Rb. Den Haag, 03-04-2013, nr. C/09/414823 / HA ZA 12-329
ECLI:NL:RBDHA:2013:19685
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
03-04-2013
- Magistraten
Mrs. M.J. van Cleef-Metsaars, I. Obbink-Reijngoud, J.J. van der Helm
- Zaaknummer
C/09/414823 / HA ZA 12-329
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2013:19685, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 03‑04‑2013
Uitspraak 03‑04‑2013
Mrs. M.J. van Cleef-Metsaars, I. Obbink-Reijngoud, J.J. van der Helm
Partij(en)
Vonnis van 3 april 2013
in de zaak van
- 1.
[eiser 1],
- 2.
[eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats], België,
eisers,
advocaat mr. J.L. Brens te 's‑Hertogenbosch,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE STAAT DER NEDERLANDEN (MININISTERIE VAN FINANCIËN, DIRECTORAAT-GENERAAL BELASTINGDIENST),
zetelende te 's‑Gravenhage,
gedaagde,
advocaat mr. drs. W.I. Wisman te 's‑Gravenhage.
Partijen zullen hierna [eiser 1] c.s. (in mannelijk enkelvoud) en de Staat genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- —
de dagvaarding van 22 februari 2012, met producties;
- —
de conclusie van antwoord, met producties;
- —
het tussenvonnis van 11 juli 2012, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;
- —
het proces-verbaal van comparitie van 15 oktober 2012;
- —
de brief van 15 maart 2013 van de griffie van deze rechtbank, Team Handel, waarbij de zaak is verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
[eiser 1] c.s. heeft de Belastingdienst, kantoor Buitenland te Heerlen, in verband met het voornemen om naar België te emigreren, bij brief van 27 november 2006 (onder meer) het volgende verzocht:
‘(…) Omdat ik voornemens ben met mijn vrouw in België te gaan wonen is het, alvorens daartoe een besluit te nemen, belangrijk te weten in welk land we in dat geval belasting moeten betalen. Een en ander in verband met de aftrekmogelijkheid van hypotheekrente.
Wij zijn beide 65 jaar en ontvangen dus ook beide AOW.
Ikzelf heb een uitkering bij het Spoorwegpensioenfonds en daarnaast nog een uitkering bij het ABP (…).
Het Spoorwegpensioen is dus de belangrijkste inkomstenbron.
Het SPF was tot 01.01.1994 publiekrechterlijk en dus een overheidsinstelling.
Vanaf deze datum is het SPF verzelfstandigd en nu dus Privaatrechterlijk. (…)
Gaarne verneem ik van u of, bij een verhuizing naar Belgie, mijn inkomstenbelasting in Nederland (met mogelijkheid van hypotheekrenteaftrek) of in Belgie moet worden betaald. (…)’
2.2.
Bij brief van 14 december 2006 heeft [naam 1] (hierna: ‘[naam 1]’), namens de inspecteur van Belastingen, Oost-Brabant, kantoor Eindhoven aan [eiser 1] c.s. onder meer het volgende bericht:
‘(…) Allereerst moet gekeken worden naar het belastingverdrag tussen België en Nederland. Dit verdrag is bedoeld om heffingsbevoegdheden tussen de landen te verdelen. Pensioenuitkeringen zijn als hoofdregel toebedeeld aan het woonland, in casu na emigratie dus aan België. Echter, voor overheidspensioenen geldt een uitzondering: deze zijn belast in de bronstaat: in casu Nederland. Voor wat het Spoorwegpensioenfonds ontstaat er dus een breuk in de uitkering: 29,5 / 37 × het fiscale jaarloon in Nederland te belasten en 7,5 / 37 × het fiscale jaarloon in België. Het ABP-pensioen zal getoetst moeten worden aan de criteria voor een overheidspensioen. (…)
Na emigratie naar België kunt u kiezen om behandeld te worden als binnenlands belastingplichtige, zodat u uw gehele wereldinkomen in Nederland aangeeft en vervolgens voor die bestanddelen, welke aan België worden toegewezen, in de Nederlandse aangifte vrijstelling vraagt. Op deze wijze is de Belgische woning met hypotheek in Nederland aftrekbaar, indien de aftrekbare kosten boven het eigenwoningforfait uitkomen. Als u hiervoor niet kiest, wordt u als buitenlands belastingplichtige behandeld: alleen de Nederlandse inkomensbestanddelen, uiteraard rekening houdend met de verdragtoepassing, komen in de aangifte terecht. (…)
U dient er zichzelf goed van doordrongen te zijn dat u hierin een eigen verantwoordelijkheid heeft en deze brief is slechts informerend bedoeld. Er kunnen geen rechten aan worden ontleend en de feitelijke fiscale consequenties zullen worden beoordeeld door de Nederlandse fiscus op het moment dat de aangifte wordt beoordeeld. (…)’
2.3.
