Zo blijkt uit motivering van de oplegging van de maatregel. Zie ook het tweede cassatiemiddel.
HR, 16-12-2025, nr. 24/00859
ECLI:NL:HR:2025:1938
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-12-2025
- Zaaknummer
24/00859
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1938, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑12‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2024:437
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1222
ECLI:NL:PHR:2025:1222, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑11‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1938
Beroepschrift, Hoge Raad, 01‑07‑2024
- Vindplaatsen
Uitspraak 16‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Bedreiging van medewerkers van Forensisch Psychiatrische Kliniek met enig misdrijf tegen leven gericht en met zware mishandeling door verdachte die o.g.v. rechterlijke machtiging in kliniek verblijft, door hen (bij poging tot toediening van dwangmedicatie) toe te voegen ‘ik ga jullie één voor één vermoorden’ en ‘morgen pak ik jullie allemaal’, art. 285.1 Sr. TBS met dwangverpleging opgelegd. 1. Bewijsklacht t.a.v. redelijke vrees. Kon hof oordelen dat bij medewerkers van kliniek in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij leven zouden kunnen verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen? 2. HR wijst op verschil met HR:2023:91 (OM-cassatie tegen vrijspraak van bedreiging van zorgverleners in psychiatrisch ziekenhuis). Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2005:AT3659 m.b.t. vereisten voor veroordeling t.z.v. bedreiging met enig misdrijf tegen leven gericht dan wel met zware mishandeling en uit HR:1984:AC8252 m.b.t. (voorwaardelijk) opzet daarop. Verdachte verbleef op 14-12-2022 sinds enkele dagen o.b.v. gedwongen rechterlijke machtiging in Forensisch Psychiatrische Kliniek. Op die dag verbleef verdachte in separeerruimte omdat hij paar dagen daarvoor delen van zijn kamer had vernield. Omdat verdachte medicatie weigerde, gingen medewerkers van kliniek, onder wie aangever, separeerruimte in om verdachte dwangmedicatie toe te dienen. Daarvoor had verdachte al meerdere bedreigingen geuit dat hij medewerkers van kliniek wilde aanvallen en dat hij hen wat aan ging doen, had hij gespuugd door handboeienluik en had hij urine en ontlasting door separeerruimte gegooid. Toen medewerkers van kliniek separeerruimte binnengingen, verzette verdachte zich hevig. Verdachte heeft aangever in gezicht geslagen, onder oog gekrabd, in rug getrapt en in vinger gebeten. Daarbij zei verdachte: ‘ik ga jullie een voor een vermoorden’ en ‘morgen pak ik jullie allemaal’. Aangever heeft verklaard dat hij zich hierdoor bedreigd voelde omdat hij verdachte geloofde en verdachte ‘felle agressieve man’ is. Andere medewerker voelde zich ook bedreigd omdat hij verwachtte dat bedreigingen waarheid konden worden. ’s Hofs hierop gebaseerde oordeel dat door gedragingen van verdachte bij aangever en andere medewerker van kliniek in redelijkheid vrees kon ontstaan dat zij leven zouden kunnen verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen, geeft niet blijk van onjuiste opvatting over begrip ‘bedreiging’ a.b.i. art. 285 Sr en is niet onbegrijpelijk. Ad 2. Zaak zich onderscheidt van HR:2023:91 waarin hof verdachte had vrijgesproken van tlgd. bedreiging o.g.v. oordeel dat betreffende verbale bedreiging bij betrokkenen niet z.m. in redelijkheid de vrees kon doen ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen. Hof had daarbij mede acht geslagen op omstandigheid dat verdachte in psychiatrisch ziekenhuis was opgenomen en dat bedreigende taal in context van emotionele en ontregelde geestelijke toestand was geuit. HR verwierp cassatieberoep van OM tegen vrijspraak en betrok daarbij dat ’s hofs oordeel was verweven met aan hof voorbehouden waarderingen van feitelijke aard. Daarbij is van belang dat enkele omstandigheid dat beschikbaar bewijsmateriaal (al dan niet o.g.v. andere uitleg van gegevens van feitelijke aard) bewezenverklaring toelaat, vrijspraak niet onbegrijpelijk maakt (vgl. HR:2004:AO5061). Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00859
