Rb. Gelderland, 12-02-2020, nr. NL19.8256
ECLI:NL:RBGEL:2020:1132
- Instantie
Rechtbank Gelderland
- Datum
12-02-2020
- Zaaknummer
NL19.8256
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBGEL:2020:1132, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 12‑02‑2020; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBGEL:2020:977, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 08‑01‑2020; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBGEL:2019:4527, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 11‑10‑2019; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 12‑02‑2020
Inhoudsindicatie
Verzekeringsrecht; arbeidsongeschiktheidsverzekering. Vordering tot terugbetaling van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ivm schending mededelingsplicht (artikel 7:941 BW) met opzet tot misleiding. Verval van recht op uitkering en recht op premievrijstelling. Verzekerde moet onverschuldigd betaalde uitkeringen, achterstallige premies en onderzoekskosten terugbetalen aan verzekeraar. Eindvonnis na tussenvonnissen (ECLI:NL:RBGEL:2019:4527 en ECLI:NL:RBGEL:2020:977)
Partij(en)
Vonnis
_________________________________________________________________ _
RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
zaaknummer: NL19.8256
Vonnis van 12 februari 2020
in de zaak van
de naamloze vennootschapMOVIR N.V., gevestigd te Nieuwegein, eiseres, hierna te noemen: Movir, advocaat mr. E.J. Wervelman te Utrecht,
tegen
[verweerder] wonende te [woonplaats] , verweerder, hierna te noemen: [verweerder] , advocaat mr. G.S. Jongstra te Almere.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 8 januari 2020
- de akte uitlating producties van Movir.
1.2.
Vervolgens is opnieuw vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
Kosten van medisch, arbeidsdeskundig en andersoortig onderzoek
2.1.
De enige kwestie die na de voorgaande tussenvonnissen nog voorligt, is de vraag of vanaf de schade-aangifte op 25 augustus 2009 al sprake was van schending van de mededelingsplicht door [verweerder] . De rechtbank heeft overwogen dat als komt vast te staan dat [verweerder] pas in de loop van de behandeling van de schade-aangifte onjuist is gaan verklaren, alleen de daarna gemaakte kosten nodeloos zijn gemaakt door Movir (tussenvonnis 8 januari 2020, r.o. 2.9). Movir heeft betoogd dat [verweerder] al vanaf de schade-aangifte zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Zij heeft daarbij verwezen naar een overzicht van de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie (KNHS) dat deel uitmaakt van productie 26 bij procesinleiding en waaruit volgens Movir blijkt dat [verweerder] slechts enkele dagen na de schade-aangifte heeft deelgenomen aan wedstrijden. Ter onderbouwing van zijn betwisting dat hij degene was die op het deelnemende paard zat tijdens deze wedstrijden heeft [verweerder] de producties 71 tot en met 75 in het geding gebracht. Met deze producties wil [verweerder] nader onderbouwen dat het in de paardenwereld niet ongebruikelijk is dat een ruiter start met een pas die op naam van een ander staat. De startpassen zijn niet voorzien van een foto en hoeven niet te worden getoond aan de start. Hierdoor is het eenvoudig om met andermans pas en zelfs op een ander paard dan op de pas vermeld staat, te starten. Dit gebeurt op grote schaal en op nagenoeg ieder niveau, aldus [verweerder] . Bij het tussenvonnis van 8 januari 2020 heeft de rechtbank Movir in de gelegenheid gesteld op deze producties te reageren. Movir heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt. De rechtbank overweegt naar aanleiding daarvan het volgende.
2.2.
Productie 71 van [verweerder] omvat samenvattingen van uitspraken van het Tuchtcollege van de KNHS waarbij ruiters en amazones zijn veroordeeld (onder meer) omdat zij op onjuiste startpassen aan wedstrijden hebben deelgenomen. Movir voert in haar akte uitlating producties terecht aan dat geen van deze uitspraken betrekking heeft op [verweerder] , zodat niet valt in te zien op welke grond de inhoud daarvan steun biedt aan zijn betoog dat hij niet degene was die tijdens de wedstrijden op het paard zat, maar iemand anders die met zijn startpas reed. De uitspraken onderbouwen daarentegen het standpunt van Movir, dat het niet is toegestaan om op het startbewijs van een ander te starten en dat het alleen is toegestaan te starten met een startpas op naam van de combinatie ruiter-paard.
2.3.
Als productie 72 heeft [verweerder] een foto van een oude startpas van hemzelf – dan nog genaamd [de heer X] – overgelegd. Hij wijst er daarbij op dat er geen foto van de ruiter of amazone, noch uiterlijke kenmerken worden vermeld op de startpassen van de KNHS. Zoals Movir echter terecht aanvoert, heeft deze startpas als ingangsdatum 10 mei 2012. De pas heeft dus geen betrekking op de periode waarover het hier gaat, namelijk het schenden van de mededelingsplicht door [verweerder] vanaf de schade-aangifte op 25 augustus 2009. Ook productie 72 kan dus niet dienen ter onderbouwing van het standpunt van [verweerder] .
2.4.
Productie 73 behelst een schriftelijke verklaring van [de heer Z] . Volgens [verweerder] verbleef [de heer Z] in de periode dat [verweerder] arbeidsongeschikt raakte en een arbeidsongeschiktheidsuitkering van Movir ontving, langdurig bij hem in het bedrijf. [de heer Z] trainde paarden en reed deze paarden ook regelmatig op wedstrijden, aldus [verweerder] . [de heer Z] verklaart in productie 73 dat hij in de periode dat [verweerder] lichamelijke klachten kreeg, in Nederland verbleef en dat hij van 2009 tot eind 2012 de paarden trainde en op de concoursen startte met de pas van [verweerder] . Naar het oordeel van de rechtbank kan ook aan deze productie niet de door [verweerder] gewenste waarde worden toegekend. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [verweerder] tot aan het nemen van de akte waarbij deze productie is gevoegd nooit over [de heer Z] heeft gesproken. Ook de getuigen die tijdens het onderzoek door de politie zijn gehoord hebben de naam [de heer Z] niet genoemd. Hierbij komt dat [verweerder] zelf tijdens zijn verhoor door de politie op 25 november 2015 (gestempeld paginanummer 143 van productie 26 bij procesinleiding) heeft verklaard dat hij direct na de melding van arbeidsongeschiktheid in het begin een aantal wedstrijden heeft gereden, om zijn lichaam te testen, en dat hij tegen Movir wel heeft gezegd dat hij zijn lichaam ging testen, maar niet dat hij wedstrijden had gereden. Deze verklaring strookt niet met het standpunt dat [verweerder] in deze procedure heeft ingenomen, namelijk dat hij Movir wel degelijk heeft gemeld dat hij weleens wedstrijden reed. De overgelegde verklaring van [de heer Z] kan hieraan niet toe- of afdoen.
2.5.
De producties 74 en 75 omvatten een aantal foto’s van ruiters te paard in actie. Volgens [verweerder] staat hij zelf op de foto’s in productie 74 en is [de heer Z] de ruiter op de foto’s in productie 75. Volgens [verweerder] is de uiterlijke gelijkenis tussen hen beiden groot. Movir betwist dat [verweerder] en/of [de heer Z] op één van de foto’s is te zien. Zij voert terecht aan dat de foto’s van matige kwaliteit zijn en dat een duidelijke foto van [de heer Z] ontbreekt, zodat iedere vergelijking voor haar en de rechtbank onmogelijk is. Verder betwist Movir dat de foto’s zien op de periode waarover het in deze zaak gaat, nu een datering geheel ontbreekt. Op de laatste foto in productie 75 zijn bovendien Italiaanstalige tekstborden in beeld, waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat de foto is gemaakt op een wedstrijd in Italië, aldus Movir. Deze constateringen van Movir zijn juist. Gelet hierop voert Movir dan ook terecht aan dat de foto’s niets zeggen over de wedstrijden in Nederland in 2009 die staan vermeld op het startschema dat zij heeft overgelegd als onderdeel van het proces-verbaal van politie (de meergenoemde productie 26 bij procesinleiding). De foto’s kunnen dus niet dienen als onderbouwing van het betoog van [verweerder] .
2.6.
De slotsom luidt dan ook dat geen van de producties 71 tot en met 75 van [verweerder] steun biedt aan diens betwisting dat hij degene was die op het deelnemende paard reed vanaf de schade-aangifte op 25 augustus 2009. Daarom houdt de rechtbank het ervoor dat vanaf de schade-aangifte op 25 augustus 2009 al sprake was van schending van de mededelingsplicht door [verweerder] . Hieruit volgt dat alle door Movir gemaakte kosten van medisch, arbeidsdeskundig en andersoortig onderzoek – ter hoogte van in totaal € 16.338,41 – nodeloos door haar zijn gemaakt. Deze kosten betreffen dan ook schade voor Movir. Haar vordering, die strekt tot vergoeding van deze schade door [verweerder] , is toewijsbaar.
Slotoverwegingen
2.7.
Hetgeen de rechtbank in de tussenvonnissen van 11 oktober 2019 en 8 januari 2020 en in dit vonnis heeft overwogen en beslist, komt in het kort op het volgende neer.
[verweerder] heeft zijn mededelingsplicht geschonden door niet aan Movir te melden dat hij heeft gewerkt in diverse periodes waarin hij zich volledig arbeidsongeschikt had gemeld (tussenvonnis 11 oktober 2019, r.o. 4.12).
[verweerder] heeft de betreffende informatie bewust verzwegen en heeft Movir opzettelijk willen misleiden (tussenvonnis 11 oktober 2019, r.o. 4.13).
Movir is hierdoor onvoldoende in staat gesteld om het recht op uitkering op juiste gronden vast te stellen en zij is dus in haar redelijk belang geschaad, met als gevolg het verval van het recht op uitkering op grond van artikel 7:941 lid 5 BW in verbinding met artikel 6.1 lid 3 van de polisvoorwaarden (tussenvonnis 11 oktober 2019, r.o. 4.16).
Movir heeft de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen gelet hierop zonder rechtsgrond en dus onverschuldigd aan [verweerder] betaald. Het gaat om een bedrag van in totaal € 182.147,34 (bruto). Voor zover de vordering van Movir strekt tot terugbetaling van dit bedrag, is zij toewijsbaar (tussenvonnis 11 oktober 2019, r.o. 4.17-4.18).
Ook het recht op premievrijstelling is vervallen. [verweerder] zal de achterstallige premies moeten voldoen (tussenvonnis 11 oktober 2019, r.o. 4.19). De daartoe strekkende vordering – ter hoogte van € 21.064,75 – is toewijsbaar (tussenvonnis 8 januari 2020, r.o. 2.4).