Vervolgens heeft [eiser 1] c.s. aan [A] Belastingadviseurs B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: [A]) advies gevraagd over de financiële gevolgen van een emigratie naar België en verzocht om een berekening van de netto woonlasten. Bij brief van 13 februari 2007 heeft [A], onder meer, een berekening gemaakt van het bruto inkomen na aftrek van de in Nederland en België (na emigratie) verschuldigde belasting en bijdrage zorgverzekeringswet. Die berekening was mede gebaseerd op de door de Belastingdienst verstrekte informatie dat [eiser 1] c.s. een keuze had voor binnenlandse of buitenlandse belastingplicht.
2.4.
[eiser 1] c.s. heeft op 28 maart 2007 een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot een woning in België (hierna: de woning). De Coöperatieve Rabobank Valkenswaard en Waalre U.A. te Valkenswaard (hierna: de Rabobank) heeft op 23 april 2007 een offerte uitgebracht voor een aflossingsvrije hypotheek van € 360.000,00 en een overbruggingslening van € 153.000,00 voor de financiering van de woning. [eiser 1] c.s. heeft deze offerte op 26 april 2007 voor akkoord ondertekend. In deze offerte is onder meer de volgende bepaling opgenomen:
‘(…) Bij de beoordeling van uw financieringsaanvraag is de bank er vanuit gegaan dat u blijvend kiest voor het fictieve binnenlandse (Nederlandse) belastingregime in verband met de hypotheekrenteaftrek. Door deze keuze kan de bank u een hogere financiering verstrekken dan het geval zou zijn bij een keuze voor een buitenlands belastingregime. In verband hiermee dient u blijvend te kiezen voor het Nederlandse belastingregime tenzij de bank anders met u overeenkomt. (…)’
2.5.
De woning is vervolgens aan [eiser 1] c.s. overgedragen en [eiser 1] c.s. is medio 2007 naar België geëmigreerd.
2.6.
Begin 2009 heeft [eiser 1] c.s. belastingaangifte in België gedaan over het jaar 2008. Naar aanleiding hiervan heeft de Belgische fiscus zich in een aanslagbeschikking op het standpunt gesteld dat de pensioenuitkering uit het Spoorwegpensioenfonds niet (grotendeels) in Nederland, maar geheel in België dient te worden belast op grond van het Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting afgesloten tussen België en Nederland (hierna: het Verdrag). [eiser 1] c.s. heeft tegen die aanslag bezwaar gemaakt. Bij beslissing van 5 november 2009 heeft de Belgische fiscus het bezwaar van [eiser 1] c.s. afgewezen. Daarbij is, onder meer, als volgt overwogen:
‘(…) De voorliggende vraag is derhalve welk pensioenartikel van toepassing is op de uitkeringen door het Nederlandse Spoorwegpensioenfonds opgebouwd voor 1995: het artikel 18 of 19§2 van het verdrag ter voorkoming van dubbele belasting afgesloten tussen België en Nederland (verder afgekort tot DBV B-NL). De bepalingen van het artikel 19§2 DBV B-NL hebben voorrang op de bepalingen van het artikel 18 van het DBV B-NL zodat eerst na te gaan is of de in die §2 vermelde voorwaarden vervuld zijn vooraleer toepassing te maken is van het artikel 18 DBV B-NL.
Eerst en vooral is er het artikel 19§3 DBV B-NL dat handelt over bepaalde ‘overheidspensioenen’. Die §3 schrijft voor dat de regels m.b.t. pensioenuitkeringen opgebouwd tijdens een dienstbetrekking in de private sector (artikel 18) van toepassing zijn op pensioenuitkeringen verkregen terzake van diensten bewezen in het kader van een op winst gericht bedrijf uitgeoefend door een Staat, een staatkundig onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam. Hier is derhalve de vraag te beantwoorden of de NS al dan niet een op winst gericht overheidsbedrijf is. O.i. is sprake van een op winst gericht overheidsbedrijf o.a. gelet op de activiteit van de NS m.b.t. goederenvervoer en de NV rechtsvorm van de NS sedert 1937. Op basis van deze argumentatie is het artikel 18 van toepassing op het volledig pensioenbedrag zodat de woonstaat België hierover het recht heeft belasting te heffen. (…)’
2.7.
