt ten vroegste één jaar na de vaststelling van een definitieve inbreukbeslissing of nadat de procedure op andere wijze is beëindigd.’
II. Aan het hoofdgeding ten grondslag liggende feiten en prejudiciële vragen
5.
Op 23 juli 2015 heeft de CNMC een besluit genomen in zaak S/0482/13, Fabricantes de Automóviles (autofabrikanten), waarin zij heeft geoordeeld dat een gedraging bestaande uit het uitwisselen van commercieel gevoelige informatie tussen verschillende ondernemingen, waaronder Nissan, welke gedraging in 2013 is beëindigd, in strijd was met artikel 101 VWEU en artikel 1 van wet 15/2007.
6.
Op 28 juli 2015 heeft de CNMC dienaangaande een persbericht uitgebracht.
7.
Op 15 september 2015 is het besluit van de CNMC bekendgemaakt op haar officiële website.
8.
Tegen dit besluit zijn verschillende beroepen tot nietigverklaring ingesteld door de plegers van de vermeende inbreuk, waaronder Nissan, maar het besluit is in 2021 door de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) bevestigd.
9.
In maart 2023 heeft CP naar aanleiding van dit besluit een schadevordering ingesteld (vervolgvordering tot schadevergoeding), strekkende tot veroordeling van Nissan tot vergoeding van de schade die CP beweerdelijk heeft geleden als gevolg van de aankoop van een voertuig waarvan de prijs is beïnvloed door het mededingingsbeperkende gedrag dat door de CNMC is vastgesteld.
10.
In haar verweer betoogt Nissan in wezen dat deze vordering is verjaard. Volgens deze onderneming begint volgens de verjaringsregels van de Código Civil (Spaans burgerlijk wetboek), die in het onderhavige geval van toepassing zijn, de verjaringstermijn van een jaar te lopen vanaf het moment dat de benadeelde partij kennis krijgt van het onrechtmatige gedrag in kwestie. In het onderhavige geval, gelet op het feit dat i) de CNMC op 15 september 2015 op haar officiële website de volledige tekst van het besluit bekend heeft gemaakt, ii) de CNMC daarover ook een persbericht heeft gepubliceerd, en iii) er brede aandacht is geweest in de nationale media voor de zaak waarop dat besluit betrekking had, kan CP niet stellen dat hij niet op de hoogte was van de informatie die noodzakelijk was om zijn schadevordering in te stellen. Volgens Nissan is het voor het ingaan van de verjaringstermijn niet noodzakelijk dat dit besluit definitief wordt en kan worden aangenomen dat deze termijn op 15 september 2015 is beginnen te lopen.
11.
De Juzgado de lo Mercantil n.o 1 de Zaragoza (handelsrechtbank nr. 1 Zaragoza, Spanje), de verwijzende rechter, merkt op dat hij eerder heeft geoordeeld dat vorderingen zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, verjaard zijn, en dat bijgevolg de onderhavige vordering had moeten worden ingesteld na de bekendmaking van het besluit van de CNMC, die plaatsvond op 15 september 2015, zonder te wachten op het moment waarop dit besluit definitief werd.
12.
In wezen stelt de verwijzende rechter dat het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn van een schadevordering pas kan beginnen te lopen wanneer de benadeelde partij kennis heeft van, of kennis had kunnen hebben van:
- a)
het bestaan van de inbreuk;
- b)
het bestaan van de schade;
- c)
het causale verband tussen beide, en
- d)
de identiteit van de pleger van de inbreuk.
13.
In de verwijzingsbeslissing wordt er evenwel op gewezen dat de Audiencia Provincial de Zaragoza (rechter in tweede aanleg Zaragoza, Spanje), toen deze uitspraak deed over een eerder vonnis van de verwijzende rechter, heeft gekozen voor een andere benadering bij het bepalen van de dies a quo. Volgens de uitspraak van deze hogere rechter moet, ingevolge een arrest van de Tribunal Supremo van juni 2021, de dies a quo vanaf wanneer de verjaringstermijn van een schadevordering begint te lopen, worden berekend vanaf het moment waarop het besluit van de CNMC definitief is geworden.
14.
Daarop heeft de Juzgado de lo Mercantil n.o 1 de Zaragoza de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Bevat het Unierecht een rechtsgrondslag voor het onderscheid tussen de mogelijkheid om een schadevordering wegens inbreuk op het mededingingsrecht in te stellen en de verplichting daartoe, of dient de benadeelde partij die vordering daarentegen in te stellen, en begint de verjaringstermijn te lopen, zodra hij kennis heeft of redelijkerwijs kennis kan hebben van zowel het feit dat hij schade wegens die inbreuk heeft geleden als de identiteit van de pleger van de inbreuk?
- 2)
Moet voor het instellen van een schadevordering in rechte worden gewacht tot de sanctie definitief is geworden, of moet daarentegen worden aangenomen dat indien in het — volledig bekendgemaakte — besluit van [een NMa] wordt vermeld wie de plegers van de betrokken inbreuk zijn, hoe lang de inbreuk precies heeft geduurd en op welke producten die inbreuk betrekking had, de schadevordering in rechte kan worden ingesteld en de verjaringstermijn begint te lopen?
- 3)
Moet, met het oog op de bepaling van de aanvangsdatum van de verjaringstermijn, de volledige bekendmaking van de sanctie op de officiële en openbare website van [een NMa] worden gelijkgesteld met de bekendmaking van de samenvatting van het besluit die wordt verricht door de [Commissie] in het [Publicatieblad], gelet op het feit dat de besluiten van [die NMa] enkel op haar officiële website worden bekendgemaakt?’
III. Procedure bij het Hof
15.
Nissan, de Spaanse regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Op 16 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waar deze partijen en CP vertegenwoordigd waren.
IV. Beoordeling
A. Inleidende opmerkingen
16.
In de verwijzingsbeslissing bestaat onzekerheid over de vraag of richtlijn 2014/104 en Real Decreto-ley 9/2017 (‘koninklijk besluit met kracht van wet 9/2017’) van 26 mei 2017, waarbij deze richtlijn in Spaans recht is omgezet, ratione temporis op het hoofdgeding van toepassing zijn. Koninklijk besluit met kracht van wet 9/2017 is op 27 mei 2017 in werking getreden.5.
17.
Om te bepalen of artikel 10 van richtlijn 2014/104, waarin regels over verjaringstermijnen in privaatrechtelijke handhavingszaken zijn opgenomen, ratione temporis van toepassing is, moet ‘worden nagegaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie vóór het verstrijken van de termijn voor omzetting van die richtlijn was ontstaan dan wel of deze na het verstrijken van die termijn effect is blijven sorteren’.6.
18.
Hoewel de verwijzende rechter weinig informatie verstrekt over het nationale rechtskader dat van toepassing is op de prejudiciële vragen, kan uit de verwijzingsbeslissing worden afgeleid dat vóór de omzetting van richtlijn 2014/104 in Spaans recht de verjaringstermijn voor het instellen van schadevorderingen wegens inbreuk op het mededingingsrecht werd beheerst door de algemene regeling die van toepassing is op niet-contractuele civielrechtelijke aansprakelijkheid en derhalve één jaar bedroeg.
19.
Het is juist dat in casu de schadevordering in het hoofdgeding is ingesteld in maart 2023, dat wil zeggen na zowel de uiterste datum voor omzetting van richtlijn 2014/104 in nationaal recht als de datum waarop deze richtlijn uiteindelijk is omgezet. Tegelijkertijd is de verwijzende rechter van oordeel dat de verjaringstermijn in het hoofdgeding had moeten ingaan op de datum van de bekendmaking van het besluit van de CNMC op haar website, te weten 15 september 2015. Met andere woorden, deze datum ligt vóór de temporele toepassing van deze richtlijn.
20.
