Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.8.1
8.8.1 Gauweiler
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS451679:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 282, eerste lid, VWEU.
Zie bijvoorbeeld: HvJ EU 16 juni 2015, C-62/14 (Gauweiler), r.o. 42, 43 en 46.
HvJ EU 16 juni 2015, C-62/14 (Gauweiler), r.o. 42.
HvJ EU 16 juni 2015, C-62/14 (Gauweiler), r.o. 46.
Deze bepaling is bij de totstandkoming van het Verdrag van Maastricht opgenomen in artikel 105 EG-verdrag. Zie hierover par. 6.8.3.
HvJ EU 16 juni 2015, C-62/14 (Gauweiler), r.o. 47-56.
HvJ EU 16 juni 2015, C-62/14 (Gauweiler), r.o. 51-52.
HvJ EU 16 juni 2015, C-62/14 (Gauweiler), r.o. 66-92.
Deze bepaling is bij de totstandkoming van het Verdrag van Maastricht opgenomen in artikel 104 EG-verdrag. Zie hierover par. 6.8.2.2. Zie over de verenigbaarheid van verschillende ECB-maatregelen met artikel 123 VWEU ook: Piecha 2016, p. 297-302; Nitze 2015, p. 141-182; Calliess & Ruffert 2016, p. 1591-1595.
HvJ EU 16 juni 2015, C-62/14 (Gauweiler), r.o. 95-96.
HvJ EU 16 juni 2015, C-62/14 (Gauweiler), r.o. 97. Het Hof van Justitie probeerde op deze wijze een omzeiling van het verbod op monetaire financiering te voorkomen. Dit is opvallend in het licht van de eerder besproken Pringle-zaak, waarin het Hof koos voor een strikte benadering van de no bail out-clausule. Mijns inziens kan, zoals hierboven besproken, goed verdedigd worden dat die clausule ruim moet worden uitgelegd, juist om een omzeiling daarvan te voorkomen. Waar het Hof het omzeilen van een letterlijk verbod in Gauweiler wel van belang achtte (en daarom overwoog dat het verbod op monetaire financiering verder gaat dan alleen het niet toestaan van het rechtstreeks opkopen van staatsobligaties), besteedde het Hof in Pringle juist nauwelijks aandacht aan de mogelijkheid van het omzeilen van de no bail out-clausule.
HvJ EU 16 juni 2015, C-62/14 (Gauweiler), r.o. 98-100.
HvJ EU 16 juni 2015, C-62/14 (Gauweiler), r.o. 105-106.
HvJ EU 16 juni 2015, C-62/14 (Gauweiler), r.o. 108.
Anders dan advocaat-generaal Cruz Villalón deed het Hof van Justitie dit zonder nadere voorwaarden. Zie voor de conclusie in de Pringle-zaak: Conclusie A-G Cruz Villalón 14 januari 2015, C-62/14 (Gauweiler). Zie hierover: Poppelaars 2015.
Zie par. 10.11 en 10.12.
Waarmee ik overigens niet wil zeggen dat het QE-besluit van de ECB per se noodzakelijk of wenselijk is.
In het Gauweiler-arrest beantwoordde het Hof van Justitie allereerst de vraag of de ECB zich met het OMT-programma niet te veel op het terrein van economisch beleid begeeft. De ECB is immers juist verantwoordelijk voor het voeren van monetair beleid.1 Het Hof van Justitie sloot in dit kader aan bij overwegingen uit het Pringle-arrest, waarin dit onderscheid tussen economisch en monetair beleid ook al een rol speelde.2 Het Hof van Justitie herhaalde dat het VWEU nergens definieert wat precies onder monetair beleid moet worden verstaan.3 Er moet daarom gekeken worden naar de doelstellingen van het OMT-programma en de instrumenten die binnen dat programma worden ingezet.4
Volgens artikel 127, eerste lid, VWEU dient het handhaven van prijsstabiliteit het hoofddoel van de ECB te zijn.5 Daarnaast ondersteunt de ECB op grond van die bepaling het algemene economische beleid binnen de EU. Volgens het Hof van Justitie sluit het OMT-programma zowel qua doelstellingen als qua instrumenten aan bij het in het VWEU vastgelegde mandaat van de ECB.6 Hoewel het Hof erkende dat het OMT-programma ook effecten kan hebben op het economisch beleid, overwoog het dat zulke indirecte gevolgen van het programma nog geen economisch beleid maken.7 In zoverre paste het OMT-programma dus binnen het mandaat van de ECB. Ook was het programma volgens het Hof van Justitie niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, zoals vastgelegd in het VEU,8 nu de ECB tot de conclusie heeft kun- nen komen dat het programma geschikt is om de door haar nagestreefde doelen te bereiken en het programma niet verder gaat dan daarvoor nodig is.9
Vervolgens behandelde het Hof van Justitie de vraag of de ECB met het OMT-programma niet het verbod op monetaire financiering, zoals vastgelegd in artikel 123 VWEU, schond.10 Volgens deze bepaling is het verboden voor de ECB om kredietfaciliteiten aan de lidstaten aan te bieden en om rechtstreeks schuldbewijzen van de lidstaten te kopen. Bij de beantwoording van deze vraag erkende het Hof dat het opkopen van staatsobligaties op de secundaire markt juist een van instrumenten van de ECB is om monetair beleid te voeren.11 In tegenstelling tot bij de primaire markt, waar rechtstreeks van overheden wordt gekocht, zit er bij de secundaire markt altijd een marktpartij tussen de betreffende lidstaat en de ECB.