[verweerder] heeft niet of onvoldoende gemotiveerd betwist dat Movir de kosten van medisch, arbeidsdeskundig en andersoortig onderzoek ter hoogte van in totaal € 16.338,41, zoals vermeld op haar productie 58, heeft betaald of vergoed, zodat vast staat dat Movir dit heeft gedaan (tussenvonnis 8 januari 2020, r.o. 2.8).
Vanaf de schade-aangifte op 25 augustus 2009 was al sprake van schending van de mededelingsplicht door [verweerder] . Movir heeft dus alle kosten van medisch, arbeidsdeskundig en andersoortig onderzoek nodeloos gemaakt. Haar vordering, die strekt tot vergoeding van deze kosten ter hoogte van in totaal € 16.338,41, is dan ook toewijsbaar (dit vonnis, r.o. 2.6).
2.8.
De rechtbank zal gelet hierop de vordering van Movir tot betaling door [verweerder] aan haar van € 219.550,50 (€ 182.147,34 + € 21.064,75 + € 16.338,41) toewijzen. Voor matiging van het toewijsbare bedrag, zoals door [verweerder] verzocht, ziet de rechtbank geen aanleiding. [verweerder] heeft in dit verband, bezien in het licht van al hetgeen Movir heeft aangevoerd, onvoldoende onderbouwd dat Movir een onduidelijk beleid heeft gevoerd tijdens de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] en dat Movir vage, weinig concrete afspraken met [verweerder] heeft gemaakt. Aan dit betoog van [verweerder] gaat de rechtbank daarom voorbij. Ook de door [verweerder] aangevoerde omstandigheid dat hij een zeer beperkte financiële draagkracht heeft leidt, wat daarvan verder ook zij, niet tot het oordeel dat het toewijsbare bedrag zou moeten worden gematigd. [verweerder] heeft Movir opzettelijk misleid en de financiële consequenties daarvan zal hij zelf moeten dragen.
2.9.
De rechtbank zal de wettelijke rente als onweersproken toewijzen vanaf de data waarop de diverse deelbetalingen waaruit het totaalbedrag is opgebouwd door Movir aan [verweerder] en derden zijn gedaan tot de dag van de algehele voldoening.
2.10.
Movir vordert [verweerder] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 963,83 voor verschotten en € 2.402,00 voor salaris advocaat (1 rekest × € 2.402,00), tezamen € 3.365,83.
2.11.
[verweerder] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. De rechtbank begroot deze kosten aan de kant van Movir volgens het standaardtarief op:
- betekening oproeping € 103,68
- griffierecht 3.391,00 (exclusief beslag)
- salaris advocaat 7.206,00 (3,0 punten × tarief € 2.402,00)
Totaal € 10.700,68
2.12.
De gevorderde nakosten en de wettelijke rente daarover zijn toewijsbaar als vermeld onder de beslissing.
2.13.
Naar het oordeel van de rechtbank is er rechtens geen grond om het vonnis – zoals [verweerder] verzoekt – niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De maatstaf voor het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een vonnis is of het belang van degene die een toewijzend vonnis – met veroordeling van de wederpartij – verkrijgt, zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij die mogelijk in hoger beroep wil gaan en belang heeft bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. Aan de door [verweerder] aangevoerde omstandigheid dat zijn financiële draagkracht beperkt is, komt naar het oordeel van de rechtbank minder gewicht toe dan aan het belang van Movir om niet langer te hoeven wachten op hetgeen haar – althans voorshands na een volledig en afgesloten onderzoek in eerste aanleg – toekomt. Dit geldt te meer daar het hier gaat om opzettelijke misleiding van Movir door [verweerder] . Voornoemde belangenafweging moet dan ook in het voordeel van Movir worden beslist.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
veroordeelt [verweerder] om aan Movir te betalen een bedrag van € 219.550,50 (tweehonderdnegentienduizendvijfhonderdvijftig euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf de data waarop de diverse deelbetalingen waaruit het totaalbedrag is opgebouwd door Movir aan [verweerder] en derden zijn gedaan, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [verweerder] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 3.365,83,
3.3.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten, aan de zijde van Movir tot op heden begroot op € 10.700,68,
3.4.
veroordeelt [verweerder] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [verweerder] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2020.
JE/St
Uitspraak 08‑01‑2020
Inhoudsindicatie
Verzekeringsrecht; arbeidsongeschiktheidsverzekering. Schending mededelingsplicht (7:941 BW). Onderzoekskosten. Vraag of al sprake was van schending vanaf datum schade-aangifte. Verzekeraar mag nog reageren op producties. Volgt op ECLI:NL:RBGEL:2019:4527.
Partij(en)
vonnis
_________________________________________________________________ _
RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
zaaknummer: NL19.8256
Vonnis van 8 januari 2020
in de zaak van
de naamloze vennootschapMOVIR N.V., gevestigd te Nieuwegein, eiseres, hierna te noemen: Movir, advocaat mr. E.J. Wervelman te Utrecht,
tegen
[verweerder] wonende te [woonplaats] , verweerder, hierna te noemen: [verweerder] , advocaat mr. G.S. Jongstra te Almere.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 oktober 2019
- de akte na tussenvonnis van Movir
- de akte van [verweerder] .
1.2.
Vervolgens is opnieuw vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
Korte samenvatting van het tussenvonnis van 11 oktober 2019
2.1.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat [verweerder] – door niet aan Movir te melden dat hij heeft gewerkt in diverse periodes waarin hij volledig arbeidsongeschikt was gemeld – heeft gehandeld in strijd met de verplichting die op grond van artikel 6.1 van de polisvoorwaarden in samenhang met artikel 7:941 lid 2 BW op hem rustte om Movir alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen die voor Movir van belang waren om haar uitkeringsplicht te beoordelen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat [verweerder] de betreffende informatie bewust heeft verzwegen en Movir opzettelijk heeft willen misleiden. Dit heeft geleid tot het oordeel van de rechtbank dat het recht van [verweerder] op de arbeidsongeschiktheidsuitkering is komen te vervallen, en deze misleiding niet zo klein is dat het verval van recht een te zwaar gevolg zou zijn (artikel 7:941 lid 5, slot, BW/artikel 6.1 lid 4 polisvoorwaarden). De rechtbank heeft overwogen dat, nu vast staat dat het recht op uitkering is komen te vervallen, daarmee ook vast staat dat Movir de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zonder rechtsgrond, dus onverschuldigd, aan [verweerder] heeft betaald. [verweerder] heeft niet betwist dat aan hem in totaal € 182.147,34 (bruto) aan uitkeringen is betaald, zodat in rechte vast staat dat dat bedrag onverschuldigd is betaald. Voor zover de vordering van Movir strekt tot terugbetaling van dit bedrag, heeft de rechtbank de vordering dan ook toewijsbaar geacht.
Achterstallige premies
2.2.
Bij het tussenvonnis heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen, in de eerste plaats om Movir in de gelegenheid te stellen haar vordering met betrekking tot de achterstallige premies – in verband met het vervallen van het recht op premievrijstelling – nader te specificeren en onderbouwen. Movir heeft daarop bij akte (opnieuw) verwezen naar de bij haar productie 57 overgelegde facturen, die zij bij productie 70 nogmaals in het geding heeft gebracht. Het betreft de volgende stukken:
- een factuur van 5 maart 2015 met betrekking tot premieteruggave over de periode 1 maart 2014 tot 1 maart 2015, ter hoogte van € 5.368,24;
- een factuur van 31 maart 2014 die betrekking heeft op de premieteruggave over de periode 1 maart 2013 tot 1 maart 2014, ter hoogte van € 4.992,24;
- een factuur van 22 maart 2013 die ziet op de premieteruggave over de periode 1 maart 2012 tot 1 maart 2013, ter hoogte van € 4.562,28;
- een factuur van 29 februari 2012 vanwege de premieteruggave over de periode 1 maart 2011 tot 1 maart 2012, ter hoogte van € 4.162,08;
- een factuur van 25 februari 2011 in verband met de premieteruggave over de periode 22 augustus 2010 tot 1 maart 2011, ter hoogte van een bedrag van € 1.979,91.
2.3.
[verweerder] heeft bij antwoordakte aangevoerd dat hij niet kan nagaan wat de herkomst is van het A4’tje – de eerste pagina van de producties 57 en 70 van Movir – waarop een optelsom van de hierboven genoemde bedragen staat vermeld. Datzelfde geldt volgens [verweerder] voor de documenten van 5 maart 2015, 31 maart 2014, 22 maart 2013, 29 februari 2012 en 25 februari 2011. [verweerder] betoogt dat in deze stukken een berekening is uiteengezet van provisie voor “ene Univé Oost BV”, die ook als geadresseerde staat vermeld. De per document verschillende bedragen die zijn vermeld, bieden volgens [verweerder] geen inzicht in de wijze waarop deze zijn opgebouwd of waarop de bedragen zien. Verder wijst [verweerder] erop dat de adressering van de betreffende documenten op een ongebruikelijke en onlogische wijze is geplaatst. Hij werpt de vraag op of een dergelijk stuk, als het ooit wordt verzonden, überhaupt de geadresseerde zal bereiken en voert aan dat hijzelf in ieder geval niet eerder bekend is geweest met deze stukken.
2.4.
De rechtbank is van oordeel dat Movir met het overleggen van de onderliggende facturen haar vordering met betrekking tot de premievrijstellingen die ten onrechte aan [verweerder] zijn verleend afdoende heeft onderbouwd. Naar de rechtbank begrijpt, is het A4’tje waarvan de herkomst voor [verweerder] niet duidelijk is, de door Movir zelf op papier gezette optelsom van de factuurbedragen op de facturen die achter dat A4’tje zijn gevoegd. Aan [verweerder] kan worden toegegeven dat deze facturen een wat onoverzichtelijke opmaak hebben. De rechtbank gaat er echter van uit dat dit kan worden verklaard doordat het kopiefacturen betreft, zoals blijkt uit de vermelding bovenaan elke factuur: “Kopie Delta Lloyd”. De opmaak doet aan de inhoud van de facturen ook niet af. Delta Lloyd is de rechtsvoorgangster van Movir, hetgeen de herkomst van de facturen verklaart. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat op elk van de facturen de naam en het adres staan vermeld van [de heer X] , wat voorheen de naam was van [verweerder] . Voorts vermeldt iedere factuur dat hij ziet op premierestitutie en over welke periode en om welk bedrag het gaat. Er kan dus ook geen misverstand over bestaan op wie en waarop de facturen betrekking hebben. Univé Oost B.V., de geadresseerde van de facturen, is of was kennelijk de assurantietussenpersoon van Movir/Delta Lloyd. Dit kan verklaren waarom [verweerder] , zoals hij aanvoert, zelf niet eerder bekend is geweest met deze stukken. In het licht van het voorgaande heeft [verweerder] zijn betwisting van de onderbouwing van de vordering met betrekking tot achterstallige premies onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank verwerpt daarom zijn verweer op dit punt. In het tussenvonnis onder 4.19 heeft de rechtbank al geoordeeld dat het recht op premievrijstelling is vervallen en dat [verweerder] de achterstallige premies alsnog moet voldoen. Uit de door Movir overgelegde en, gezien het voorgaande, door [verweerder] onvoldoende gemotiveerd betwiste facturen blijkt duidelijk om welke bedragen het gaat. De vordering tot terugbetaling van deze achterstallige premies ligt daarmee voor toewijzing gereed.