Bovendien is in het geval van Nissan de inbreuk beëindigd in augustus 2013, dat wil zeggen vóór het verstrijken van de omzettingstermijn bepaald in artikel 21 van richtlijn 2014/104 (op 27 december 2017) en vóór de inwerkingtreding van koninklijk besluit met kracht van wet 9/2017.
21.
Op grond van de overgangsregeling van die richtlijn (artikel 22, lid 1) en koninklijk besluit met kracht van wet 9/2017 (artikel 3 en eerste overgangsbepaling), die voorzien in de niet-terugwerkende kracht van hun materiële bepalingen, lijken de betreffende richtlijn en de daarmee verband houdende bepalingen van koninklijk besluit met kracht van wet 9/2017 in het algemeen niet ratione temporis van toepassing te zijn op het geschil in het hoofdgeding en dient rechtstreeks een beroep te worden gedaan op het VWEU.
22.
Voorts merk ik op dat de verwijzende rechter in zijn prejudiciële vragen geen specifieke bepalingen van Unierecht vermeldt waarvan hij om uitlegging verzoekt. Uit de verwijzingsbeslissing volgt echter dat de verwijzende rechter het Hof verzoekt om verduidelijking van de uitlegging van artikel 101 VWEU met betrekking tot de verjaringstermijnen voor vervolgvorderingen tot schadevergoeding in een zaak waarin de inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie is vastgesteld bij een besluit van een NMa.
B. Ontvankelijkheid van de eerste prejudiciële vraag
23.
Met de eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het Unierecht een rechtsgrondslag bevat voor het onderscheid tussen de mogelijkheid (het recht) en de verplichting om een schadevordering in te stellen wegens inbreuk op het mededingingsrecht.
24.
Mijns inziens is deze vraag hypothetisch, aangezien deze — volgens de rechtspraak — voor de verwijzende rechterlijke instantie niet ‘noodzakelijk’ is ‘voor het wijzen van haar vonnis’ in de bij haar aanhangige zaak.7.
25.
Verzoeker in het hoofdgeding heeft immers daadwerkelijk een vordering tot schadevergoeding ingesteld, zodat hij reeds gebruik heeft gemaakt van zijn recht om schadevergoeding te vorderen wegens een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie. Bovendien lijken, zoals de Spaanse regering benadrukt, de twijfels van de verwijzende rechter die aan deze vraag ten grondslag liggen, volledig voort te vloeien uit een in een deel van de nationale rechtspraak gehanteerde redenering die onvoldoende verband houdt met het Unierecht, maar enkel betrekking heeft op het Spaanse recht.8.
26.
Bovendien bestaan er ook vanuit het oogpunt van de naleving van de voorwaarden van artikel 94, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaalde twijfels over de ontvankelijkheid van de eerste prejudiciële vraag, aangezien de verwijzingsbeslissing geen nauwkeurige uiteenzetting bevat van de redenen die de verwijzende rechter ertoe hebben gebracht deze vraag te stellen. Immers, ‘het [is] onontbeerlijk dat de verwijzingsbeslissing […] de uiteenzetting bevat van de redenen die de verwijzende rechter ertoe hebben gebracht om over de uitlegging van specifieke bepalingen van het recht van de Unie vragen te stellen, alsook het verband tussen die bepalingen en de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wettelijke regeling’.9.
27.
Tot slot komen bovenstaande twijfels ook tot uiting in de opmerkingen van partijen. Noch Nissan, noch de Spaanse regering of de Commissie hebben in essentie opmerkingen ingediend over de eerste vraag. In plaats daarvan stellen deze partijen voor om de drie prejudiciële vragen te herformuleren en samen te behandelen.
28.
De eerste vraag moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
29.
In elk geval kan worden benadrukt dat artikel 101 VWEU een recht verleent — en geen verplichting oplegt — aan een benadeelde partij om zich te beroepen op de nietigheid van een overeenkomst of gedraging die krachtens dat artikel verboden is, teneinde een schadevergoeding te eisen. Wanneer een dergelijke partij ervoor kiest om een schadevordering in te stellen, dan is die partij echter verplicht om de relevante voorschriften in acht te nemen, zoals die met betrekking tot verjaringstermijnen. Opdat een dergelijke partij aan deze verplichtingen kan voldoen en kan profiteren van het door het Unierecht verleende recht, moeten de regels inzake verjaringstermijnen nauwkeurig, duidelijk en voorzienbaar zijn.10. In mijn analyse van de tweede en de derde prejudiciële vraag zal ik nader op deze kwesties ingaan.
C. Tweede en derde vraag
30.
Om te beginnen herinner ik eraan dat volgens vaste rechtspraak van het Hof ‘in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, [het] de taak is van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten’.11.
31.
Met zijn tweede en derde vraag, die samen moeten worden behandeld en moeten geherformuleerd, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 101 VWEU en het doeltreffendheidsbeginsel aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling, zoals uitgelegd door de betreffende nationale rechterlijke instanties, die bepaalt dat de verjaringstermijn — die van toepassing is op schadevorderingen wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de Unie, die zijn vastgesteld bij een besluit van de NMa (vervolgvordering tot schadevergoeding) — niet begint te lopen vóór de datum waarop dat besluit a) definitief is geworden, in voorkomend geval na bevestiging daarvan door de betreffende nationale rechterlijke instanties12., en/of b) op de website van die NMa is bekendgemaakt, maar nog niet definitief is geworden. In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich voorts in wezen af of de benadering van het Hof in het arrest Heureka (betreffende vervolgvorderingen gebaseerd op besluiten van de Commissie, waarvan een samenvatting in het Publicatieblad is bekendgemaakt) kan worden toegepast op een zaak als die in het hoofdgeding (betreffende besluiten van een NMa, die alleen op de website van de NMa zijn bekendgemaakt).
1. Inleiding
32.
Het Hof heeft duidelijk gemaakt dat ‘het een onderneming die zich door een gedraging in strijd met de mededingingsregels benadeeld voelt […] vrijstaat om voor de nationale rechter de rechten geldend te maken die zij aan [artikel 101, lid 1, en artikel 102 VWEU] ontleent, welke bepalingen rechtstreekse gevolgen teweegbrengen in de rechtsbetrekkingen tussen particulieren’.13.
33.
In dit verband ‘[zou] [a]an de volle werking van artikel 101 VWEU en met name het nuttige effect van het in lid 1 van dat artikel neergelegde verbod […] worden afgedaan indien het niet voor eenieder mogelijk was vergoeding van schade te vorderen die hem is berokkend door een inbreuk op het mededingingsrecht’.14.
34.
Bovendien worden ‘[d]oor dat recht van eenieder om vergoeding van dergelijke schade te vorderen […] de mededingingsregels van de Unie gemakkelijker toepasbaar en worden de — vaak verborgen — gedragingen die de mededinging kunnen beperken of vervalsen minder aantrekkelijk, hetgeen ertoe bijdraagt dat de daadwerkelijke mededinging in de Unie wordt gehandhaafd’.15.
35.
Om het nuttig effect van de mededingingsregels van de Unie te waarborgen, is het absoluut noodzakelijk dat zowel het stelsel van publieke handhaving als het stelsel van private handhaving optimaal wordt benut.16. In deze zin moeten publieke en private handhavingsmaatregelen in de context van het mededingingsbeleid van de Unie ‘worden gezien als een geïntegreerd stelsel waarin talrijke factoren bijdragen aan de complementaire doelstellingen van afschrikking en compensatie’.17.
36.
Onder verwijzing naar artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie maakt het Hof duidelijk dat ‘eenieder wiens door het Unierecht gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht heeft op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden’.18. Het Hof heeft er ook op gewezen dat ‘de lidstaten er in alle gevallen verantwoordelijk voor [zijn] om te verzekeren dat het recht op daadwerkelijke rechterlijke bescherming van deze rechten wordt geëerbiedigd, zoals is gewaarborgd in artikel 47, eerste alinea, van het Handvest’.19.
37.