Het OMT-programma richt zich op het opkopen van staatsobligaties door de ECB op de secundaire markt, en daarmee niet op het rechtstreeks financieren van overheden. Op het eerste gezicht staat het verbod op monetaire financiering, dat uitsluitend het rechtstreeks kopen van schuldbewijzen van lidstaten door de ECB uitsluit, daarom niet in de weg aan het OMT-programma. Het Hof van Justitie overwoog in het Gauweiler-arrest echter dat de ECB ook geen aankopen van staatsobligaties op de secundaire markt mag doen die hetzelfde effect zouden hebben als rechtstreekse aankopen, omdat dat afbreuk zou doen aan de werking van het verbod op monetaire financiering.12 In dit kader sloot het Hof aan bij het doel achter het verbod op monetaire financiering: het realiseren van begrotingsdiscipline.13 Doordat het de ECB bij de oprichting verboden werd om lidstaten rechtstreeks te financieren, moesten de lidstaten zelf zorgen voor degelijk begrotingsbeleid. Het verbod op monetaire financiering mag niet dusdanig omzeild worden, dat aan dit doel geen recht meer wordt gedaan, aldus het Hof.
Het Hof overwoog vervolgens dat de ECB aan de uitvoering van het OMT-programma voorwaarden heeft verbonden die voorkomen dat de aankopen op de secundaire markt hetzelfde effect hebben als de directe aankoop van staatsobligaties op de primaire markt.14 Een voorbeeld daarvan is de minimumtermijn die de ECB in acht zou nemen tussen enerzijds de uitgifte van een schuldbewijs en anderzijds de aankoop ervan. Weliswaar erkende het Hof dat de acties van de ECB een zekere rol spelen bij de werking van de primaire en secundaire markt voor staatsobligaties, maar dat is volgens het Hof inherent aan de inzet van sommige instrumenten die de ECB tot haar beschikking heeft op grond van het VWEU.15
Het Hof van Justitie keurde daarmee het OMT-programma zoals aangekondigd door de ECB goed.16 Het programma paste binnen het monetair beleid, zoals dat in het VWEU aan de ECB is toebedeeld. Ook was het programma volgens het Hof van Justitie niet in strijd met het verbod op monetaire financiering. Het wachten was vervolgens op het oordeel van het Bundesverfassungsgericht hierover. Op 21 juni 2016 wees het Bundesverfassungsgericht het definitieve arrest in dit geschil. Dat oordeel zal bij de rechtsvergelijking met Duitsland in hoofdstuk 10 nader aan bod komen, net zoals de prejudiciële vragen die het Bundesverfassungsgericht stelde over het besluit tot QE.17
Gelet op het oordeel van het Hof van Justitie in de Gauweiler-zaak, ligt het mijns inziens in de lijn der verwachting dat ook het QE-besluit van de ECB door datzelfde Hof in stand zal worden gehouden. Het doel van het goedgekeurde OMT-programma (het omlaag brengen van de rentes op staatsobligaties) is immers verder verwijderd van de kerntaak van de ECB om te zorgen voor prijsstabiliteit dan het doel van QE (het ontwijken van het gevaar van deflatie, prijsdalingen). Gelet op het doel ervan, past QE dus, meer dan het OMT-programma, binnen het mandaat van de ECB om monetair beleid te voeren.18