Kosten van medisch, arbeidsdeskundig en andersoortig onderzoek
2.5.
Bij het tussenvonnis heeft de rechtbank Movir verder in de gelegenheid gesteld de kostenopstelling wat betreft de kosten van [praktijk Z] te verduidelijken en te onderbouwen
vanaf welk moment sprake is van onjuiste mededelingen van [verweerder] .
2.6.
Movir heeft bij akte na tussenvonnis aangevoerd dat zij in de loop van de tijd uit coulance de helft van de kosten van fysiotherapie bij [praktijk Z] te [woonplaats] aan [verweerder] heeft vergoed. Ter onderbouwing hiervan wijst Movir op een kostenoverzicht dat zij als productie 57 in het geding zou hebben gebracht. Daaruit blijkt volgens Movir dat de totale kosten van [praktijk Z] € 8.182,44 bedragen. Zij betoogt dat zij daarvan 50% heeft vergoed, oftewel € 4.091,22.
2.7.
[verweerder] heeft er bij antwoordakte op zichzelf terecht op gewezen dat in productie 57 van Movir niets is terug te vinden van een kostenoverzicht met betrekking tot de fysiotherapie bij [praktijk Z] . Productie 57 bevat enkel het A4’tje plus achterliggende facturen met betrekking tot de premierestitutie waarover de rechtbank in het voorgaande heeft geoordeeld. Productie 57 kan dus niet dienen als onderbouwing of nadere specificatie van de gevorderde kosten van [praktijk Z] . De rechtbank gaat er echter vanuit dat Movir doelde op productie 58. De eerste pagina van die productie betreft namelijk een kostenoverzicht, dat begint met een reeks aan “ [praktijk Z] ” gekoppelde bedragen. Verder staan op dat overzicht nog diverse andere bedragen, maar dan zonder bijbehorende omschrijving. Het geheel sluit op het door Movir gevorderde bedrag van € 16.338,41 aan kosten van medisch, arbeidsdeskundig en andersoortig onderzoek.
2.8.
De rechtbank constateert dat de bedragen op de facturen die Movir als onderdeel van productie 58 in het geding heeft gebracht, stroken met de bedragen op het kostenoverzicht waarmee die productie 58 begint. [verweerder] heeft ten aanzien van de facturen op dat overzicht die niet afkomstig zijn van [praktijk Z] niet weersproken dat Movir deze heeft betaald. Daarmee staat vast dat Movir dit heeft gedaan. [verweerder] heeft op zichzelf ook niet weersproken dat de afspraak was dat Movir de facturen van [praktijk Z] voor de helft zou vergoeden. Ook dit staat dus vast. [verweerder] betoogt echter dat uit niets blijkt dat Movir de betreffende facturen van [praktijk Z] geheel of gedeeltelijk heeft betaald of vergoed. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Movir echter afdoende onderbouwd dat dit is gebeurd. Zo heeft Movir gewezen op een telefoonnotitie van [de heer Q] ) van Movir met betrekking tot een telefoongesprek met [verweerder] op 19 november 2010. Volgens die notitie, die deel uitmaakt van productie 58, is in dat gesprek de afspraak gemaakt dat Movir de nota’s voor fysiotherapie voor de helft zal vergoeden en dat [verweerder] één keer per twee maanden nota’s zal sturen. Dat [verweerder] dit ook heeft gedaan, blijkt uit een e-mailbericht van [verweerder] van 30 januari 2011 (eveneens onderdeel van productie 58), waarbij [verweerder] de facturen voor fysiotherapie van december 2010 en januari 2011 aan Movir heeft gestuurd. Daarboven staat de reactie van [de heer Q] van 7 februari 2011, waarin hij aan [verweerder] bevestigt dat volgens afspraak de helft van het bedrag exclusief btw, oftewel € 450,00 zal worden vergoed. Verder heeft Movir een e-mailbericht van [verweerder] aan [de heer Q] van 2 mei 2011 overgelegd, waarin [verweerder] schrijft dat hij daarbij de facturen van februari, maart en april 2011 toestuurt. Op die e-mail is met de hand geschreven: “432 × 3 = 1296 / 2 = 648” en daaronder een stempeltje “Afgeboekt” met daaronder handgeschreven het woord [de heer Q] ). Ook dit duidt erop dat Movir de betreffende facturen voor de helft heeft vergoed. In het licht van deze door Movir in het geding gebrachte stukken en haar toelichting daarop heeft [verweerder] onvoldoende gemotiveerd weersproken dat Movir de facturen van [praktijk Z] heeft betaald of vergoed. De rechtbank verwerpt dit verweer dan ook.
2.9.
De rechtbank heeft Movir bij het tussenvonnis ook in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat vanaf de schade-aangifte op 25 augustus 2009 al sprake was van schending van de mededelingsplicht door [verweerder] . Als komt vast te staan dat [verweerder] pas in de loop van de behandeling van de schade-aangifte onjuist is gaan verklaren, zijn de daarna gemaakte kosten namelijk nodeloos gemaakt door Movir.
2.10.
Movir heeft bij akte na tussenvonnis betoogd dat [verweerder] al vanaf de schade-aangifte op 25 augustus 2009 zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Movir wijst erop dat zij [verweerder] op 1 september 2009 heeft laten keuren door Meditel en dat uit de claimbeoordeling van Meditel (productie 4 bij procesinleiding) blijkt dat [verweerder] op dat moment naar eigen zeggen geen paard kon rijden. Uit het overzicht van de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie (onderdeel van productie 26 bij procesinleiding) blijkt echter dat [verweerder] slechts enkele dagen later, te weten op 5 september 2009, uitkwam in een wedstrijd, evenals op 6 september 2009 en 26 september 2009, zo voert Movir aan.
2.11.
[verweerder] heeft in reactie hierop nogmaals betwist dat hij degene was die op het deelnemende paard zat. Hij herhaalt dat het in de paardenwereld niet ongebruikelijk is dat een ruiter start met een pas die op naam van een ander staat. Ter onderbouwing verwijst [verweerder] op een aantal stukken die hij als producties 71 tot en met 75 bij zijn antwoordakte in het geding brengt, te weten uitspraken van het tuchtcollege van de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie, een foto van zijn oude startpas, een verklaring van zijn medewerker [medewerker A] en foto’s van zichzelf en deze [medewerker A] te paard.
2.12.
Movir heeft nog niet op deze nieuwste producties kunnen reageren. De rechtbank zal haar daartoe alsnog in de gelegenheid stellen. Movir moet zich in haar reactie beperken tot de producties 71 tot en met 75 van [verweerder] . Hierna zal het schriftelijk debat tussen partijen in beginsel zijn geëindigd. De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
stelt Movir binnen vier weken na de bekendmaking van deze beslissing in de gelegenheid zich bij akte uit te laten over de producties 71 tot en met 75 van [verweerder] , waarna het schriftelijk debat tussen partijen in beginsel is geëindigd,
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens - Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2020.
JE/St
Uitspraak 11‑10‑2019
Inhoudsindicatie
Verzekeringsrecht; arbeidsongeschiktheidsverzekering. Vordering tot terugbetaling van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ivm schending mededelingsplicht van artikel 7:941 BW met opzet tot misleiding.
Partij(en)
Rechtbank Gelderland
Zaaknummer: NL19.8256
Movir N.V. tegen [verweerder]
Vonnis van 11 oktober 2019
vonnis
_________________________________________________________________ _
RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
zaaknummer: NL19.8256
Vonnis van 11 oktober 2019
in de zaak van
de naamloze vennootschapMOVIR N.V., gevestigd te Nieuwegein, eiseres, hierna te noemen: Movir, advocaat mr. E.J. Wervelman te Utrecht,
tegen
[verweerder] , wonende te Doetinchem, verweerder, hierna te noemen: [verweerder], advocaat mr. G.S. Jongstra te Almere.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de procesinleiding
- -
het verweerschrift
- -
het proces-verbaal van mondelinge behandeling op 5 september 2019.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
Op 6 september 2005 vraagt [verweerder] – dan nog genaamd [naam 1] – een arbeidsongeschiktheidsverzekering aan bij de rechtsvoorgangster van Movir (hierna ook aangeduid als Movir). Op het aanvraagformulier vult [verweerder] in dat zijn beroep paardenhandelaar en paardentrainer is en dat zijn dagelijkse beroepswerkzaamheden bestaan uit het opleiden van paarden en de in- en verkoop van fokmerries, africhtpaarden en handelspaarden.
2.2.
[verweerder] neemt ook met paarden deel aan wedstrijden. Voor deelname aan een wedstrijd is een startpas nodig. De startpas staat op naam van het paard, gekoppeld aan de ruiter.
2.3.
De polisvoorwaarden (Algemene voorwaarden Arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandig ondernemers, model OE 03.2.30 F) van Movir luiden onder meer als volgt:
“ARTIKEL 6.1 VERPLICHTINGEN BIJ ARBEIDSONGESCHIKTHEID
1 De verzekerde is verplicht in geval van arbeidsongeschiktheid:
(…)
c zich desgevraagd op kosten van Delta Lloyd door een door Delta Lloyd aan te wijzen arts te doen onderzoeken en aan deze alle gewenste inlichtingen te verstrekken, respectievelijk zich voor onderzoek te doen opnemen in een door Delta Lloyd aan te wijzen ziekenhuis;
(…)
e geen feiten of omstandigheden geheel of gedeeltelijk te verzwijgen, die voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid of de uitkering van belang zijn;
f Delta Lloyd meteen op de hoogte te stellen van zijn gehele of gedeeltelijke herstel dan wel van het (al dan niet gedeeltelijk) hervatten van zijn beroepswerkzaamheden of het verrichten van ander werk;
(…)
h zich na het intreden van de arbeidsongeschiktheid te onthouden van alle handelingen waardoor de belangen van Delta Lloyd worden geschaad.