Meer in het bijzonder is het bij gebreke van Unierechtelijke regelgeving op dit gebied vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2014/104 ‘een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat […] om vast te stellen welke voorwaarden gelden voor de uitoefening van het recht om vergoeding te vorderen van de schade die voortvloeit uit een door artikel 101 VWEU verboden mededingingsregeling of gedraging, mits het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen’.20.
38.
Bij de beantwoording van de tweede en de derde prejudiciële vraag moet echter enkel rekening worden gehouden met het doeltreffendheidsbeginsel. Dat is immers het enige beginsel dat door de verwijzende rechter wordt genoemd.
39.
Met betrekking tot dit beginsel heeft het Hof in de eerste plaats geoordeeld dat ‘de procesregels voor de vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het recht van de Unie ontlenen […] de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk [mogen] maken’.21. In de tweede plaats ‘[moeten] de nationale mededingingsregels de doeltreffende toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU onverlet […] laten en afgestemd […] zijn op het specifieke karakter van mededingingszaken, die in beginsel een complexe feitelijke en economische analyse vereisen’.22.
40.
In dit verband moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de instelling van schadevorderingen in beginsel een complexe feitelijke en economische analyse vereist, en met het feit dat geschillen over inbreuken op het mededingingsrecht in beginsel worden gekenmerkt door een informatieasymmetrie ten nadele van degene die schade heeft geleden.23.
41.
Wat betreft het bepalen van de dies a quo van de verjaringstermijn voor schadevorderingen heeft het Hof geoordeeld dat aan twee cumulatieve voorwaarden moet zijn voldaan, te weten i) de beëindiging van de inbreuk op het mededingingsrecht (de objectieve component), en ii) kennis van de noodzakelijke informatie om een schadevordering in te stellen (de subjectieve component).24.
42.
Aan voorwaarde i) lijkt in het onderhavige geval te zijn voldaan, aangezien uit de aan het Hof voorgelegde stukken blijkt dat de inbreuk in het hoofdgeding in augustus 2013 is beëindigd. Partijen zijn het niet eens over voorwaarde ii), dat wil zeggen over de noodzakelijke vereisten waaraan moet worden voldaan teneinde te concluderen dat de benadeelde partij kennis heeft van de noodzakelijke informatie om een schadevordering in te stellen.
43.
De tweede en de derde prejudiciële vraag zullen in het licht van deze inleidende opmerkingen worden onderzocht.
2. Onderscheid tussen autonome vorderingen en vervolgvorderingen
44.
Zoals hierboven is vermeld, wordt het recht van de benadeelde partij om vergoeding te vorderen van de schade die het gevolg is van een inbreuk op het mededingingsrecht, rechtstreeks aan die partij toegekend door het VWEU, en is het aan de nationale rechterlijke instanties om te zorgen voor een doeltreffende handhaving van de regels van dat Verdrag, in het bijzonder van artikel 101. Niet alle privaatrechtelijke handhavingsvorderingen hebben echter dezelfde kenmerken. Daarom is het gepast om te beginnen met het verduidelijken van het belangrijke onderscheid dat bestaat tussen de twee soorten privaatrechtelijke handhavingsvorderingen, namelijk autonome vorderingen en vervolgvorderingen.25.
45.
Bij een autonome vordering beslist een nationale rechter over de schadevordering in een situatie waarin er geen definitief besluit is van de bevoegde mededingingsautoriteit26. met betrekking tot dezelfde omstandigheden27. en waarin de bewijslast volledig bij de benadeelde partij ligt. In een dergelijk geval is de vraag die in deze zaak centraal staat — namelijk de relatie tussen de dies a quo van de verjaringstermijn en het besluit van de bevoegde mededingingsautoriteit — niet relevant, aangezien de benadeelde partij die schadevergoeding vordert, zich niet baseert op de bevindingen van een dergelijke autoriteit.
46.
Indien de benadeelde partij ervoor heeft gekozen om een autonome vordering in te stellen, is deze partij niet verplicht om de uitkomst van het eventuele publiekrechtelijke onderzoek af te wachten, noch hoeft deze partij de schadevordering uit te stellen totdat het besluit van een NMa krachtens het toepasselijke nationale recht definitief en volledig afdwingbaar is. In beginsel zijn autonome vorderingen omslachtiger voor benadeelde partijen. Gelet op de vrij zware bewijslast die op een verzoeker zal rusten bij privaatrechtelijke autonome vorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht, zullen dergelijke vorderingen in de praktijk beslist zelden voorkomen, zoals advocaat-generaal Bobek in de zaak Stichting Cartel Compensation heeft opgemerkt.28.
47.
Bij vervolgvorderingen beroepen benadeelde partijen zich daarentegen op een bestaand besluit van de bevoegde mededingingsautoriteit, of dat nu een NMa of de Commissie is, om schadevergoeding te eisen voor schade waarvan zij kunnen bewijzen dat zij deze als gevolg van de inbreuk hebben geleden. In dit scenario hoeven benadeelde partijen die vergoeding van schade vorderen dus niet de inbreuk op de mededinging en de onrechtmatigheid van de overeenkomst of gedraging te bewijzen. In een dergelijk geval zal ‘het meeste bewijsmateriaal dat nodig is om hun vordering te staven [reeds] in het bezit zijn van de mededingingsautoriteit’.29.
48.
Derhalve wordt de vraag naar de relatie tussen het besluit van een bevoegde mededingingsautoriteit en de dies a quo van de verjaringstermijn pas relevant in het kader van vervolgvorderingen. Deze relatie wordt gekenmerkt door het verband dat bestaat tussen de kennis die de benadeelde partij heeft van de gegevens die noodzakelijk zijn om een schadevordering in te stellen, en de conclusies die kunnen worden verbonden aan het feit dat deze partij zich baseert op een besluit van de bevoegde mededingingsautoriteit, dat informatie bevat om een dergelijke vordering in te stellen.
49.
In casu blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte informatie dat CP zijn vordering tot schadevergoeding bij een nationale rechter heeft ingesteld na de vaststelling van een besluit van een NMa. Bij zijn vordering beroept CP zich op de door deze autoriteit vastgestelde feiten zoals getoetst door de bevoegde nationale rechter. Hieruit volgt dat de analyse van de wijze waarop de dies a quo op grond van artikel 101 VWEU moet worden vastgesteld, in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel moet worden beperkt tot situaties waarin een benadeelde partij een vervolgvordering instelt in het kader waarvan die partij zich baseert op de feiten die door een NMa zijn vastgesteld.
3. Kan de in het arrest Heureka gekozen oplossing rechtstreeks worden toegepast?
50.
Om de dies a quo van de verjaringstermijn in vervolgvorderingen tot schadevergoeding te bepalen, moet volgens de tweede voorwaarde worden vastgesteld dat de benadeelde partij kennis heeft van de noodzakelijke informatie om een schadevordering in te stellen (de subjectieve component).30.
51.
Daartoe zal ik in dit deel van de conclusie ingaan op de vraag op welk moment een benadeelde partij die een vervolgvordering instelt op basis van een besluit van een NMa, geacht kan worden voldoende kennis te hebben van de informatie die noodzakelijk is om de schadevordering in te stellen, dat wil zeggen, in het bijzonder informatie over de identiteit van de plegers van de inbreuk in kwestie, de precieze duur ervan en de producten waarop die inbreuk betrekking heeft met het oog op de aanvang van de verjaringstermijn. Om deze vraag te beantwoorden, zal ik onder meer onderzoeken of het arrest van het Hof in de zaak Heureka, dat betrekking heeft op de rechtsgevolgen die aan de besluiten van de Commissie worden toegekend, mutatis mutandis kan worden toegepast op besluiten van NMa's als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn.
52.
Het is juist dat het recente arrest van de Grote kamer in de zaak Heureka een samenvatting geeft van de eerdere rechtspraak van het Hof met betrekking tot de vereisten inzake de dies a quo van de verjaringstermijn van een vervolgvordering. Deze samenvatting is echter gebaseerd op de juridische kwalificatie van het verband dat bestaat tussen enerzijds de kennis van de benadeelde partij van de noodzakelijke informatie en anderzijds een handeling van een instelling van de Europese Unie (namelijk het besluit van de Commissie).
