Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/6.7.1
6.7.1 Inleiding
mr. P.H.M. Broere , datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652330:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 10 januari 1990 (r.o. 4.1-4.2), NJ 1990/466, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2021/288, m.nt. P.D. Olden (Ogem); HR 26 juni 2009 (r.o. 3.2.3), NJ 2011/211, m.nt. W.J.M. van Veen; JOR 2009/193, m.nt. J.J.M. van Mierlo (KPNQwest).
De bewindvoerder kan geen enquête verzoeken. Geerts 2004, p. 87; Olden 2004, p. 407; Spruitenburg 2018, p. 235; Schreurs (onder 11-12) in zijn annotatie bij OK 3 maart 2020, JOR 2020/145 (Victory and Dreams); Schreurs 2022, p. 1445; Spruitenburg 2022a, p. 277 hebben voorgesteld de bewindvoerder enquêtebevoegdheid toe te kennen. Schreurs oppert bovendien de herstructureringsdeskundige in de Wet homologatie onderhands akkoord enquêtebevoegdheid toe te kennen. Zie in dit verband de Wet van 7 oktober 2020 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de invoering van de mogelijkheid tot homologatie van een onderhands akkoord (Wet homologatie onderhands akkoord), Stb. 2020, 414; Stb. 2020, 415. Zie tegen de toekenning van enquêtebevoegdheid aan de bewindvoerder bijv. Josephus Jitta 2019, p. 128; Reumers 2020, p. 362-363. Aan de positie van de bewindvoerder en herstructureringsdeskundige wordt hier verder geen aandacht geschonken.
Zie in die zin bijv. OK 10 december 2019 (r.o. 2.43; 3.18), JOR 2020/144, m.nt. D.J.F.F.M. Duynstee (Estro). Zo ook Spruitenburg 2018, p. 232-233, voetnoot 58; Spruitenburg 2022a, p. 275, voetnoot 63.
Zie in die zin bijv. het twaalfde faillissementsverslag Estro groep, 12 maart 2019, p. 33 (par. 9), te raadplegen via www.insolventies.rechtspraak.nl.
Zie ook Reumers 2020, p. 227, die betoogt dat de curator voor een verzoek tot het vaststellen van wanbeleid en het treffen van eindvoorzieningen een nieuwe machtiging van de rechter-commissaris behoeft.
De Ondernemingskamer kan ook een onderzoek gelasten naar een rechtspersoon die surseance van betaling heeft verkregen of in staat van faillissement is verklaard.1 Onder die omstandigheden kan de Ondernemingskamer ook voorzieningen treffen, waaronder de benoeming van een OK-functionaris, waarover ook par. 6.7.4.
De curator komt in het enquêterecht een eigen positie toe. Hij is enquêtegerechtigd namens een failliete aandeelhouder of certificaathouder en hij kan een enquête verzoeken naar een failliete rechtspersoon op grond van art. 2:346 lid 3 BW, waarover par. 6.7.2.2 De kosten van de enquêteprocedure kwalificeren in beginsel niet als boedelschuld, waarover par. 6.7.3. De curator is dan ook niet steeds gehouden de kosten van de enquêteprocedure te financieren. Niettemin kan de curator hier redenen toe hebben, waarover par. 6.7.4. In par. 6.7.5 bespreek ik enkele voorbeelden uit de jurisprudentie waarin de curator de kosten van het onderzoek financierde. In par. 6.7.6 onderzoek ik vervolgens de mogelijkheid tot financiering van de kosten van de enquêteprocedure door de curator op bevel van de rechter-commissaris. In par. 6.7.7 wordt ten slotte de vraag beantwoord of de curator bij de financiering van de kosten van het onderzoek in de enquêteprocedure gebruik kan maken van de Garantstellingsregeling curatoren 2012.
Ik merk nog op dat de curator die in rechte wil optreden – als enquêteverzoeker of anderszins – hiertoe een machtiging van de rechter-commissaris behoeft op grond van art. 68 lid 3 Fw.3 Hiernaast dient de curator op grond van art. 78 lid 1 Fw advies in te winnen van de schuldeiserscommissie, voor zover deze is ingesteld.4 Mij lijkt dat ieder verzoek van de curator gericht aan de raadsheer-commissaris of Ondernemingskamer een eigen machtiging en advies behoeft.5