2 De verzekeringnemer is gehouden de hierboven onder (…), e, f (…) genoemde verplichtingen, voor zover de verzekerde daaraan niet heeft voldaan of niet heeft kunnen voldoen, na te komen (…)
3 Geen recht op uitkering bestaat, indien de verzekerde of de verzekeringnemer één van deze verplichtingen niet is nagekomen en daardoor de belangen van Delta Lloyd heeft geschaad.
4 Elk recht op uitkering vervalt, indien de verzekerde of de verzekeringnemer opzettelijk onjuiste gegevens verstrekt, tenzij de misleiding zo klein is dat het verval van recht een te zwaar gevolg zou zijn.
(…)
“ARTIKEL 7.3
PREMIEVRIJSTELLING IN VERBAND MET ARBEIDSONGESCHIKTHEID
Zolang verzekerde een uitkering ontvangt op grond van rubriek B zal de premie voor de rubrieken A en B worden verlaagd met het percentage gelijk aan het uitkeringspercentage.”
2.4.
Bij schadeaangifteformulier, ondertekend teruggestuurd op 27 augustus 2009, meldt [verweerder] zich bij Movir arbeidsongeschikt wegens hevige pijn aan zijn rechterknie sinds 22 augustus 2009. Bij brief van 25 augustus 2009 bevestigt Movir de melding en kondigt zij aan dat het bureau Meditel op korte termijn telefonisch contact met [verweerder] zal opnemen om een afspraak te maken voor de medische controle. Verder verzoekt zij [verweerder] het haar zo snel mogelijk te laten weten als hij zijn werkzaamheden inmiddels geheel of gedeeltelijk heeft hervat. Als hij voor 8 september 2009 volledig is hersteld, hoeft [verweerder] geen afspraak te maken met de controlerend arts. Ook verzoekt Movir [verweerder] om toestemming voor het inwinnen van informatie bij zijn huisarts.
2.5.
Op 1 september 2009 vindt een claimbeoordeling arbeidsongeschiktheid plaats door de arts van Meditel ([arts van Meditel]). Op het beoordelingsformulier schrijft zij onder meer:
“Kan knie niet goed buigen zonder pijn; kan geen paardrijden.”
2.6.
Movir houdt naar aanleiding van de bevindingen 100% arbeidsongeschiktheid aan vanaf 22 augustus 2009.
2.7.
Op 15 oktober 2009 en 19 november 2009 heeft Movir telefonisch contact met [verweerder]. Volgens de telefoonnotities die Movir van deze gesprekken in het geding heeft gebracht, wordt dan besproken dat het wat beter lijkt te gaan. Verder staat in de notities vermeld dat [verweerder], nadat hij tegen het advies van de huisarts en fysiotherapeut weer op het paard was gaan zitten, op de tweede dag terug bij af was en dat het hem is verboden op een paard te gaan zitten tot “de ontsteking” over is. Movir spreekt volgens de notities met [verweerder] af dat hij Movir zal bellen zodra hij weer kan werken.
2.8.
Op 21 december 2009 neemt Movir weer telefonisch contact op met [verweerder]. Volgens de telefoonnotitie gaat het op dat moment beter, maar was [verweerder] de dag nadat hij op advies van de fysiotherapeut had geprobeerd weer iets te doen, weer terug bij af. Op advies van de medisch adviseur heeft Movir hem geadviseerd naar de specialist te gaan. [verweerder] heeft daarop een afspraak gemaakt bij de huisarts, aldus de telefoonnotitie.
2.9.
Op 1 februari 2010 heeft Movir opnieuw telefonisch contact met [verweerder], die daarbij volgens de telefoonnotitie laat weten dat een MRI zal worden gemaakt, dat de specialist het niet vertrouwt en dat op 22 februari 2010 een bespreking met de orthopeed zal plaatsvinden.
2.10.
Bij brief van 15 maart 2010 schrijft de orthopedisch chirurg ([naam orthopedische chirurg 1]) aan de huisarts van [verweerder] [naam huisarts verweerder]) onder meer:
“Conclusie: knieklachten rechts op basis van een insertie tendinopathie van de patellapees en quidricepspees. Patient werd verwezen naar de fysiotherapeut voor oefentherapie en verdere begeleiding. Ik zie hem zonodig terug.”
2.11.
Op 25 maart 2010 spreekt Movir weer telefonisch met [verweerder]. De telefoonnotitie vermeldt dat de MRI is gemaakt en dat eruit blijkt dat de aanhechtingen van de spieren zijn ontstoken door overbelasting. [verweerder] heeft volgens de notitie therapie en rust voorgeschreven gekregen en de specialist heeft hem doorgestuurd naar de fysiotherapeut.
2.12.
Op 18 mei 2010 spreekt Movir opnieuw telefonisch met [verweerder]. [verweerder] vertelt volgens de telefoonnotitie dat hij een aantal weken eerder heeft geprobeerd zijn werk weer op te pakken met één paard per dag in plaats van acht paarden per dag. De derde dag kon hij niet meer lopen en autorijden. Movir spreekt met hem af de medische informatie – MRI, echo, informatie van de fysiotherapeut – te zullen opvragen, aldus de telefoonnotitie.
2.13.
Bij brief van 7 juni 2010 schrijft de fysiotherapeut ([naam fysiotherapeut]) aan Movir onder meer het volgende:
“Op basis van mijn ervaringen kan ik u meedelen dat dit een langdurende kwestie kan zijn en in sommige gevallen ook weer terugkomt. Ik adviseer dat de heer [naam 1] zeker niet mag paardrijden, daar dit zeker de klachten versterkt door het aanspannen van deze dijbeenspier. De heer [naam 1] heeft na enkele behandelingen minder pijn en heeft weer geprobeerd te rijden. Helaas is gebleken, dat hierdoor de klachten weer terugkwamen, waardoor we weer terug bij af waren.”
2.14.
In de periode daaropvolgend hebben Movir en [verweerder] nog een aantal keren telefonisch contact met elkaar. Ook van deze telefoongesprekken heeft Movir telefoonnotities in het geding gebracht.
2.15.
Bij brief van 15 september 2010 deelt Movir aan [verweerder] mee dat, nu per 22 september 2010 een jaar is verstreken sinds de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid, vanaf het tweede jaar bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid een uitgebreider begrip arbeidsongeschiktheid van toepassing is.
2.16.
Ook na deze brief hebben Movir en [verweerder] telefonisch contact met elkaar. Volgens de telefoonnotities die Movir daarvan in het geding heeft gebracht, was de strekking van die gesprekken dat de klachten nog steeds aanhouden.
2.17.
Op 15 november 2010 sluit [verweerder] bij Reaal Verzekeringen een WA-verzekering af voor (onder andere) schade aan paarden van derden tot € 25.000,00 per gebeurtenis.
2.18.
Op 2 februari 2011 dient [verweerder] bij Reaal Verzekeringen een schadeclaim in, in verband met het overlijden van een paard als gevolg van een ongeval. Het paard zou tijdens het trainen bij een sprong ten val zijn gekomen en een been hebben gebroken, waarna [verweerder] het dier zou hebben moeten laten inslapen. Volgens het schadeformulier bedraagt de schade naar schatting € 45.000,00.
2.19.
In een telefoongesprek op 17 mei 2011, dat Movir schriftelijk bevestigt bij brief van diezelfde datum, laat Movir aan [verweerder] weten dat zij arbeidsdeskundig onderzoek zal laten verrichten door Elabo.
2.20.
Op 1 juni 2011 keert Reaal Verzekeringen het maximale schadebedrag van € 25.000,00 uit in verband met de schadeclaim wegens het overlijden van het paard (zie 2.18).
2.21.
Op 17 juni 2011 vindt het arbeidsdeskundig onderzoek plaats. In het rapport van de arbeidsdeskundige ([naam arbeidsdeskundige]) staat onder meer vermeld:
“Door de huidige knieklachten kan verzekerde een groot deel van zijn eigen werk niet verrichten. Hij kan de training niet verzorgen. Paardrijden lukt niet omdat hij daarbij met de knieën het paard stuurt.
Zadelmak maken/longeren lukt niet omdat hij daarbij op ongelijk terrein staat/loopt. Bij longeren draait hij rondjes. Hij staat in het midden en het paard loopt om hem heen.
Betrokkene vindt dat hij (nog steeds) volledig arbeidsongeschikt is. Hij is verzekerd tegen beroeps arbeidsongeschiktheid. En doordat hij het grootste [deel, rechtbank] van zijn werk niet kan verrichten, vindt hij dat hij volledig arbeidsongeschikt geacht kan worden. Zijn werk is vooral het trainen van paarden. Daarbij rijdt hij veel paard.”
Volgens de arbeidsdeskundige kan [verweerder] in zijn eigen werk in staat worden geacht om deeltaken uit te voeren en is hij daarom voor zijn eigen werk voor 55% arbeidsongeschikt. De arbeidsdeskundige schat echter in dat [verweerder] tijdelijk kan schuiven met taken. Gelet hierop is de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van aangepaste werkzaamheden volgens de arbeidsdeskundige 35%.
2.22.
Op 28 juli 2011 neemt [verweerder] telefonisch contact op met Movir. Volgens de door Movir overgelegde telefoonnotitie van dit gesprek geeft [verweerder] in dat gesprek door dat hij zijn uitkering nog niet heeft ontvangen. Movir bevestigt dit en zal alsnog uitkeren. Verder zegt [verweerder] ervan te balen dat de arbeidsdeskundige wordt geloofd. Movir zal voorlopig 75% uitkeren op onverplichte basis en verder de discussie afwachten.
2.23.
Op 10 augustus 2011 bezoekt de arbeidsdeskundige van Elabo ([naam arbeidsdeskundige]) [verweerder]. De arbeidsdeskundige adviseert om [verweerder] vooralsnog voor 80-100% arbeidsongeschikt te achten voor zowel eigen beroep als met taakverschuivingen binnen het bedrijf, in afwachting van de uitkomsten van de geadviseerde kniebehandeling.
2.24.
Movir neemt dit advies over en deelt bij brief van 6 september 2011 aan [verweerder] mee dat hij 100% uitkering zal ontvangen en dat zijn uitkering met terugwerkende kracht vanaf 5 juli 2011 zal worden aangepast.