53.
In casu is de vervolgvordering tot schadevergoeding ingesteld op basis van een besluit van een NMa dat niet in het staatsblad, maar op de website van die autoriteit is bekendgemaakt en waartegen meerdere beroepen tot nietigverklaring waren gericht (met andere woorden, het besluit was nog niet ‘definitief’).
54.
Derhalve moet worden beoordeeld of het oordeel in de zaak Heureka — dat betrekking heeft op welke gevolgen de bekendmaking in het Publicatieblad van de samenvatting van het besluit van de Commissie tot vaststelling van de inbreuk in de zaak heeft voor de dies a quo van de verjaringstermijn — kan worden toegepast op de onderhavige zaak.
55.
In de zaak Heureka, waarin het meest recente arrest in deze lijn is gewezen, heeft het Hof in wezen geoordeeld dat ‘[o]ngeacht of het betrokken besluit van de Commissie al dan niet definitief wordt, […] er […] in beginsel vanaf de datum van bekendmaking van de samenvatting ervan in het [Publicatieblad] en mits de betrokken inbreuk is beëindigd, redelijkerwijs van [kan] worden uitgegaan dat de benadeelde persoon over alle gegevens beschikt die hij nodig heeft om zijn schadevordering binnen een redelijke termijn te kunnen instellen’.31.
56.
Om tot deze conclusie te komen, heeft het Hof zich op verschillende argumenten gebaseerd:
- i)
de bekendmaking van de samenvatting van de besluiten van de Commissie in het Publicatieblad;
- ii)
het vermoeden van wettigheid van de besluiten van de Commissie32., en
- iii)
het feit dat deze besluiten bindend zijn voor nationale rechterlijke instanties, zoals bepaald in verordening nr. 1/200333..
In dat verband stelt het Hof het bindende karakter van de besluiten van de Commissie tegenover het feit dat ‘alleen aan definitieve beslissingen van de [NMa's] bewijskracht wordt gehecht’.34. Het Hof baseert zich ook op de toereikendheid van de noodzakelijke informatie in het betrokken besluit. Dit houdt in dat er in wezen twee aspecten verbonden zijn aan de voorwaarde met betrekking tot de kennis van een benadeelde partij. Ten eerste moet de benadeelde partij over de informatie beschikken die noodzakelijk is om een schadevordering te kunnen instellen, waaronder informatie over de identiteit van de pleger, het bestaan van de inbreuk en informatie die nodig is om de schade te bepalen die als gevolg van de betreffende inbreuk is geleden. Ten tweede moet het document met deze informatie specifieke rechtsgevolgen hebben voor de ondernemingen die aan het kartel hebben deelgenomen en voor de benadeelde partijen, alsook voor een nationale rechterlijke instantie waarbij de schadevordering wordt ingesteld.
57.
Het Hof heeft in het arrest Heureka echter ook opgemerkt dat ‘[h]et […] natuurlijk niet [is] uitgesloten dat een persoon die door een inbreuk op de bepalingen van het mededingingsrecht is benadeeld, ruim vóór de bekendmaking van de samenvatting van het besluit van de Commissie in het [Publicatieblad] kennisneemt van de gegevens die noodzakelijk zijn om de schadevordering te kunnen instellen’35..
58.
Dit is in casu evenwel niet het geval.
59.
Bijgevolg moet worden vastgesteld op welk moment de benadeelde partij kon beschikken over beschikbare informatie a) die voldoende is om een schadevordering in te stellen en zo goed mogelijk beantwoordt aan de doelstellingen van het mededingingsrecht van de Unie, waaronder het recht op vergoeding van de geleden schade, b) die het vermoeden van wettigheid geniet en dus voldoet aan de eisen van rechtszekerheid en het doeltreffendheidsbeginsel, en c) die voor de nationale rechterlijke instanties een bewijskracht heeft die vergelijkbaar is met die welke de Uniewetgever aan de besluiten van de Commissie toekent.
a) Informatie die voldoende is om een schadevordering in te stellen en zo goed mogelijk beantwoordt aan de doelstellingen van het mededingingsrecht van de Unie, waaronder het recht op vergoeding van de geleden schade
60.
Zoals het Hof heeft opgemerkt, worden ‘[g]eschillen over inbreuken op het mededingingsrecht […] in beginsel gekenmerkt door een informatieasymmetrie ten nadele van degene die schade heeft geleden. Daardoor wordt het voor diegene moeilijker gemaakt om de informatie te verkrijgen die noodzakelijk is om een schadevordering in te stellen dan voor de mededingingsautoriteiten om de informatie te verkrijgen die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun bevoegdheid om het mededingingsrecht toe te passen’.36.
61.
Bij privaatrechtelijke schadevorderingen is er sprake van voldoende informatie wanneer ‘de benadeelde persoon [in het bijzonder] kennis [heeft] gekregen van […] het bestaan van een inbreuk op het mededingingsrecht, het bestaan van schade en het oorzakelijke verband tussen die schade en deze inbreuk, alsmede de identiteit van de pleger van de inbreuk’.37.
62.
Bij het indienen van een vordering bij de nationale rechter kan een benadeelde partij de noodzakelijke informatie die een NMa heeft verzameld, verkrijgen vanaf het moment dat het besluit van die NMa beschikbaar wordt gesteld, ongeacht de middelen die worden gebruikt om dat besluit openbaar te maken. Er moet echter rekening mee worden gehouden dat, als het besluit van de NMa nog niet definitief is en daartegen beroep kan worden ingesteld bij de bevoegde rechtbanken, de feiten en de deelname aan de vermeende gedraging zullen worden betwist. Zoals de Spaanse regering tijdens de hoorzitting heeft betoogd, kunnen naar Spaans recht de feiten die kenmerkend zijn voor het bestaan van een inbreuk op het mededingingsrecht, het bestaan van schade, het oorzakelijke verband tussen die schade en deze inbreuk en de identiteit van de pleger(s) van de inbreuk, noodzakelijkerwijs veranderen na de rechterlijke toetsing. Zolang het besluit van de NMa niet definitief is, beschikt de benadeelde partij dus niet over volledige informatie met betrekking tot alle aspecten die het mogelijk maken om een vervolgvordering tot schadevergoeding in te stellen.
63.
Mijns inziens brengt het ontbreken van volledige en gezaghebbende informatie twee risicofactoren met zich mee. In de eerste plaats is de benadeelde partij in een zaak als die in het hoofdgeding in feite verplicht om te verzoeken om schorsing of stuiting van de verjaringstermijn in afwachting van de afronding van de rechterlijke toetsing van het besluit van de NMa. Zoals tijdens de hoorzitting is bevestigd, is dit zowel kostbaar als tijdrovend.38. In de tweede plaats loopt de benadeelde partij het risico dat zij de proceskosten van de procedure moet betalen als zij geheel of gedeeltelijk in het ongelijk wordt gesteld als gevolg van de wijzigingen die de rechterlijke toetsing met zich meebrengt. Dit kan benadeelde partijen ontmoedigen om privaatrechtelijke handhavingsvorderingen in te stellen en afdoen aan de volle werking van artikel 101 VWEU en met name het nuttige effect van het in lid 1 van dit artikel neergelegde verbod.39.
64.
Uit de Spaanse nationale rechtspraak [van de Audiencia Provincial de Madrid (rechter in tweede aanleg Madrid, Spanje)40.] volgt dat voor degenen die door dergelijke mededingingsverstorende gedragingen zijn benadeeld (dat wil zeggen met name consumenten), het instellen van een rechtsvordering voordat het besluit van de NMa definitief is, ‘het risico [inhoudt] van automatische mislukking van de ingediende vorderingen’ in geval van herroeping van het besluit, met als gevolg dat de rechter de benadeelde partijen in de kosten veroordeelt. In die zin heeft het Hof in het arrest Tráficos Manuel Ferrer geoordeeld dat indien een verzoeker gedeeltelijk in het ongelijk wordt gesteld, ‘redelijkerwijs van hem kan worden verlangd dat hij zijn eigen kosten of ten minste een deel daarvan alsmede een deel van de gemeenschappelijke kosten draagt’.41.