[eiser 1] c.s. heeft geen beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. [eiser 1] c.s. heeft de Belastingdienst bij brief van 10 maart 2010 geïnformeerd over het door de Belgische fiscus ingenomen standpunt. Bij brief van 9 augustus 2010 heeft de Belastingdienst ([naam 1]), onder meer, het volgende aan [eiser 1] c.s. bericht:
‘(…) De conclusie (…) is dat ik een onjuist standpunt heb ingenomen in mijn brief van 14 december 2006 ten aanzien van de status van een NS-pensioen. De NS is weliswaar op 1 januari 1994 (verder) verzelfstandigd, maar is altijd een naamloze vennootschap geweest met de Staat der Nederlanden als enig aandeelhouder. Het is dus geen staatsbedrijf maar een privaatrechtelijke onderneming. Om deze reden is artikel 19 (overheidsartikel) niet van toepassing en komt de hoofdregel met betrekking tot pensioenen van artikel 18 aan bod: dit betekent dat het woonland de heffingsbevoegdheid krijgt toegewezen. Zo de NS vóór 1994 wel als een overheidsbedrijf bestempeld zou moeten worden, volgt uit artikel 19, derde lid dat het pensioen toch weer aan het woonland wordt toegewezen vanwege de stelling dat de NS een op winst gericht overheidsbedrijf zou zijn. (…) Gelet op het bovenstaande moet ik mijn standpunt van 14 december 2006 herzien. Indien, zoals in uw situatie het geval is, de pensioenuitkeringen in België volgens een aldaar geldend normaal tarief worden belast, is er voor de Nederlandse Staat geen plaats voor heffing over deze inkomsten. (…)’
2.8.
De advocaat van [eiser 1] c.s. heeft de Staat (de Belastingdienst) bij brief van 1 november 2010 aansprakelijk gesteld voor de schade die [eiser 1] c.s. lijdt als gevolg van de verstrekte onjuiste informatie met betrekking tot de aftrekbaarheid van de hypotheekrente voor de Belgische woning van [eiser 1] c.s. via de Nederlandse inkomstenbelasting.
2.9.
De Staat heeft aansprakelijkheid voor de door [eiser 1] c.s. gestelde schade bij brieven van 13 april 2011 en 18 november 2011 van de hand gewezen.
3. Het geschil
3.1.
[eiser 1] c.s. vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis,
- (i)
een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig jegens [eiser 1] c.s. heeft gehandeld en veroordeling van de Staat tot vergoeding van de geleden en nog te lijden schade, vermeerderd met de wettelijke rente, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
- (ii)
veroordeling van de Staat tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 6.061,03 en de proceskosten.
3.2.
[eiser 1] c.s. legt hieraan — samengevat — het volgende ten grondslag. Op basis van, naar achteraf is gebleken, onjuiste informatie van de Belastingdienst is [eiser 1] c.s. er vanuit gegaan dat hij na emigratie naar België gebruik kon blijven maken van de Nederlandse regeling van hypotheekrenteaftrek. Volgens [eiser 1] c.s. levert het verstrekken van deze onjuiste informatie een onrechtmatige daad op, en de Staat dient primair op grond van artikel 6:170 van het Burgerlijk Wetboek (BW) als werkgever van [naam 1] in te staan voor de schade die als gevolg van dit onrechtmatig handelen is ontstaan. Subsidiair stelt [eiser 1] c.s. dat het verstrekken van voormelde onjuiste informatie heeft te gelden als een eigen onrechtmatige daad van de Staat. [eiser 1] c.s. stelt voorts dat, indien hij juiste informatie over de aftrekbaarheid van de hypotheekrente had verkregen, hij van emigratie had afgezien, dan wel een woning in een andere prijscategorie zou hebben gekocht. De daadwerkelijke schade laat zich volgens [eiser 1] c.s. thans nog niet begroten. Wel is duidelijk dat een bedrag aan hyptheekrente van € 16.920,00 jaarlijks niet aftrekbaar blijkt. Bij een heffing van 50% zou het netto inkomen over de periode 2007–2017 per jaar € 8.460,00 hoger zijn geweest. Dit betekent dat gedurende de eerste tien jaar in ieder geval een schade van € 84.600,00 wordt geleden. Het schadebedrag na 1 juli 2017 kan volgens [eiser 1] c.s. nog niet worden berekend omdat de vanaf die datum verschuldigde hypotheekrente nog niet vaststaat.
3.3.
De Staat voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1.