2.25.
Op 4 oktober 2012 heeft een orthopedisch chirurg ([naam orthopedische chirurg 2])[verweerder] in opdracht van Movir onderzocht in het kader van een orthopedische expertise. Deze stelt als diagnose:
“insertie tendinopathie quadricepspees rechts. Gelijkaardige diagnose ter hoogte van de linker knie en enthesiopathie ter hoogte van de linker heupregio.”
Volgens het expertiserapport neemt [verweerder] volledige rust in acht.
2.26.
Op 13 februari 2013 wordt [verweerder] arbeidsdeskundig onderzocht door (registerarbeidsdeskundige [naam registerarbeidsdeskundige]) BSH. [verweerder] laat BSH weten dat hij op dat moment twee medewerkers in dienst heeft die de paarden berijden, voeren en verzorgen, de stallen uitmesten en schoonmaakwerkzaamheden verrichten. Ook berijden zij de paarden op concoursen en besturen zij de vrachtwagen. Volgens [verweerder] kan hij dat zelf niet, omdat het bedienen van de pedalen te kniebelastend is.
2.27.
Op 21 maart 2013 laat Movir [verweerder] onderzoeken door Meditel. De arts ([naam arts]) acht [verweerder] voor alle lichamelijk belaste taken beperkt.
2.28.
Op 6 augustus 2013 bezoekt de arbeidsdeskundige van BSH ([naam registerarbeidsdeskundige]) [verweerder] opnieuw, ter beoordeling van de jaarcijfers van het bedrijf van [verweerder]. Op 9 augustus 2013 brengt BSH hierover een vervolgrapportage uit.
2.29.
Op 31 oktober 2013 onderzoekt de arts van Meditel ([naam arts]) [verweerder] opnieuw. Volgens het rapport vermijdt [verweerder] lichamelijke belasting om het herstel te bevorderen en kan hij alle lichamelijk belastende taken niet meer doen, dus niet paardrijden of omgaan met paarden.
2.30.
In opdracht van Movir voert het adviesbureau bij ziekteverzuim Condite ([namen]) op 9 en 23 januari 2014 gesprekken met [verweerder]. Op 29 januari 2014 brengt Condite hiervan een rapportage uit. Volgens het rapport verklaart [verweerder] onder meer dat hij zich houdt aan het advies om rust te houden en dat hij na 2009 vrijwel geen paard meer heeft gereden en niet meer heeft meegedaan aan concoursen.
2.31.
Op 10 juli 2014 vindt in opdracht van Movir een hernieuwde orthopedische expertise plaats. Bij brief van 21 augustus 2014 brengt de orthopedisch expert ([naam orthopedische expert]) hierover verslag uit. Daarin staat onder meer dat sprake is van een forse discrepantie: de expert zou verwachten dat [verweerder] geen klachten, afwijkingen of beperkingen zou ervaren, terwijl [verweerder] heel veel klachten en beperkingen aangeeft. Voor deze discrepantie kan de expert op zijn vakgebied geen aanknopingspunt aangeven.
2.32.
Bij e-mails van 4 september 2019 deelt Movir aan [verweerder] onder meer mee:
“Medisch advies
De specialist heeft in het rapport aangegeven dat u klachten ervaart, maar dat er voor die klachten geen afwijkingen zijn gevonden. Er wordt door de specialist dus niet voorbij gegaan aan het feit dat u klachten ervaart, maar de specialist heeft daarvoor geen medische afwijkingen kunnen vinden. Onze medisch adviseur heeft vervolgens vast gesteld dat er geen medisch objectiveerbare beperkingen zijn die ertoe leiden dat u voor 25% of meer arbeidsongeschikt kan worden beschouwd voor uw beroepswerkzaamheden. Er bestaat daarom geen recht op een uitkering volgens de voorwaarden van uw verzekering.
De voorwaarden van uw verzekering
De arbeidsongeschiktheidsverzekering biedt geen dekking voor alleen klachten en pijn. Er moet sprake zijn van objectief medische vast te stellen beperkingen. Er kunnen klachten worden ervaren, maar zolang deze klachten niet objectief medische vast te stellen zijn, is er geen sprake van arbeidsongeschiktheid zoals in de polisvoorwaarden wordt gesteld.
Polisvoorwaarden, artikel 4.1
In de polisvoorwaarden, artikel 4.1 staat het volgende: “Van arbeidsongeschiktheid is uitsluitend sprake indien er in relatie tot ziekte of ongeval objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan waardoor verzekerde beperkt is in zijn functioneren.””
en:
“Omdat u niet meer arbeidsongeschikt bent volgens de voorwaarden van uw verzekering, ontvangt u tot 4 september 2014 nog een uitkering. Per 4 september 2014 vervalt het recht op een uitkering.”
2.33.
[verweerder] maakt hiertegen direct bezwaar en vraagt om een kopie van de orthopedische expertise. Deze wordt hem op 5 september 2014 toegestuurd.
2.34.
Op 10 september 2014 meldt [verweerder] zich arbeidsongeschikt wegens voetklachten. Movir neemt de claim in behandeling.
2.35.
Bij brief van 9 oktober 2014 deelt Movir aan [verweerder] mee dat zij hem gedurende het onderzoek naar de voetklachten door de medisch adviseur een onverplichte uitkering verstrekt en dat zij ervan uitgaat dat alle door [verweerder] verstrekte gegevens juist zijn.
2.36.
Bij brief van 24 december 2014 schrijft de reumatoloog [naam reumatoloog]) aan de huisarts ([naam huisarts 2]) onder meer dat hij geen duidelijke verklaring heeft voor de “dove gevoelens in vrijwel alle ledematen” waarvan [verweerder] aangeeft last te hebben.
2.37.
Bij brief van 20 januari 2015 schrijft de huisarts ([naam huisarts 3]) aan Movir onder meer dat voor de klachten van [verweerder] vooralsnog geen aanwijsbare oorzaak bestaat.
2.38.
Bij brief van 9 maart 2015 schrijft de neuroloog ([naam neuroloog]) aan de huisarts ([naam huisarts 4] onder meer dat met de uitgevoerde onderzoeken geen afwijkingen zijn vastgesteld en dat er voor de klachten van [verweerder] geen neurologische verklaring is.
2.39.
Op 28 april 2015 vindt een nieuwe orthopedische expertise plaats. De orthopedisch chirurg ([naam orthopedische chirurg 3]) brengt hiervan op 2 september 2015 aan Movir verslag uit. Daarin staat onder meer vermeld dat de anamnese, het lichamelijk en aanvullend onderzoek en de beschikbare correspondentie inconsistente bevindingen oplevert waardoor het lastig is om de oorzaak voor de geuite voetklachten vanuit het orthopedisch vakgebied te verklaren. De klachten van een nauwelijks belastbare linkervoet door een progressieve invaliderende pijn na een trap van een paardenhoef in juli 2014 kunnen orthopedisch gezien niet worden verklaard vanuit de objectieve bevindingen van het lichamelijk en beeldvormend onderzoek, aldus het rapport.
2.40.
Op 6 augustus 2015 meldt [verweerder] aan Movir dat hij twee dagen daarvoor op het bedrijf een trap van een paard heeft gekregen en daarbij zijn kuitbeen heeft gebroken.
2.41.
Bij brief van 1 oktober 2015 laat Movir aan [verweerder] weten dat het Team Medisch Advies tot de conclusie is gekomen dat voor de klachten aan zijn voet geen medisch aantoonbare afwijking door ziekte of een ongeval is gevonden. Ten aanzien van de klachten als gevolg van het gebroken kuitbeen vermeldt de brief dat hierover nog geen advies van het Team Medisch Advies is ontvangen en nog niet duidelijk is of voor deze klachten recht op uitkering bestaat. Movir deelt aan [verweerder] mee dat gedurende het onderzoek van het Team Medisch Advies een onverplichte uitkering zal worden verstrekt.
2.42.
Op 20 oktober 2015 wordt [verweerder] onderzocht door de neuroloog ([naam neuroloog 2]). Deze constateert dat de kracht in been en voet goed is. Uit neurologisch onderzoek zijn geen zichtbare afwijkingen geconstateerd, alleen milde lokale sensibiliteitsstoornissen.
2.43.
Op 10 november 2015 stuurt [verweerder] in verband met zijn gebroken kuitbeen een schadeaangifteformulier aan Movir.
2.44.
Bij e-mail van 11 december 2015 bericht Movir aan [verweerder] dat haar medisch adviseur de informatie van de neuroloog heeft beoordeeld en tot de conclusie komt dat voor de klachten van [verweerder] geen medisch aantoonbare afwijking door ziekte of een ongeval is gevonden. Omdat [verweerder] aldus niet arbeidsongeschikt is in de zin van de polisvoorwaarden, heeft hij geen recht op uitkering en maakt Movir de slotuitkering aan hem over.
2.45.
Op 15 en 16 december 2015 verhoort de politie Oost-Nederland twee voormalig medewerkers van het bedrijf van [verweerder]. Zij hebben in het eerste halfjaar van 2012 respectievelijk in de periode van juni 2012 tot december 2013 voor [verweerder] gewerkt. De verklaring van de eerste getuige komt er kort gezegd op neer dat [verweerder] in die periode bijna dagelijks paarden trainde, de dressuur deed en sprong op concoursen en verder dat hij bijna dagelijks de stallen uitmestte, paarden naar de paddock bracht en hielp met borstelen, opzadelen, inladen, afladen, losrijden, afzadelen, in de vrachtwagen doen en op stal weer afladen en de vrachtwagen schoonmaken. De tweede getuige verklaart kort gezegd dat [verweerder] in het begin toen zij bij hem kwam werken zelf trainde met de paarden en daarna een half jaar niet in verband met zijn knie. In de tweede helft van 2013 ging [verweerder] weer paarden trainen. Ook het opstrooien, naar de paddock brengen, uitmesten van stallen en het in- en uitladen van paarden uit de vrachtwagen deed [verweerder] volgens deze getuige zelf.
2.46.
Op 21 december 2015 wordt namens [verweerder] de arbeidsongeschiktheidsverzekering opgezegd. Bij brief van 3 februari 2016 bevestigt [verweerder] deze opzegging en verzoekt hij om restitutie van de teveel betaalde premie en van de premie ten tijde van de arbeidsongeschiktheidsperiode. Movir bevestigt de beëindiging van de verzekering bij e-mail van 18 februari 2016 en stelt op 24 februari 2016 de royementsverklaring op en stuurt deze aan de assurantietussenpersoon.