65.
Bovendien wordt in de verwijzingsbeslissing de rechtspraak van de Tribunal Supremo aangehaald42., op grond waarvan verjaringstermijnen restrictief moeten worden uitgelegd omdat zij niet zijn gebaseerd op de beginselen van strikte rechtvaardigheid, maar op de beginselen van rechtszekerheid en het vermoeden van afstand van het vorderingsrecht van een partij. Volgens deze rechtspraak vereist het indemniteitsbeginsel derhalve kennis van de volledige omvang van de schade. Er moet dus een parallel worden getrokken met gevallen van lichamelijk letsel, waarbij deze kennis niet ontstaat op het moment dat het letsel wordt opgelopen, maar pas nadat het letsel is gestabiliseerd en de nawerkingen van het letsel volledig zijn bepaald.
66.
Het Hof heeft evenwel geoordeeld dat de benadeelde partij over alle gegevens beschikt die zij nodig heeft om haar schadevergoeding te kunnen instellen, ‘[o]ngeacht of het betrokken besluit van de Commissie al dan niet definitief wordt’.43. Het Hof vereist dus niet dat de schade volledig bekend is om de asymmetrie tussen de kennis van de benadeelde en die van de inbreukmaker te compenseren. In plaats daarvan heeft het Hof zich gebaseerd op een andere afwegingsfactor, namelijk de aan een handeling van een instelling van de Unie verbonden rechtsgevolgen.
67.
Bijgevolg ben ik van mening dat de benadeelde partij, waar het gaat om vervolgvorderingen, het recht heeft om een vordering in te stellen, niet op basis van een officieel document dat de relevante informatie bevat, maar alleen wanneer de benadeelde partij zich kan beroepen op een besluit dat specifieke rechtsgevolgen kan hebben. Pas op dat moment moet de dies a quo van de verjaringstermijn worden vastgesteld. Met andere woorden, om de gevolgen van de asymmetrie van informatie te compenseren moet de benadeelde partij in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel kunnen beschikken over informatie die weliswaar niet volledig, maar wel betrouwbaar is en de rechtszekerheid dient.
b) Informatie die het vermoeden van wettigheid geniet en dus voldoet aan de eisen van rechtszekerheid en het doeltreffendheidsbeginsel
68.
Handelingen van de instellingen van de Unie worden in beginsel vermoed rechtsgeldig te zijn en ‘[roepen] bijgevolg rechtsgevolgen in het leven […] zolang zij niet zijn ingetrokken of nietig zijn verklaard’. Derhalve hebben ‘alle rechtssubjecten van de Unie de verplichting […] om de volle werking van die handelingen te erkennen zolang het Hof hun onwettigheid niet heeft vastgesteld’. Zij moeten ook ‘de uitvoerbaarheid van deze handelingen […] eerbiedigen zolang het Hof niet de opschorting van de tenuitvoerlegging heeft gelast’.44.
69.
Tegelijkertijd is het volgens de verwijzende rechter zo dat de rechter bij wie een schadevordering is ingesteld naar aanleiding van een besluit van de CNMC dat nog niet definitief is geworden omdat daartegen een beroep tot nietigverklaring is ingesteld, op grond van de nationale wetgeving niet gebonden kan zijn aan de vaststelling van het bestaan van de betrokken inbreuk zolang dit besluit niet definitief is. Hieruit volgt dat de handeling van de Unie (het besluit van de Commissie) en het besluit van de NMa — voordat deze handelingen definitief worden — rechtsgevolgen hebben die verschillend zijn. Deze verschillende rechtsgevolgen kunnen niet worden genegeerd.
70.
In de rechtspraak van het Hof is reeds ingegaan op de gevolgen die besluiten van NMa's waarbij een inbreuk op de mededingingsregels is vastgesteld en die na rechterlijke toetsing definitief zijn geworden, hebben voor vervolgvorderingen tot schadevergoeding.
71.
Uit de punten 62 en 63 van het arrest Repsol Comercial de Productos Petrolíferos45. volgt in wezen dat wanneer een NMa een besluit tot vaststelling van een inbreuk op de mededingingsregels heeft gegeven, dat na rechterlijke toetsing definitief is geworden, en wanneer artikel 9 van richtlijn 2014/104, dat de bindende kracht van dergelijke besluiten regelt, niet ratione temporis van toepassing is, die vaststelling wordt geacht geldig te zijn in het kader van een schadevordering met betrekking tot dezelfde inbreuk totdat het tegendeel door de verweerder wordt bewezen.
72.
Dat vermoeden is niet van toepassing op een zaak als die in het hoofdgeding, waarin het besluit van de NMa weliswaar is bekendgemaakt op de website van deze autoriteit, maar nog niet definitief is geworden. Het lijkt er inderdaad op dat dit besluit in dergelijke gevallen alleen kan dienen als een indicatie van het bestaan van de betrokken inbreuk, aangezien het geen bindende kracht heeft voor de nationale rechter bij wie een schadevordering is ingesteld.46.
73.
Daar de reikwijdte van een besluit van de NMa in de loop van de gerechtelijke procedure aanzienlijk kan veranderen en — aldus de verwijzende rechter — de vaststelling over het bestaan van de inbreuk in dat besluit de nationale rechter pas bindt wanneer dat besluit definitief wordt47., heeft enkel die ‘slotfase van de publiekrechtelijke handhaving van artikel 101 VWEU’48. kenmerken die het mogelijk maken om ‘zowel voor de ondernemingen die een kartel hebben gevormd als voor de benadeelden op een duidelijke, nauwkeurige en transparante wijze vast te stellen op welk tijdstip de verjaringstermijn begint te lopen’49.. Mijns inziens zou elke andere oplossing de benadeelde partij in een aanzienlijk minder gunstige positie brengen dan de inbreukmaker(s), zeker in gevallen waarin de lengte van de verjaringstermijn te kort is ten opzichte van de gebruikelijke tijd die nodig is voor rechterlijke toetsing van het besluit van de NMa.50.
74.
Zoals advocaat-generaal Jääskinen heeft opgemerkt, ‘dient artikel 19, lid 1, VEU, en de mate waarin het een bijkomende garantie biedt inzake het doeltreffendheidsbeginsel, in de beschouwing te worden betrokken. Overeenkomstig artikel 19, lid 1, dienen lidstaten te voorzien in de ‘nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren’. In het licht van deze Verdragsbepaling lijkt de norm van de daadwerkelijke rechterlijke bescherming voor EU-rechten met andere woorden strenger te zijn dan de klassieke formule die naar de praktische onmogelijkheid of de buitensporige moeilijkheid verwijst. Volgens mij betekent dit dat nationale rechtsmiddelen toegankelijk, snel en redelijk kostenbesparend moeten zijn’.51.
75.
In deze context zou het Hof — mede gelet op het feit dat verjaringstermijnen een beperking vormen van de rechten van de benadeelde partijen en dus zodanig moeten worden uitgelegd dat de vereiste toegankelijkheid, snelheid en kostenbesparing worden gewaarborgd — de voorkeur moeten geven aan een oplossing die het mogelijk maakt om de zaak inhoudelijk te onderzoeken (pro-actionebeginsel).
76.
Het is echter ook belangrijk om een evenwicht te zoeken tussen de belangen van de benadeelde partij en die van de andere partijen bij de schadevordering. Uit de gegevens in het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dat op grond van artikel 90, lid 3, van wet 39/2015 betreffende de gemeenschappelijke bestuurlijke procedure voor overheidsinstanties52. de uitvoerbaarheid van besluiten van de CNMC automatisch wordt opgeschort vanaf het moment dat de betrokken benadeelde aangeeft voornemens te zijn een rechtsvordering in te stellen tegen dergelijke besluiten, totdat het betreffende besluit definitief wordt. De opschorting kan door de rechter alleen worden opgeheven door middel van een uitdrukkelijke beslissing in kort geding.