Vaststaat dat [naam 1], namens de Belastingdienst, heeft erkend in zijn brief van 14 december 2006 een onjuist standpunt te hebben ingenomen ten aanzien van de status van het Spoorwegpensioenfonds. In de brief van 9 augustus 2010 heeft [naam 1] het pensioen nader gekwalificeerd als een pensioen van een privaatrechtelijke onderneming zodat het woonland (België) bevoegd is belasting te heffen over uitkeringen uit dat fonds. Daaraan heeft [naam 1] toegevoegd dat ook als de NS vóór 1994 als overheidsbedrijf moet worden aangemerkt België bevoegd blijft over de pensioenuitkeringen belasting te heffen, omdat in dat geval sprake is van een op winst gericht overheidsbedrijf. In de brief van 14 december 2006 was opgenomen dat de heffingsbevoegdheid ten aanzien van inkomsten uit het Spoorwegpensioenfonds als een overheidspensioen aan Nederland (als bronstaat) was toegewezen. Nu de Belastingdienst zich in zijn brief van 9 augustus 2010 nader op het standpunt heeft gesteld dat de heffing over de uitkeringen uit het Spoorwegpensioenfonds aan België en dus niet aan Nederland is toegewezen, blijft er voor [eiser 1] c.s onvoldoende belastbaar inkomen in Nederland over om gebruik te kunnen maken van de hypotheekrenteaftrek. De vraag die partijen thans verdeeld houdt is of de Staat aansprakelijk kan worden gehouden voor bovengenoemde onjuiste uitlating van de Belastingdienst in de brief van 14 december 2006.
4.2.
De rechtbank neemt bij de beantwoording van deze vraag tot uitgangspunt de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake aansprakelijkheid van de overheid voor onjuiste of onvolledige inlichtingen, zoals laatstelijk bepaald in het arrest van de Hoge Raad van 25 mei 2012 (LJN: BW0219, Van Zoggel-arrest). Anders dan de Staat heeft aangevoerd, kan in het onderhavige geval niet één op één de fiscale jurisprudentie van de Hoge Raad worden toegepast (zoals opgenomen in ondermeer HR 26 september 1979, LJN: AM4918 en 9 maart 1988, LJN: ZC3780). Immers, die rechtspraak gaat steeds om de vraag of de betrokken belastinginspecteur voor de belastingheffing al dan niet is gebonden aan verstrekte inlichtingen of toezeggingen. Daarbij wordt in het licht van de beginselen van behoorlijk bestuur getoetst of die specifieke onjuiste inlichting of toezegging op grond van het vertrouwensbeginsel — kort gezegd — ertoe moet leiden dat strikte toepassing van de desbetreffende belastingregels (het legaliteitsbeginsel) achterwege wordt gelaten, hetgeen ertoe leidt dat in dat geval een bepaald inkomensbestanddeel niet in de belastingheffing wordt betrokken. Het gaat daarbij stellig en anders dan in deze zaak dus niet om de vraag of de Belastingdienst op enige wijze aansprakelijk is voor een onjuiste inlichting of toezegging, maar slechts om de gevolgen daarvan voor de belastingheffing.
4.3.
De Hoge Raad heeft in het Van Zoggel-arrest geoordeeld dat het antwoord op de vraag of een overheidsorgaan aansprakelijk is voor verstrekte onjuiste informatie afhangt van de omstandigheden van het geval, waaronder in de eerste plaats de inhoud van het gedane verzoek en hetgeen het betrokken bestuurorgaan daaromtrent heeft moeten begrijpen en de aard en inhoud van de door het bestuursorgaan in antwoord daarop gegeven inlichtingen en hetgeen de belanghebbende daaromtrent heeft moeten begrijpen. Eerst indien de belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven, kan plaats zijn voor het oordeel dat het verstrekken van die inlichtingen, indien deze onjuist of onvolledig zijn, onrechtmatig is jegens de belanghebbende en dat het betrokken bestuursorgaan deswege jegens de belanghebbende aansprakelijk is doordat deze door die onjuiste of onvolledige inlichtingen kort gezegd op het verkeerde been is gezet.
4.4.