2.47.
Movir wordt vervolgens in kennis gesteld van het feit dat [verweerder] strafrechtelijk wordt vervolgd, onder meer vanwege verzekeringsfraude. Zij voegt zich in de strafrechtelijke procedure tegen [verweerder].
2.48.
Bij vonnis van deze rechtbank van 20 september 2018 (ECLI:NL:RBGEL:2018:4079) wordt [verweerder] veroordeeld wegens onder meer oplichting, omdat hij de eigendom van het hierboven onder 2.18 genoemde paard heeft aangetoond met een valse factuur en het overlijden van dat paard heeft aangetoond met een vals overlijdensattest en [verweerder] aldus listige kunstgrepen heeft gebruikt om een schadeclaim in te dienen en het schadebedrag van € 25.000,00 uitgekeerd te krijgen. De rechtbank legt in verband met onder meer dit strafbare feit aan [verweerder] een werkstraf van 240 uren op.
2.49.
Aan [verweerder] wordt in dezelfde strafrechtelijke procedure ook ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van Movir. Door de oplichting zou hij in de periode van augustus 2009 tot en met december 2015 ten onrechte een uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid hebben genoten. De rechtbank spreekt [verweerder] van dit feit vrij. Zij overweegt daartoe het volgende, waarbij met “[slachtoffer 3]” wordt gedoeld op Movir:
“Op 20 december 2016 heeft de Hoge Raad twee overzichtsarresten gewezen met betrekking tot oplichting (ECLI: NL:HR:2016:2889, NJ 2017/157 en ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017/158). De Hoge Raad geeft hierin handvatten voor de beoordeling van de vraag of handelingen van een verdachte kunnen worden beschouwd als oplichting in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht. Daarbij stelt de Hoge Raad allereerst vast dat met het in de wet omschrijven van specifieke oplichtingsmiddelen – het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, het gebruik van listige kunstgrepen en/of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels – is beoogd het begrip oplichting' nader vorm en inhoud te geven. Niet iedere vorm van bedrog – bijvoorbeeld bedrog bestaande uit niet meer dan het doen van een onware mededeling – en niet iedere toerekenbare tekortkoming in civielrechtelijke zin valt binnen het bereik van het strafrecht, als misdrijf met een strafmaximum van, kort gezegd, een gevangenisstraf van vier jaren. De vraag in deze zaak is of het handelen van verdachte jegens [slachtoffer 3] moet worden gezien als het gebruik van een van de in artikel 326 Sr genoemde oplichtingsmiddelen, waardoor [slachtoffer 3] werd gedwongen tot afgifte van gelden.
Uit het dossier blijkt dat verdachte in 2009 bij [slachtoffer 3] heeft gemeld niet meer te kunnen werken in verband met knieklachten die hem onder meer verhinderden paard te rijden. Naar aanleiding van deze melding heeft [slachtoffer 3] met verdachte gesproken en onderzoek gedaan naar de werkzaamheden die verdachte nog wél zou kunnen verrichten. Uiteindelijk is besloten om aan verdachte een 100 % uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid uit te keren. [slachtoffer 3] heeft de verzekering op 4 september 2014 stopgezet, omdat de knieklachten niet objectiveerbaar waren. Een maand later is de uitkering weer betaalbaar gesteld vanwege voetklachten. Tussen 2011 en 2014 is er acht keer contact geweest tussen [slachtoffer 3] en verdachte, onder meer door middel van onaangekondigde bezoeken. Bij één van de bezoeken zijn de cijfers van verdachtes bedrijf onderzocht en constateerde de arbeidsdeskundige dat de inzet van “vreemde arbeid" (noodzakelijk indien verdachte zelf niet kon werken) beperkt zichtbaar was in de financiële cijfers van [naam 13] . Hier zijn op dat moment geen conclusies aan verbonden. Uit het dossier blijkt ook dat [slachtoffer 3] al in 2011 en 2012 uit nieuwsberichten kon opmaken dat verdachte wedstrijden reed. Ook naar aanleiding hiervan is de uitkering aan verdachte niet aangepast.
[slachtoffer 3] heeft kennelijk meerdere keren twijfels gehad over de rechtmatigheid van de aanspraak van verdachte en of hij daadwerkelijk niet in staat was te werken. Ook is er op meerdere momenten een verschil van mening geweest tussen verdachte en de verzekeraar omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid. Desondanks is [slachtoffer 3] blijven uitkeren en heeft zij geen aanleiding gezien diepgaander onderzoek in te stellen naar de (mate van) arbeidsongeschiktheid van verdachte. Dat er sprake was van enige arbeidsongeschiktheid op bepaalde momenten in de periode dat verdachte de uitkering ontving, lijkt aannemelijk, gezien de verklaringen van verschillende getuigen en de constateringen van de arbeidsdeskundigen. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet gesteld worden dat [slachtoffer 3] is gedwongen tot afgifte van geldbedragen doordat verdachte een oplichtingsmiddel als bedoeld in artikel 326 lid 1 Sr heeft aangewend. Veeleer betreft het hier een civielrechtelijk geschil. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit feit.”
2.50.
Bij brief van 11 februari 2019 schrijft de raadsman van Movir aan [verweerder] onder meer het volgende:
“Naar achteraf is gebleken hebt u in diverse periodes waarin u bij cliënte volledige arbeidsongeschiktheid hebt geclaimd wel degelijk gewerkt. In enige andere zin zijn uw eigen mededelingen aan de diverse door cliënte ingeschakelde deskundigen niet te begrijpen.
Cliënte is van oordeel dat u haar opzettelijk hebt misleid. Elk recht op uitkering vervalt dan ook. Bovendien mag u geen feiten of omstandigheden geheel of gedeeltelijk verzwijgen die voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op de uitkering van belang zijn. Ook had u cliënte meteen op de hoogte moeten stellen van uw gehele of gedeeltelijke herstel, dan wel van het al dan niet geheel of gedeeltelijk hervatten van uw beroepswerkzaamheden of het verrichten van ander werk. Dat hebt u niet gedaan. Daarnaast dient u zich na het intreden van de arbeidsongeschiktheid te onthouden van alle handelingen, waardoor de belangen van cliënte worden geschaad. U heeft dit alles niet gedaan.
Het gevolg van het voorgaande is dat cliënte zonder rechtsgrond en dus onverschuldigd aan u heeft betaald. Althans dat u jegens cliënte onrechtmatig hebt gehandeld, waardoor cliënte schade heeft geleden. Daarom hebt u de gedane uitkeringen onterecht ontvangen, als dient u de schade aan cliënte te vergoeden. Mitsdien is cliënte gerechtigd om terugbetaling te verlangen. U bent zonder ingebrekestelling in verzuim, cliënte komt mitsdien wettelijke rente toe sedert de data van de onverschuldigde gedane maandelijkse betalingen. Daarnaast bent u alsnog premie verschuldigd over de periode dat cliënte u ten onrechte premievrijstelling heeft vergund. Bovendien verhaalt cliënte alle kosten die zij in verband met de claimbehandeling heeft gemaakt op u.
(…)
In totaal komt cliënte een bedrag toe groot € 182.147,34 aan ten onrechte gedane uitkeringen. Daarnaast dient u cliënte een bedrag groot € 16.338,41 aan kosten van medisch onderzoek te voldoen. Aan premierestitutie dient u cliënte een bedrag groot € 21.065,27 te vergoeden. In totaal komt cliënte mitsdien toe een bedrag groot € 219.551,02.”
De brief leidt niet tot betaling door [verweerder].
2.51.
Tot zekerheid van verhaal voor haar vordering laat Movir, na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, op 12 april 2019 ten laste van [verweerder] conservatoir beslag leggen op een aantal onroerende zaken van [verweerder].
3. Het geschil
3.1.
Movir vordert – samengevat – de veroordeling van [verweerder] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
- a.
tot betaling aan Movir van een bedrag van in totaal € 219.550,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data waarop de diverse deelbetalingen waaruit het totaalbedrag is opgebouwd door Movir aan [verweerder] en derden zijn gedaan, althans vanaf 25 februari 2019, althans vanaf de dag van de procesinleiding tot de dag van de algehele voldoening;
- b.
in de proceskosten, waaronder beslagkosten en nakosten en de wettelijke rente over de nakosten.
3.2.
Movir legt aan haar vorderingen ten grondslag, kort samengevat, dat zij zonder rechtsgrond – en dus onverschuldigd – uitkeringen heeft gedaan aan [verweerder] op grond van de arbeidsongeschiktheidsverzekering die hij bij haar had afgesloten. Movir voert aan dat [verweerder] in diverse periodes waarin hij zich volledig arbeidsongeschikt heeft gemeld wel degelijk heeft gewerkt, zonder daarover aan Movir openheid van zaken te geven. Dit terwijl [verweerder] zich volgens Movir had kunnen en moeten realiseren dat de niet gemelde feiten en omstandigheden voor Movir van belang waren voor de beoordeling van de uitkeringsplicht en de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. [verweerder] heeft de gedane uitkeringen daarom onterecht ontvangen. In totaal heeft Movir een bedrag van € 182.147,34 (bruto) aan [verweerder] uitgekeerd. Haar vordering strekt tot terugbetaling daarvan. Op grond van artikel 6:205 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is [verweerder] zonder ingebrekestelling in verzuim en heeft Movir daarom recht op wettelijke rente vanaf de data van de onverschuldigd gedane betalingen, zo betoogt zij. Daarnaast voert Movir aan dat [verweerder] ten onrechte is vrijgesteld van premiebetaling en dat hij deze premie – in totaal € 21.064,00 – dus alsnog aan haar is verschuldigd. Ten slotte wil Movir de kosten op [verweerder] verhalen die gepaard zijn gegaan met de claimbehandeling van deze zaak. Het gaat om de kosten van medisch, arbeidsdeskundig en andersoortig onderzoek. Deze kosten vormen schade en bedragen € 16.338,41, aldus Movir.
3.3.
[verweerder] voert verweer. Hij betwist kort gezegd dat sprake is van onverschuldigde betaling door Movir en dat hij zijn mededelingsplicht heeft geschonden. [verweerder] concludeert tot afwijzing van de vorderingen.
3.4.
De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen, voor zover van belang voor de beoordeling.
4. De beoordeling
Kern van het geschil
4.1.