77.
Hoewel kan worden betoogd dat een oplossing waarbij de dies a quo pas begint te lopen nadat het besluit van de NMa definitief is geworden, de periode van onzekerheid verlengt en de definitieve afhandeling van de schadevordering vertraagt, blijkt uit hetgeen hierboven is gezegd dat die vertraging rechtstreeks verband houdt met de rechterlijke toetsing van het besluit van de NMa. Gedurende deze toetsing blijft de situatie van de betrokken onderneming ongewijzigd en in dat opzicht kan het ook gunstig zijn voor de verdediging van de inbreukmaker in een schadevergoedingsactie om te wachten tot het besluit van de NMa definitief is. In ieder geval zou de omstandigheid dat definitief wordt bepaald hoe het zit met de inbreukmaker een aanvulling zijn op de doeltreffende toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel.
78.
Hieruit volgt dat de dies a quo van de verjaringstermijn die wordt vastgesteld op de datum waarop het besluit van de NMa definitief wordt, gunstiger is voor de rechtszekerheid en het doeltreffendheidsbeginsel bij schadevorderingen en dat deze oplossing in beginsel zowel aan verzoekers als aan verweerders ten goede komt. Opgemerkt zij immers dat rechtszekerheid juist het doel is van het opleggen van verjaringstermijnen.
79.
In haar opmerkingen betoogt de Commissie dat de verjaringstermijn begint te lopen ofwel i) wanneer het besluit van de CNMC bekend wordt gemaakt, ook al wordt er beroep tegen aangetekend en is dit besluit nog niet definitief, ofwel ii) wanneer dit besluit definitief wordt. Beide oplossingen kunnen voldoen aan de vereisten van het Unierecht.
80.
Op basis van mijn bovenstaande analyse ben ik van mening dat oplossing i) afbreuk dreigt te doen aan de doelstellingen van artikel 101 VWEU en het doeltreffendheidsbeginsel waar het gaat om effectieve privaatrechtelijke handhaving binnen de Unie.
81.
Als deze oplossing zou worden gevolgd, dan zou de dies a quo worden vastgesteld op de datum van bekendmaking van het besluit van de CNMC op de website van deze autoriteit (15 september 2015). De verjaringstermijn van één jaar, die op dat moment in Spanje van toepassing was, zou beginnen te lopen en zou verstrijken vóór de datum voor de omzetting van richtlijn 2014/104 (27 december 2016). Dit zou betekenen dat artikel 10 van deze richtlijn, waarin de regels inzake verjaringstermijnen zijn neergelegd, in het hoofdgeding niet van toepassing is en dat de benadeelde partij zich niet kan beroepen op de verlengde verjaringstermijn van vijf jaar waarin artikel 10, lid 3, van die richtlijn voorziet.
82.
Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat ‘het niet uitgesloten [is] dat [de] verjaringstermijn verstrijkt nog vóór [de] procedures zijn voltooid, indien de verjaringstermijn, die begint te lopen voordat de [NMa] of een beroepsinstantie de procedures [heeft] afgerond die leiden tot een definitieve beslissing, te kort is in vergelijking met de duur van deze procedures, en tijdens deze procedures niet kan worden geschorst of gestuit. In dit geval is het voor eenieder die schade heeft geleden onmogelijk om zich bij het instellen van vorderingen te baseren op een definitieve beslissing waarbij een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie wordt vastgesteld.’53.
83.
De verwijzende rechter en Nissan opperen de mogelijkheid om het beroep op te schorten.54. Ik ben echter van mening dat deze mogelijkheid in het onderhavige geval niet doorslaggevend lijkt, aangezien zij niet automatisch is, door de verzoeker moet worden aangevraagd en met zich meebrengt dat er verschillende kosten moeten worden gemaakt. Bovendien beschikt de rechter over een beoordelingsmarge op grond waarvan hij kan beslissen om de schorsing van de procedure al dan niet toe te staan. Ik wijs erop dat een verzoek tot schorsing van de schadevordering pas kan worden ingediend nadat de vordering is ingesteld, hetgeen impliceert dat de vordering binnen de verjaringstermijn moet worden ingesteld. Hieruit volgt, zoals CP en de Spaanse regering hebben betoogd, dat de opschorting van de vordering in de huidige context geen passende oplossing lijkt te zijn in termen van rechtszekerheid en het vereiste dat nationale rechtsmiddelen ‘toegankelijk, snel en redelijk kostenbesparend’ zijn.55. Bovendien houdt een dergelijke oplossing geen rekening met het feit dat het instellen van een vordering tot schadevergoeding in beginsel een complexe feitelijke en economische analyse vereist, die in de regel enige tijd in beslag neemt.56.
84.
Uit een en ander volgt dat de uitlegging volgens welke de dies a quo wordt vastgesteld op de datum waarop het besluit van de CNMC definitief wordt, de enige is die bij vervolgvorderingen tot schadevergoeding voldoet aan de vereisten van het rechtszekerheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel.
c) Informatie die voor de nationale rechterlijke instanties een bewijskracht heeft die vergelijkbaar is met die welke de Uniewetgever aan de besluiten van de Commissie toekent
85.
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de Uniewetgever, wat bij de nationale rechterlijke instanties aanhangige schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht van de Unie betreft, duidelijk een andere bewijskracht toekent aan besluiten van de Commissie dan aan besluiten van NMa's.
86.
In het arrest Heureka (punt 74) wordt er duidelijk op gewezen dat op besluiten van NMa's enerzijds en die van de Commissie anderzijds verschillende rechtsstelsels van toepassing zijn:
‘Artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1/2003 bepaalt in de eerste volzin […] dat wanneer nationale rechterlijke instanties artikel 101 of artikel 102 VWEU toepassen op overeenkomsten, besluiten of gedragingen die reeds het voorwerp uitmaken van een besluit van de Commissie, zij geen beslissingen kunnen nemen die in strijd zijn met het door de Commissie gegeven besluit. Artikel 16, lid 1, vereist niet dat het besluit definitief is geworden opdat de nationale rechter verplicht is zich eraan te houden. In die zin verschilt dat artikel 16 van artikel 9 van richtlijn 2014/104[57.], dat bepaalt dat alleen aan definitieve beslissingen van de [NMa's] bewijskracht wordt gehecht. Dit verschil tussen de twee bepalingen wordt juist gerechtvaardigd door het bindend karakter van de besluiten van de instellingen van de Unie’
(cursivering van mij) en door de voorrang van het Unierecht.58.
87.
Zoals advocaat-generaal Kokott in de zaak Cogeco heeft uiteengezet59., ‘[hadden] [v]óórdat artikel 9 van richtlijn 2014/104 van toepassing werd, […] enkel beschikkingen van de [Commissie] volgens het Unierecht bindende werking in procedures bij de nationale rechter. Deze bijzondere bindende werking, die uit artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1/2003 en de Masterfoods-rechtspraak[60.] voortvloeit, vindt haar verklaring in de cruciale rol van de Commissie bij de inrichting van het mededingingsbeleid in de Europese interne markt en uiteindelijk ook in de voorrang van het Unierecht alsmede de bindende aard van besluiten van de instellingen van de Unie. Deze bindende werking kan niet op gelijke wijze worden uitgebreid tot de beslissingen van [NMa's], tenzij de Uniewetgever dit uitdrukkelijk vastlegt, zoals hij dit voor de toekomst met artikel 9 van richtlijn 2014/104 heeft gedaan.’
88.