Datum 16 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 29 februari 2024, nummer 23-002651-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat A.C. Vingerling bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal constateren dat de in artikel 6 lid 1 EVRM bedoelde redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden en dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring in de zaak met parketnummer 13-333180-22 (zaak B) onder 3. In het bijzonder klaagt het cassatiemiddel over het oordeel van het hof dat bij de betreffende medewerkers van de Forensisch Psychiatrische Kliniek in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 13-333180-22 (zaak B) onder 3 bewezenverklaard dat:
“hij op 14 december 2022 te [plaats] , [aangever] en een andere medewerker van [A] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [aangever] en een andere medewerker van [A] dreigend de woorden toe te voegen “ik ga jullie één voor één vermoorden” en “morgen pak ik jullie allemaal”.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“5. Een geschrift, zijnde een niet ondertekend proces-verbaal van aangifte van 20 december 2022 met nummer PL1700-2022396842-2, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] , ongenummerd.
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van [aangever] :
Op 8 december 2022 is [verdachte] opgenomen bij de [A] .
Op 10 december 2022 was ik werkzaam bij de Forensisch Psychiatrische Kliniek te [plaats] . Ik hoorde van mijn collega's dat [verdachte] (het hof begrijpt hier en hierna: de verdachte) delen van zijn kamer sloopte: de kastdeuren en het omhulsel van de deurklink. Daarnaast trok [verdachte] de gordijnen (deels) naar beneden. Ik heb toen samen met mijn collega's [verdachte] overgeplaatst naar de afzonderingsruimte. Omdat [verdachte] bleef schoppen tegen de deur is [verdachte] overgeplaatst naar de separeerruimte in de TBS kliniek.
Op 14 december 2022 was ik weer aan het werk als medewerker groepsbegeleiding in de Forensisch Psychiatrische Kliniek te [plaats] . [verdachte] zat in de separeercel. Er moest dwangmedicatie toegediend worden bij [verdachte] . Ik ging naar de separeercel toe samen met mijn collega's. Ik zag toen ik en mijn collega's [verdachte] wilden overmeesteren om de dwangmedicatie toe te dienen, dat hij een slaande beweging in de richting van mijn gezicht maakte. Ik voelde dat [verdachte] met zijn hand een klap op mijn gezicht gaf. Hierop krabde [verdachte] mij in het gezicht met zijn nagels net onder mijn rechteroog. Ik voelde een pijnlijk branderig gevoel. Zijn vingers waren in mijn oog gekomen. Ik voelde dat ik een trap in mijn rug kreeg en vervolgens beet [verdachte] mij in mijn vinger. Ik hoorde dat [verdachte] doodsbedreigingen uitte naar mij en mijn collega's. Ik hoorde dat [verdachte] zei: “ik ga jullie één voor één vermoorden” en “morgen pak ik jullie”. Ik voelde mij hierdoor bedreigd omdat [verdachte] een felle agressieve man is en ik hem geloof.
6. De waarneming van het hof van de bijlage bij de aangifte met nummer PL1700-2022396842-2, ongenummerd.
Deze bijlage houdt in verschillende foto’s met daarop een kamer met een kapotte kast en een hangend zwart beschadigd gordijn.
7. Een proces-verbaal van bevindingen van 21 december 2022, opgemaakt door [Officier van Justitie] , officier van justitie te Rotterdam, ongenummerd.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [Officier van Justitie] :
Ik ontving een melding van [A] te [plaats] dat de patiënt: [verdachte] , geboren [geboortedatum] -1996 te [geboorteplaats] , zich schuldig had gemaakt aan diverse vernielingen, bedreiging met de dood en mishandeling door te slaan maar ook te bijten in een vinger.