Het geschil draait om de vraag of [verweerder] zijn mededelingsplicht heeft geschonden door niet aan Movir te melden dat hij heeft gewerkt in diverse periodes waarin hij volledig arbeidsongeschikt was gemeld. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, ligt de vraag voor of sprake was van opzet tot misleiding (artikel 6.1 lid 4 van de polisvoorwaarden) dan wel of Movir in haar belangen is geschaad (artikel 6.1 lid 3 van de polisvoorwaarden). Is dat het geval, dan slaagt het standpunt van Movir dat geen grond bestond voor de uitkeringen die zij op grond van de arbeidsongeschiktheidsverzekering aan [verweerder] heeft gedaan. Haar vordering uit onverschuldigde betaling, die strekt tot terugbetaling van de gedane uitkeringen, ligt dan in beginsel voor toewijzing gereed. Ter beantwoording van deze vraag overweegt de rechtbank als volgt.
Verjaring
4.2.
[verweerder] heeft tijdens de mondelinge behandeling – voor het eerst – het standpunt ingenomen dat de vordering van Movir is verjaard. Hij beroept zich daarbij op artikel 7:942 BW, waarin is bepaald dat een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering verjaart door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden. [verweerder] betoogt dat het niet meer dan redelijk is om die termijn ook in de omgekeerde situatie te hanteren en dus analoog toe te passen indien de verzekeraar meent iets te vorderen te hebben van haar verzekerde. Aangezien Movir pas in februari 2019, dus tien jaren na de aanvankelijke schademelding, aan [verweerder] heeft laten weten dat zij meende dat ze onterecht had uitgekeerd, is de vordering ruimschoots verjaard, aldus [verweerder].
4.3.
De rechtbank overweegt hierover het volgende. De grondslag van de vordering van Movir is onverschuldigde betaling. Op grond van artikel 3:309 BW verjaart een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan. In deze zaak is de verjaringstermijn dus gaan lopen op het moment waarop Movir ermee bekend is geworden dat [verweerder] mogelijk zijn mededelingsplicht had geschonden zodat zij als gevolg daarvan mogelijk onverschuldigd aan hem had uitgekeerd. Dit was op het moment dat Movir hoorde van de strafzaak tegen [verweerder]. Dat was rond 2016/2017. Sindsdien zijn nog geen vijf jaren verstreken. Van verjaring op grond van artikel 3:309 BW is dan ook geen sprake.
4.4.
Voor analoge toepassing van de verkorte verjaringstermijn van artikel 7:942 BW, zoals [verweerder] voorstaat, bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen grond.
Rechtsverwerking
4.5.
Verder heeft [verweerder] zich tijdens de mondelinge behandeling – voor het eerst – op het standpunt gesteld dat Movir haar vorderingsrecht heeft verwerkt. [verweerder] voert daartoe kort gezegd aan dat Movir bij hem herhaaldelijk het vertrouwen heeft gewekt dat alles in orde was en dat de uitkering terecht aan hem werd uitgekeerd. Daarnaast voert hij in dit verband aan dat het buitengewoon lastig of zelfs onmogelijk is om zich negen jaar na dato nog te herinneren hoe alles is gegaan, wat er exact is besproken en wat hij wel of niet heeft gedaan en dat bovendien veel stukken in de afgelopen jaren niet bewaard zijn gebleven. [verweerder] meent dat hij daardoor in een onredelijk nadelige positie is geraakt.
4.6.
De rechtbank overweegt dat enkel tijdsverloop geen toereikende grond oplevert voor het aannemen van rechtsverwerking. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in het geval dat de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend maakt. Voor zover [verweerder] zich beroept op de contacten namens Movir met [naam 3], kan hem dat niet baten. Wellicht had achteraf een kritischer houding van [naam 3] mogelijk eerder geleid tot stopzetting van de uitkering, maar hierop zou [verweerder] zich enkel kunnen beroepen als hij [naam 3] steeds volledig had geïnformeerd (zie verder onder schending mededelingsplicht). Het beroep op rechtsverwerking slaagt daarom niet.
Toepasselijkheid polisvoorwaarden
4.7.
[verweerder] voert aan dat hij zich niet kan herinneren dat hij ooit de polisvoorwaarden heeft ontvangen en dus niet op de hoogte was van de inhoud van de polisvoorwaarden en daardoor evenmin van de verplichtingen die op grond van die polisvoorwaarden op hem rustten. Voor zover [verweerder] hiermee wil betogen dat de polisvoorwaarden niet op zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering van toepassing zijn, omdat hem daarvan geen exemplaar is toegezonden en hij de polisvoorwaarden dus niet heeft aanvaard, faalt zijn verweer. De vraag of [verweerder] de toepasselijkheid van de polisvoorwaarden heeft aanvaard, moet worden beantwoord aan de hand van de algemene regels van aanbod en aanvaarding, in combinatie met de wilsvertrouwensleer (artikel 6:217 en volgende in samenhang met artikel 3:33 en 3:35 BW). Bij de beoordeling of sprake is van aanvaarding speelt mede een rol of de wederpartij bedacht moest zijn op het gebruik van algemene voorwaarden door haar contractspartij. Of de polisvoorwaarden al dan niet ter hand zijn gesteld, kan relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of Movir [verweerder] een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de polisvoorwaarden kennis te nemen en daarmee of bedingen in de polisvoorwaarden op grond daarvan vernietigbaar zijn, maar niet voor de beantwoording van de vraag of de polisvoorwaarden van toepassing zijn. [verweerder] onderbouwt verder niet dat hij de polisvoorwaarden niet zou hebben aanvaard. Op het door [verweerder] ondertekende aanvraagformulier voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering staat bovendien vermeld dat “ondergetekende” zich akkoord verklaart met de toepassing van de algemene voorwaarden op de aangevraagde verzekering. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [verweerder] onvoldoende heeft gesteld om op grond daarvan te kunnen vaststellen dat hij de toepasselijkheid van de polisvoorwaarden niet heeft aanvaard.
4.8.
Voor zover [verweerder] bedoelt te betogen dat de polisvoorwaarden vernietigbaar zijn, omdat aan hem niet een redelijke mogelijkheid is geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Daartoe overweegt de rechtbank dat een verzekeringsovereenkomst als waar het hier om gaat, wordt beheerst door polisvoorwaarden. Polisvoorwaarden zijn met name van belang voor de bepaling wat onder de dekking van de verzekering valt. Dit brengt mee dat het niet erg waarschijnlijk is dat bij de totstandkoming van een verzekeringsovereenkomst in het geheel geen polisvoorwaarden zijn overgelegd. Mocht [verweerder] zich erop willen beroepen dat de polisvoorwaarden niet aan de orde zijn geweest ten tijde van het aangaan van de verzekeringsovereenkomst, dan geldt dat het op zijn weg ligt om te onderbouwen hoe de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst zonder die polisvoorwaarden dan heeft plaatsgevonden. De enkele – niet eens expliciete – betwisting dat hij de polisvoorwaarden heeft ontvangen, is hierbij naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende.
4.9.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank bij de verdere beoordeling van het geschil ervan uit dat de onder 2.3 bedoelde polisvoorwaarden van toepassing zijn op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van [verweerder].
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat bij eventuele vernietiging van de polisvoorwaarden die zien op schending van de mededelingsplicht jegens de verzekeraar bij verwezenlijking van het verzekerd risico de wettelijke regeling van artikel 7:941 BW van toepassing is die tot vergelijkbare verplichtingen van de verzekerde en sancties bij schending daarvan leidt.
Schending mededelingsplicht?
4.10.
De rechtbank komt toe aan de beoordeling van de vraag of [verweerder] zijn mededelingsplicht heeft geschonden door niet aan Movir te melden dat hij heeft gewerkt in diverse periodes waarin hij volledig arbeidsongeschikt was gemeld. Bij de beoordeling staat voorop dat een verzekeringsovereenkomst als waar het hier om gaat een bijzonder vertrouwenskarakter heeft en dat de verzekeraar bij de behandeling van een schadeclaim erop moet kunnen vertrouwen dat de verzekerde juiste en zo volledig mogelijke informatie ter zake verstrekt.
4.11.
Ingevolge artikel 7:941 lid 2 BW zijn de verzekeringnemer en de tot uitkering gerechtigde verplicht binnen redelijke termijn de verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen die voor de verzekeraar van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen. Indien de tot uitkering gerechtigde deze verplichting niet is nagekomen, kan de verzekeraar op grond van artikel 7:941 lid 3 BW de uitkering verminderen met de schade die hij daardoor lijdt. De verzekeraar kan het vervallen van het recht op uitkering wegens niet-nakoming van artikel 7:941 lid 2 BW slechts bedingen voor het geval hij daardoor in een redelijk belang is geschaad (lid 4). Op grond van artikel 7:941 lid 5 BW vervalt het recht op uitkering indien de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde de verplichting uit lid 2 niet is nagekomen met het opzet de verzekeraar te misleiden, behoudens voor zover deze misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt. Movir heeft een soortgelijke regeling neergelegd in artikel 6.1 van de toepasselijke polisvoorwaarden (zie 2.3).
4.12.
Bij het beoordelen van de uitkeringsplicht van de verzekeraar komt het aan op de vraag in hoeverre de verzekerde beperkt is in de uitoefening van de aan het verzekerde beroep verbonden werkzaamheden. Evident is dat ten aanzien van die beperkingen zo veel mogelijk helderheid moet worden gegeven. Dat betekent dat [verweerder] Movir een zo volledig mogelijk beeld moest geven van hetgeen waartoe hij in staat was en wat hij in dat kader ondernam. Uit die informatie moest Movir immers kunnen afleiden hoe het was gesteld met de (ontwikkeling van de) arbeidsongeschiktheid van [verweerder] en de toekomstverwachtingen daaromtrent.