Het voorgaande wordt ook geïllustreerd door het feit dat bij besluiten van de Commissie de boete onmiddellijk aan de inbreukmaker wordt opgelegd en door hem verschuldigd is, terwijl uit de gegevens van het dossier waarover het Hof beschikt blijkt dat bij besluiten van de CNMC de boete over het algemeen pas wordt betaald na de definitieve bevestiging van de sanctie door de nationale rechterlijke instanties.61.
89.
Hieruit volgt dat er een duidelijk verschil bestaat tussen de omstandigheden in de zaak die heeft geleid tot het arrest Heureka en die in de onderhavige zaak. Bovendien zijn deze verschillen niet louter formeel, maar materieel en raken zij de kern van de rechten van de betrokken partijen.
90.
Gelet op het feit dat krachtens verordening nr. 1/2003 de handhaving van het mededingingsrecht van de Unie op nationaal niveau en op Unieniveau de betrokken partijen een gelijk speelveld moet bieden, geef ik het Hof in overweging om in de onderhavige zaak een benadering te kiezen die geïnspireerd is door de geest van het arrest in de zaak Heureka, maar die — in tegenstelling tot de benadering van de Commissie — de in die zaak gehanteerde benadering niet eenvoudigweg ‘kopieert en plakt’ in de onderhavige zaak. Dit geldt des te meer vanwege de informatieasymmetrie62., die nadelig is voor de benadeelde partij. Derhalve mag de situatie van benadeelde partijen — in vergelijking met op besluiten van de Commissie gebaseerde vervolgvorderingen — niet verder worden benadeeld waar het gaat om op besluiten van NMa's gebaseerde vervolgvorderingen.
91.
Ten slotte moet de bekendmaking van de informatie worden besproken.
92.
Wat betreft het aspect ‘bekendmaking’ van het besluit op de website van de CNMC, blijkt uit de aan het Hof voorgelegde documenten dat de bekendmaking op die website naar Spaans recht geen vereiste is voor de doeltreffendheid of de rechtsgeldigheid van het besluit en dat die bekendmaking geen rechtsinstrument voor het openbaar maken van dat besluit vormt.
93.
In het bijzonder kan, zoals de Spaanse regering heeft benadrukt — voor de vaststelling van de dies a quo van de verjaringstermijn — de bekendmaking van het besluit van de CNMC op de officiële website niet gelijk worden gesteld met de bekendmaking van de samenvatting van het besluit van de Commissie in het Publicatieblad. Uit de gegevens in het dossier waarover het Hof beschikt blijkt het volgende:
- i)
de website van de CNMC is geen officieel staatsblad zoals het Publicatieblad, en de bekendmaking van besluiten van de NMa is volgens het toepasselijke nationale recht geen wettelijk vereiste voor de doeltreffendheid of geldigheid ervan, en
- ii)
in het hoofdgeding is het besluit van de CNMC individueel aan de betrokken personen ter kennis gebracht in het kader van de sanctieprocedure, en de rechtsgevolgen van het besluit ten aanzien van die personen hangen af van die kennisgevingen en niet van de bekendmaking op de website.63.
94.
Het is juist dat een nationale rechter zou kunnen oordelen dat de bekendmaking van het besluit op de website van de CNMC voldoende lijkt om de benadeelde personen de informatie te verschaffen die noodzakelijk is om een schadevordering in te stellen. Uit de voorgaande overwegingen volgt echter dat, gezien de verschillen in de rechtsgevolgen van de officiële bekendmaking (het Publicatieblad of het nationale staatsblad) enerzijds en de informatieve bekendmaking (de website van een NMa) anderzijds, de dies a quo pas kan worden vastgesteld nadat het besluit voor de nationale rechter een bewijskracht heeft verkregen die vergelijkbaar is met de bewijskracht die de Uniewetgever toekent aan besluiten van de Commissie, dat wil zeggen wanneer het besluit van de CNMC definitief wordt.
4. Antwoord op de tweede en de derde prejudiciële vraag
95.
In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging om op de tweede en de derde vraag te antwoorden dat artikel 101 VWEU en het doeltreffendheidsbeginsel aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling, zoals uitgelegd door de betreffende nationale rechterlijke instanties, die bepaalt dat de verjaringstermijn die van toepassing is op schadevorderingen wegens een bij besluit van een NMa vastgestelde inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie (vervolgvorderingen tot schadevergoeding), pas begint te lopen nadat dit besluit definitief is geworden, in voorkomend geval nadat het is bevestigd door de betreffende nationale rechterlijke instanties.
V. Conclusie
96.
Ik geef het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van de Juzgado de lo Mercantil n.o 1 de Zaragoza te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 101 VWEU en het doeltreffendheidsbeginsel
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling, zoals uitgelegd door de betreffende nationale rechterlijke instanties, die bepaalt dat de verjaringstermijn die van toepassing is op schadevorderingen wegens een bij besluit van een nationale mededingingsautoriteit vastgestelde inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie (vervolgvorderingen tot schadevergoeding), pas begint te lopen nadat dit besluit definitief is geworden, in voorkomend geval nadat het is bevestigd door de betreffende nationale rechterlijke instanties.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑04‑2025
Oorspronkelijke taal: Engels.
Latijnse uitdrukking die de dag aanduidt waarop de procestermijnen beginnen te lopen.
Arresten van 22 juni 2022, Volvo en DAF Trucks (C-267/20, EU:C:2022:494; hierna: ‘arrest Volvo’), en 18 april 2024, Heureka Group (Online prijsvergelijkers) (C-605/21, EU:C:2024:324; hierna ‘arrest Heureka’), alsmede beschikking van 6 maart 2023, Deutsche Bank (Kartel — Rentederivaten in euro) (C-198/22 en C-199/22, EU:C:2023:166).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (PB 2014, L 349, blz. 1).
Dat wil zeggen vijf maanden na het verstrijken van de termijn voor de omzetting van die richtlijn.
Zie arrest Heureka, punt 49. Zie ook punt 50 van dat arrest.
Artikel 267 VWEU stelt het Hof niet in staat om advies uit te brengen over algemene of hypothetische vragen. Zie in die zin arrest van 22 maart 2022, Prokurator Generalny (Tuchtkamer van de Sąd Najwyższy — Benoeming) (C-508/19, EU:C:2022:201, punten 60 en 61).
De verwijzingsbeslissing is gebaseerd op de rechtspraak van de Audiencia Provincial de Zaragoza. Het lijkt erop dat deze redenering met name is gebaseerd op het conceptuele onderscheid tussen de bevoegdheid om een vordering in te stellen en de verjaringstermijn voor die vordering naar Spaans recht.
Zie het arrest van 28 november 2023, Gemeente Ans (C-148/22, EU:C:2023:924, punten 46 en 47).
Ook met betrekking tot het Unierecht heeft het Hof geoordeeld dat op grond van ‘het beginsel van rechtszekerheid en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen […] de gevolgen van de [Unie]wetgeving duidelijk en voorzienbaar moeten zijn zodat er door de justitiabelen op kan worden afgegaan’ (arrest van 12 november 1981, Meridionale Industria Salumi e.a., 212/80-217/80, EU:C:1981:270, punt 10).
Arrest van 28 maart 2019, Cogeco Communications (C-637/17, EU:C:2019:263, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: ‘arrest Cogeco’).
In beginsel kan het besluit van een NMa immers als definitief worden beschouwd als er niet binnen de voorgeschreven termijn beroep tegen is ingesteld.
Arrest van 18 maart 1997, Guérin automobiles/Commissie (C-282/95 P, EU:C:1997:159, punt 39). Zie ook de arresten van 20 september 2001, Courage en Crehan (C-453/99, EU:C:2001:465, punten 23 en 24), en 13 juli 2006, Manfredi e.a. (C-295/04–C-298/04, EU:C:2006:461, punten 58 en 59). Zie naar analogie arrest van 16 maart 2023, Towercast (C-449/21, EU:C:2023:207, punten 42–53).
Arrest van 28 januari 2025, ASG 2 (C-253/23, EU:C:2025:40, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: ‘arrest ASG 2’).