De rechtbank overweegt als volgt. [eiser 1] c.s. heeft in zijn verzoek om informatie over de gevolgen van emigratie voor de hypotheekrenteaftrek aan de Belastingdienst geschreven dat hij een pensioenvoorziening uit het Spoorwegpensioenfonds had, en dat dit pensioenfonds tot 1 januari 1994 had te gelden als een publiekrechtelijke instelling en (in de woorden van [eiser 1] c.s.) ‘dus een overheidsinstelling’ (zie hiervoor onder 2.1). [eiser 1] c.s. heeft ter comparitie toegelicht dat hij die informatie weer had gekregen van het Spoorwegpensioenfonds zelf. De Belastingdienst heeft dit (onjuiste) uitgangspunt vervolgens overgenomen en daarop zijn reactie gebaseerd, zonder zelf nader onderzoek te doen naar de vraag of uitkeringen uit het Spoorwegpensioenfonds wel als overheidspensioen kunnen worden aangemerkt, dan wel moeten worden aangemerkt als pensioenuitkeringen van een op winst gericht overheidsbedrijf. Bij de beantwoording van de vraag of de Belastingdienst aansprakelijk is voor de door hem verstrekte inlichtingen, stelt de rechtbank voorop dat de Belastingdienst in zoverre een bijzondere positie inneemt in de samenleving dat de Belastingdienst met betrekking tot de heffing van belastingen ook een belangrijke en laagdrempelige voorlichtende functie heeft. Naar het oordeel van de rechtbank strookt daarmee niet dat in het kader van die voorlichtende functie door de Belastingdienst zelfstandig onderzoek wordt gedaan naar de juistheid van de hem aangeleverde gegevens. Het is van belang dat de Belastingdienst de vrijheid behoudt om zijn voorlichtende functie onbelemmerd te kunnen vervullen zonder dat hij voor verstrekte onjuiste inlichtingen direct aansprakelijk wordt gehouden. Dat uitgangspunt noopt, ook binnen het hierboven beschreven kader dat volgt uit de recente jurisprudentie van de Hoge Raad, tot terughoudendheid bij beoordeling van vorderingen als de onderhavige. De rechtbank overweegt daarbij voorts dat de Belastingdienst in dit geval uit het verzoek heeft mogen begrijpen dat [eiser 1] c.s. informatie wenste te krijgen over de mogelijkheden van hypotheekrenteaftrek na emigratie, uitgaande van de door [eiser 1] c.s. zelf geschetste situatie dat het Spoorwegpensioen een overheidspensioen was. Het is de Belastingdienst niet aan te rekenen dat hij op die voet is voortgegaan en op basis van die concrete gegevens uit het verzoek een (achteraf gebleken) onjuiste inlichting heeft verstrekt dat [eiser 1] c.s. de mogelijkheid had om hypotheekrente van de Belgische woning in Nederland af te trekken.
4.5.
Dit geldt temeer nu [eiser 1] c.s. de beslissing om te emigreren niet alleen op basis van de brief van de Belastingdienst van 14 december 2006 heeft genomen, maar ook een eigen fiscaal adviseur ([A]) heeft ingeschakeld. Deze is echter uitgegaan — zo begrijpt de rechtbank — van de informatie als gegeven in de brief van de Belastingdienst van 14 december 2006 en dus van de onjuiste veronderstelling dat het Spoorwegpensioen in Nederland zou worden belast en de hypotheekrenteaftrek was gewaarborgd. De fiscaal adviseur heeft zich beperkt tot het doorrekenen van de fiscale gevolgen voor het inkomen. De rechtbank overweegt echter dat van [eiser 1] c.s. mag worden verwacht dat hij zich gedegen laat informeren over de fiscale gevolgen van een zwaarwegende beslissing als het emigreren naar het buitenland en het kopen van een nieuwe woning met een hypothecaire geldlening, en niet uitsluitend afgaat op de inlichtingen van de Belastingdienst daaromtrent. [eiser 1] c.s. heeft daartoe een eigen verantwoordelijkheid. De Belastingdienst heeft die eigen verantwoordelijkheid met zoveel woorden ook bij [eiser 1] c.s. neergelegd in zijn brief van 14 december 2006, door in de laatste alinea te vermelden dat de brief slechts informerend is bedoeld en dat er geen rechten aan kunnen worden ontleend.
4.6.
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de Belastingdienst (en daarmee de Staat) niet onrechtmatig jegens [eiser 1] c.s. heeft gehandeld. De vorderingen van [eiser 1] c.s. zullen derhalve worden afgewezen, met veroordeling van [eiser 1] c.s. als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten.
5. De beslissing
De rechtbank:
5.1.
wijst het gevorderde af;
5.2.
veroordeelt [eiser 1] c.s. in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op € 575,00 aan verschotten en € 904,00 aan salaris advocaat, alsmede de nakosten van € 131,00 dan wel € 199,00, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en — voor het geval voldoening niet binnen die termijn plaatsvindt — te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf bedoelde termijn tot de dag der algehele voldoening;
5.3.
verklaart de onder 5.2 vermelde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mrs. M.J. van Cleef-Metsaars, I. Obbink-Reijngoud en J.J. van der Helm en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2013.