[verweerder] heeft een aantal keren aan Movir laten weten dat hij op een paard was gaan zitten om het weer te proberen, maar dat het niet lukte. Na enkele dagen was hij weer terug bij af. Verder heeft hij bij diverse gelegenheden aan (de deskundige van) Movir gemeld dat hij zich overigens hield aan het voorschrift om volledige rust in acht te nemen. Movir heeft echter, onder overlegging van een uitdraai uit de resultaten en klassering van de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie (pagina’s 95 tot en met 101 van het proces-verbaal van de strafzaak tegen [verweerder]; productie 26 bij de procesinleiding), gemotiveerd betoogd dat [verweerder] in de periode waarin hij arbeidsongeschikt was gemeld tientallen keren is uitgekomen als ruiter tijdens wedstrijden. [verweerder] heeft de juistheid van de gegevens op deze uitdraai op zichzelf niet bestreden. Volgens [verweerder] heeft hij echter in de contacten met Movir wel degelijk gemeld dat hij wel eens wedstrijden reed. Dat blijkt niet uit de door Movir in het geding gebrachte telefoonnotities. Voor zover [verweerder] de juistheid en authenticiteit van deze telefoonnotities in twijfel trekt, geldt dat hij enkel heeft aangevoerd dat hij zich de volledige inhoud van de gesprekken niet meer kan herinneren. Dat is zonder nadere onderbouwing, die [verweerder] niet heeft gegeven, onvoldoende voor de conclusie dat niet van de juistheid van de gespreksweergave in de telefoonnotities kan worden uitgegaan. De stelling van [verweerder] dat hij (aan Movir heeft gemeld dat hij) wel eens deelnam aan wedstrijden, is in strijd met zijn mededeling aan Movir dat hij vrijwel volledige rust in acht nam. Het strookt ook niet met zijn betoog dat niet hij degene was die tijdens die wedstrijden op het paard zat, maar iemand anders die met zijn startpas reed. Volgens [verweerder] is het niet ongebruikelijk dat een ruiter start met andermans startpas. Hoewel dit op zijn weg had gelegen, heeft [verweerder] zijn stelling dat anderen met zijn startpas reden – waarvan de juistheid door Movir wordt betwist – op geen enkele wijze onderbouwd. Aan bewijslevering ten aanzien van deze kwestie komt de rechtbank dan ook niet toe.
Verder strookt de mededeling van [verweerder] aan Movir dat hij vrijwel volledige rust in acht nam niet met de getuigenverklaringen die twee oud-medewerkers van [verweerder] hebben afgelegd bij de politie (zie 2.45) en die er kort gezegd op neerkomen dat [verweerder] paarden trainde, deelnam aan concoursen en diverse werkzaamheden verrichtte in zijn bedrijf.
Aldus heeft [verweerder] Movir onvolledig ingelicht over hetgeen waartoe hij in staat was en wat hij in het kader van zijn bedrijf ondernam. Daarmee heeft hij in strijd gehandeld met de verplichting die op grond van artikel 6.1 van de polisvoorwaarden in samenhang met artikel 7:941 lid 2 BW op hem rustte om Movir alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen die voor Movir van belang waren om haar uitkeringsplicht te beoordelen.
Opzet tot misleiden?
4.13.
Vervolgens is de vraag of kan worden aangenomen dat [verweerder] het opzet had om Movir te misleiden. Onder opzet tot misleiding moet worden verstaan het opzet om de verzekeraar te bewegen één of meer uitkeringen te doen op grond van de polis, op welke uitkeringen de verzekerde bij correcte nakoming van de mededelingsplicht geen recht zou hebben gehad. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan sprake. Uit de stukken die Movir heeft overgelegd en die de rechtbank hierboven onder de feiten heeft genoemd, blijkt dat tijdens vele contacten tussen (de deskundigen van) Movir en [verweerder] uitvoerig is gesproken over de gezondheidssituatie van [verweerder] en de fysieke beperkingen die [verweerder] zei te ondervinden bij het verrichten van activiteiten. Daarbij heeft [verweerder] niet gemeld dat hij als ruiter uitkwam op wedstrijden. Mede gelet op het hiervoor onder 4.10 genoemde vertrouwenskarakter van de verzekering had [verweerder] zich kunnen en moeten realiseren dat deze informatie voor Movir van belang was voor de beoordeling van haar uitkeringsplicht en dat hij deze dus zo nodig uit eigen beweging had moeten melden. Dat heeft [verweerder] niet gedaan. Onder deze omstandigheden houdt de rechtbank het ervoor dat [verweerder] de betreffende informatie bewust heeft verzwegen en Movir opzettelijk heeft willen misleiden. Dat betekent dat het recht van [verweerder] op de arbeidsongeschiktheidsuitkering is komen te vervallen, behoudens voor zover deze misleiding zo klein is dat het verval van recht een te zwaar gevolg zou zijn (artikel 7:941 lid 5, slot, BW/artikel 6.1 lid 4 polisvoorwaarden). Naar het oordeel van de rechtbank is van dat laatste in dit geval echter geen sprake.
4.14.
[verweerder] stelt zich op het standpunt dat, voor zover al sprake was van misleiding, Movir hierdoor niet in haar redelijk belang is geschaad. Hij voert daartoe aan dat Movir niet heeft aangegeven in hoeverre haar beoordeling anders zou zijn geweest. Verder acht [verweerder] het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat het recht op uitkering zou vervallen, aangezien hij niet opzettelijk heeft gehandeld en evenmin heeft beoogd Movir te misleiden. Gelet op de ernst van zijn medische aandoening en de mate waarin hij daardoor is beperkt in de uitoefening van zijn beroep zal het verval van het recht op uitkering [verweerder] in een disproportioneel ongunstige positie brengen en om die reden ook onaanvaardbaar zijn, aldus [verweerder].
4.15.
De rechtbank stelt – nogmaals – voorop dat de verzekeraar, in het kader van het hiervoor genoemde vertrouwenskarakter van de verzekeringsovereenkomst, erop moet kunnen vertrouwen dat de verzekerde de verzekeraar juiste en zo volledig mogelijke informatie verstrekt. Dit betreft een zwaarwegende verplichting van de verzekerde jegens de verzekeraar. Schending hiervan rechtvaardigt een rigoureuze sanctie als het gehele verval van uitkering. De wetgever heeft het niet gewenst geacht dat bedrog bij de schaderegeling de verplichting van de verzekeraar om de werkelijk geleden schade te vergoeden onverlet zou laten, omdat de bedrieger dan geen enkel risico loopt en er alleen maar ontoelaatbaar voordeel uit zou kunnen trekken. Daarom kan slechts in bijzondere omstandigheden worden aangenomen dat het (gehele) verval van uitkering niet is gerechtvaardigd. Naar het oordeel van de rechtbank kan hetgeen [verweerder] in dit verband aanvoert niet worden aangemerkt als dergelijke bijzondere omstandigheden, nog daargelaten dat de opzettelijke misleiding in het voorgaande al is komen vast te staan. Zijn verweer op dit punt slaagt dan ook niet.
4.16.
Omdat [verweerder] in strijd met zijn inlichtingenplicht geen openheid van zaken heeft gegeven, is Movir onvoldoende in staat gesteld om het recht op uitkering op juiste gronden vast te stellen en is zij dus – anders dan [verweerder] meent – in een redelijk belang geschaad. Het gevolg is dan ook het verval van het recht op uitkering op grond van artikel 7:941 lid 5 BW (in verbinding met artikel 6.1 lid 3 van de polisvoorwaarden).
Onverschuldigde betaling
4.17.
Nu vast staat dat het recht op uitkering is komen te vervallen, staat daarmee ook vast dat Movir de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zonder rechtsgrond, dus onverschuldigd, aan [verweerder] heeft betaald. Het verminderen van de vordering met het deel dat bij volledige nakoming zou zijn uitgekeerd, zoals [verweerder] voorstaat, is dan niet meer aan de orde. Dat [verweerder] mogelijk (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt zou zijn bevonden als hij zijn inlichtingenplicht wel volledig was nagekomen, maakt dat niet anders. Dat is de consequentie van de wettelijke/contractuele sanctie op schending van de inlichtingenplicht, die voor rekening en risico van [verweerder] komt.
4.18.
[verweerder] heeft niet betwist dat aan hem in totaal € 182.147,34 (bruto) aan uitkeringen is betaald, zodat in rechte vast staat dat dat bedrag onverschuldigd is betaald. Voor zover de vordering van Movir strekt tot terugbetaling van dit bedrag, is zij dan ook toewijsbaar.
Achterstallige premies
4.19.
De premievrijstelling is op grond van artikel 7.3 van de polisvoorwaarden gekoppeld aan de ontvangst van een uitkering. Het in 4.16 vermelde oordeel brengt mee dat ook het recht op premievrijstelling is vervallen. [verweerder] zal de achterstallige premies alsnog moeten voldoen. Movir vordert in dit kader een totaalbedrag van € 21.064,75. Ter onderbouwing hiervan heeft zij uitsluitend een – kennelijk door haarzelf opgestelde – optelling van de premievrijstellingen over de jaren 2010 tot en met 2014 in het geding gebracht (productie 57 bij procesinleiding). Aan [verweerder] kan worden toegegeven dat het gevorderde bedrag daarmee niet zonder meer inzichtelijk is. De rechtbank zal Movir dan ook in de gelegenheid stellen haar vordering op dit punt nader te specificeren en onderbouwen. [verweerder] mag daarop vervolgens reageren.
Kosten van medisch, arbeidsdeskundig en andersoortig onderzoek
4.20.
Movir wil ook de kosten die gepaard zijn gegaan met de claimbehandeling van deze zaak op [verweerder] verhalen. Het gaat dan om de kosten van medisch, arbeidsdeskundig en andersoortig onderzoek. Deze kosten vormen schade en bedragen volgens Movir in totaal € 16.338,41. Ook deze vordering vindt [verweerder] onvoldoende inzichtelijk en verifieerbaar. Verder staat voor hem niet vast in hoeverre deze kosten moesten worden gemaakt, omdat Movir geen blijk heeft gegeven van een behandelprotocol of -richtlijn. Het kostenoverzicht dat Movir in het geding heeft gebracht (productie 58 bij procesinleiding) kan volgens [verweerder] niet als deugdelijke onderbouwing dienen.
4.21.
Met [verweerder] is de rechtbank van oordeel dat de kostenopstelling van Movir wat betreft de kosten van [naam fysiotherapeut] niet duidelijk is. Wat betreft het verhaal van deze kosten wordt Movir in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat vanaf de schade-aangifte op 25 augustus 2009 al sprake was van schending van de mededelingsplicht door [verweerder]. Als [verweerder] pas in de loop van de behandeling van de schade-aangifte onjuist is gaan verklaren, zijn de daarna gemaakte kosten nodeloos gemaakt door Movir. De rechtbank zal Movir in de gelegenheid stellen de gestelde kostenopstelling te verduidelijken. Voorts moet Movir onderbouwen vanaf welk moment sprake is van onjuiste mededelingen van [verweerder]. [verweerder] mag hierop vervolgens reageren.
4.22.
In afwachting van de aktewisseling zal de rechtbank nu iedere verdere beslissing aanhouden.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
stelt Movir in de gelegenheid binnen vier weken na de bekendmaking van deze beslissing een akte in te dienen over wat is vermeld onder 4.19 en 4.21, waarna [verweerder] in de gelegenheid zal worden gesteld daarna een antwoordakte in te dienen,
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2019.
JE/St