Ibidem, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Conclusie van advocaat-generaal Kokott in KONE e.a. (C-557/12, EU:C:2014:45, punten 59 en 60).
Caro de Sousa, P., The Private Enforcement of Competition Law, Oxford University Press, Oxford, 2024, blz. 23.
Arrest van 6 oktober 2020, État luxembourgeois (Rechtsbescherming tegen een verzoek om inlichtingen in belastingzaken) (C-245/19 en C-246/19, EU:C:2020:795, punt 47). Cursivering van mij. Dit is nu ook terug te vinden in overweging 4 van richtlijn 2014/104. Bovendien bepaalt overweging 36 van die richtlijn dat ‘[n]ationale regels inzake de aanvang, duur, schorsing of stuiting van verjaringstermijnen […] geen onnodige belemmering [mogen] vormen voor het instellen van schadevorderingen’.
Arrest ASG 2, punt 75 (cursivering van mij).
Arrest van 14 maart 2019, Skanska Industrial Solutions e.a. (C-724/17, EU:C:2019:204, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook het arrest Heureka, punt 51.
Arrest Cogeco, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Arrest ASG 2, punten 74 e.v. Zie ook arresten Cogeco, punt 47, en Volvo, punt 53; zie ook beschikking van 6 maart 2023, Deutsche Bank (Kartel — Rentederivaten in euro) (C-198/22 en C-199/22, EU:C:2023:166, punt 33).
Arresten Cogeco, punt 46, en Volvo, punt 54; zie ook beschikking van 6 maart 2023, Deutsche Bank (Kartel — Rentederivaten in euro) (C-198/22 en C-199/22, EU:C:2023:166, punt 34).
Arrest Heureka, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Pitruzzella in Repsol Comercial de Productos Petrolíferos (C-25/21, EU:C:2022:659, punten 32–35).
Dat wil zeggen, de Commissie of een NMa.
Zie arrest van 12 januari 2023, RegioJet (C-57/21, EU:C:2023:6, punt 50), en arrest ASG 2, punt 85.
Conclusie van advocaat-generaal Bobek in de zaak Stichting Cartel Compensation en Equilib Netherlands (C-819/19, EU:C:2021:373, punt 95).
Caro de Sousa, P., voetnoot 17, op. cit., blz. 27.
Arrest Heureka, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Arrest Heureka, punt 78.
Arrest Heureka, punt 73.
Verordening van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1).
Arrest Heureka, punt 74.
Ibidem, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Arrest Heureka, punt 57.
Arrest Heureka, punt 64.
CP heeft tijdens de hoorzitting betoogd dat indien hij de verjaringstermijn had moeten stuiten door het sturen van buitengerechtelijke verzoeken van 2015 tot en met 2021, hij in totaal 4 800 EUR zou hebben moeten uitgeven voor het versturen van ingebrekestellingen, één per inbreukmaker per jaar, om een schadevergoeding van slechts 1 400 EUR te vorderen. Bovendien zou hij zijn advocaatkosten moeten betalen, die in rechte niet kunnen worden teruggevorderd. Bijgevolg zou de benadeelde partij — reeds voordat deze partij een vordering tot schadevergoeding heeft ingesteld — uiteindelijk een bedrag moeten uitgeven dat veel hoger is dan de schadevergoeding waarop zij recht heeft.
Zie arrest ASG 2, punten 61 en 63 (geciteerd in de punten 33 en 34 van deze conclusie).
Zoals geciteerd in Guerra Henríquez, L., en Aquilué Borau, S., ‘El dies a quo del plazo de prescripción en los procedimientos civiles de reclamación de daños derivados de infracciones del derecho de la competencia: práctica reciente’, Actualidad Jurídica Uría Menéndez, nr. 65, oktober 2024, blz. 159. Zie ook het arrest van 11 juni 2024 van de Audiencia Provincial de Madrid, waarin is geoordeeld dat de dies a quo niet kon worden vastgesteld voordat het besluit van de NMa definitief was geworden nadat elke inbreukmaker alle rechtsmiddelen had uitgeput.
Voor zover de verzoeker zelf verantwoordelijk is voor het ontstaan van deze kosten, bijvoorbeeld doordat de verzoeker buitensporige verzoeken heeft ingediend of door de wijze waarop hij heeft geprocedeerd. Arrest van 16 februari 2023, Tráficos Manuel Ferrer (C-312/21, EU:C:2023:99, punt 47).
Zie blz. 13 van de oorspronkelijke taalversie van de verwijzingsbeslissing, waarin arrest nr. 528/2013 van 4 september 2013 wordt aangehaald. Ik verwijs ook naar de uitspraak van de Juzgado de lo Mercantil n.o 2 de Madrid (handelsrechtbank nr. 2 Madrid, Spanje) van 9 juni 2020, volgens welke de dies a quo ‘volledige bekwaamheid om in rechte op te treden’ en ‘volledige kennis van de definitieve omvang van de schade’ vereist, hetgeen pas het geval is wanneer het besluit van de NMa definitief wordt.
Arrest Heureka, punt 78.
Arrest Heureka, punt 73. Zie ook punt 77.
Arrest van 20 april 2023 (C-25/21, EU:C:2023:298).
Zoals CP tijdens de hoorzitting bij wijze van voorbeeld heeft benadrukt, werd ongeveer 60 % van de in 2015 door de CNMC genomen besluiten nietig verklaard als gevolg van de rechterlijke toetsing.
Zie punt 69 van deze conclusie.
Zie naar analogie de conclusie van advocaat-generaal Rantos in de zaak Volvo en DAF Trucks (C-267/20, EU:C:2021:884, punt 123).
Zie naar analogie de conclusie van advocaat-generaal Rantos in de zaak Volvo en DAF Trucks (C-267/20, EU:C:2021:884, punt 123). Zie ook punt 122.
Zie punten 79–82 van deze conclusie.
Conclusie van advocaat-generaal Jääskinen in de zaak Donau Chemie e.a. (C-536/11, EU:C:2013:67, punt 47). Cursivering van mij.
Ley 39/2015 del Procedimiento Administrativo Común de las Administraciones Públicas van 1 oktober 2015, BOE nr. 236 van 2 oktober 2015, blz. 89343.
Arrest Cogeco, punt 52.
Nissan betoogt dat volgens de Spaanse wet niets de benadeelde partijen belette om het verloop van de verjaringstermijn ‘sine die’ of ‘in aeternum’ te stuiten of op te schorten.
Zie punt 74 van deze conclusie.
Zie punt 40 van deze conclusie.
Artikel 9, lid 1, luidt: ‘De lidstaten zorgen ervoor dat een inbreuk op het mededingingsrecht die door een [NMa] of door een beroepsinstantie door middel van een definitieve inbreukbeslissing is vastgesteld, geacht wordt onweerlegbaar vast te staan voor de behandeling van een voor een nationale rechter aanhangig gemaakte schadevordering uit hoofde van artikel 101 of artikel 102 VWEU of uit hoofde van het nationale mededingingsrecht.’
Zie ook conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Heureka Group (Online prijsvergelijkers) (C-605/21, EU:C:2023:695, punten 59 en 60).
Conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Cogeco Communications (C-637/17, EU:C:2019:32, punt 96).
Arrest van 14 december 2000, Masterfoods en HB (C-344/98, EU:C:2000:689, met name punt 52, gelezen in samenhang met de punten 46 en 49).
Dit wordt met name verklaard door het feit dat de uitvoerbaarheid van besluiten van de CNMC automatisch wordt opgeschort wanneer de inbreukmaker te kennen geeft beroep te willen instellen. CP heeft zelfs aangevoerd dat de meeste ondernemingen in Spanje niet eens een voorziening treffen voor het bedrag van de boete totdat het besluit van de CNMC definitief wordt.
Zie punt 40 en voetnoot 23 van deze conclusie.
De Spaanse regering heeft deze informatie tijdens de hoorzitting verstrekt in antwoord op de vragen van het Hof.