Titel verblijf: schorsing MK Amsterdam.
Ik zag dat in de schorsingsbeslissing van rechtbank Amsterdam werd gerefereerd aan een zorgmachtiging, die was afgegeven op 8 december 2022.
(...)
10. Een geschrift, zijnde een niet ondertekend proces-verbaal verhoor getuige van 20 december 2022 met nummer PL1700-2022396842-4, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] , ongenummerd.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de (telefonisch afgelegde) verklaring van [getuige] :
Op 14 december (het hof begrijpt uit de context: 2022) was ik in dienst bij de Forensisch Psychiatrische Kliniek te [plaats] . Ik was bij patiënt [verdachte] (het hof begrijpt hier en hierna: de verdachte). Wij zijn met acht medewerkers de cel in gegaan. [verdachte] weigerde om zijn orale medicatie in te nemen waardoor wij een injectie moesten indienen. Voordat dit gebeurde had [verdachte] al meerdere bedreigingen geuit dat hij ons wilde aanvallen en hij ons wat aan ging doen, ook had hij gespuugd door het handboeienluik en had hij met zijn eigen urine en ontlasting door zijn separeercel gegooid.
Ik zag dat [verdachte] [aangever] (het hof begrijpt hier en hierna: [aangever] ) in zijn gezicht krabde en ik zag dat een andere collega een trap tegen het hoofd aan kreeg. Ik hoorde dat [aangever] in zijn vinger gebeten was.
Toen ik de vinger zag, was dat ook duidelijk te zien. Tijdens de worsteling tussen [verdachte] en ons hoorde ik dat [verdachte] meerdere bedreigingen uitte naar iedereen die hem onder bedwang wilde krijgen. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat hij ons af wilde maken en met ons wilde gaan vechten. Ik voelde mij hierdoor bedreigd omdat ik verwacht dat zijn bedreigingen waarheid kunnen worden.”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring in de zaak met parketnummer 13-333180-22 (zaak B) onder 3 overwogen:
“De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van de ten laste gelegde bedreiging dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de aangever onder de gegeven omstandigheden niet daadwerkelijk de redelijke vrees heeft kunnen bekomen dat de bedreiging zou worden uitgevoerd.
Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe het volgende.
Vooropgesteld dient te worden dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, vereist is dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen dan wel het leven zou kunnen verliezen.
Het ten laste gelegde vond plaats op 14 december 2022 in de Forensische Psychiatrische Kliniek te [plaats] , alwaar de verdachte sinds 8 december 2022 verbleef op basis van een gedwongen rechterlijke machtiging. Op die dag verbleef de verdachte in de separeerruimte omdat hij een paar dagen daarvoor delen van zijn kamer had vernield. Er moest dwangmedicatie worden toegediend, omdat de verdachte orale medicatie weigerde. [aangever] is medewerker groepsbegeleider bij voornoemd centrum. Op de bewuste dag ging hij samen met een aantal collega’s naar de separeerruimte om de verdachte een injectie te geven. De verdachte verzette zich hier hevig tegen en heeft de aangever in het gezicht geslagen, onder zijn oog gekrabd, in zijn rug getrapt en in zijn vinger gebeten. De verdachte zei daarbij: “ik ga jullie een voor een vermoorden” en “morgen pak ik jullie allemaal”. [aangever] heeft verklaard dat hij zich bedreigd voelde omdat de verdachte een felle agressieve man is. De [getuige] , eveneens werkzaam bij voornoemd centrum, heeft verklaard dat hij de bedreigingen heeft gehoord en getuige was van het geweld. Hij voelde zich bedreigd omdat hij verwachtte dat de bedreigingen waarheid konden worden. Hij heeft voorts verklaard dat de verdachte eerder al had gespuugd door het handboeienluik en zijn urine en ontlasting door de cel had gegooid.
Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden bij [aangever] en de [getuige] de redelijke vrees is ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen dan wel het leven zouden kunnen verliezen. Hierbij is in het bijzonder van belang dat uit bovengenoemde omstandigheden blijkt dat de verdachte verplicht medicatie moest innemen, maar dit weigerde en zich daar hevig tegen verzette en daarbij daadwerkelijk overging tot het gebruik van geweld. Het feit dat zowel [aangever] als [getuige] werkzaam waren in het Forensisch Psychiatrische Centrum waar de verdachte gedwongen verbleef maakt dat niet anders.
Het psychiatrisch ziektebeeld van de verdachte en het feit dat hij zich ten tijde van het doen van de gewraakte uitingen in een separeerruimte bevond, doen hieraan evenmin af.”
2.3
Voor een veroordeling voor bedreiging als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling is in een geval als dit vereist dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen (vgl. HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659) en dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte daarop was gericht (vgl. HR 17 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8252).
2.4
Het hof heeft het volgende vastgesteld. De verdachte verbleef op 14 december 2022 sinds enkele dagen op basis van een gedwongen rechterlijke machtiging in een Forensisch Psychiatrische Kliniek. Op die dag verbleef de verdachte in de separeerruimte omdat hij een paar dagen daarvoor delen van zijn kamer had vernield. Omdat de verdachte zijn medicatie weigerde, ging een aantal medewerkers van de kliniek, onder wie de [aangever] , de separeerruimte in om de verdachte dwangmedicatie toe te dienen. Daarvoor had de verdachte al meerdere bedreigingen geuit dat hij de medewerkers van de kliniek wilde aanvallen en dat hij hen wat aan ging doen, had hij gespuugd door het handboeienluik en had hij zijn urine en ontlasting door de separeerruimte gegooid. Toen de medewerkers van de kliniek de separeerruimte binnengingen, verzette de verdachte zich hevig. De verdachte heeft de aangever daarbij in het gezicht geslagen, onder een oog gekrabd, in de rug getrapt en in een vinger gebeten. Daarbij zei de verdachte: “ik ga jullie een voor een vermoorden” en “morgen pak ik jullie allemaal”. De aangever heeft verklaard dat hij zich hierdoor bedreigd voelde omdat hij de verdachte geloofde en de verdachte “een felle agressieve man” is. De in de bewezenverklaring bedoelde andere medewerker van de kliniek voelde zich ook bedreigd omdat hij verwachtte dat de bedreigingen waarheid konden worden.Het hof heeft op grond van deze vaststellingen geoordeeld dat door deze gedragingen van de verdachte bij de aangever en de in de bewezenverklaring bedoelde andere medewerker van de kliniek in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen.
2.5
Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting over het begrip ‘bedreiging’ als bedoeld in artikel 285 Sr en is, mede gelet op de bewijsvoering, niet onbegrijpelijk.
2.6
Het cassatiemiddel faalt.
2.7
Opmerking verdient dat deze zaak zich onderscheidt van de, in de toelichting op het cassatiemiddel genoemde, zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Hoge Raad van 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:91. In die zaak had het hof – anders dan in de zaak die nu voorligt – de verdachte vrijgesproken van de tenlastegelegde bedreiging. Het hof oordeelde in de omstandigheden van dat geval dat de betreffende verbale bedreiging bij de betrokkenen niet zonder meer in redelijkheid de in rechtsoverweging 2.3 bedoelde vrees kon doen ontstaan. Het hof had daarbij mede acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis was opgenomen en dat de bedreigende taal in de context van een emotionele en ontregelde geestelijke toestand was geuit. De Hoge Raad verwierp het door het openbaar ministerie ingestelde cassatieberoep tegen de vrijspraak en betrok daarbij dat het betreffende oordeel van het hof was verweven met aan het hof voorbehouden waarderingen van feitelijke aard. Daarbij is ook van belang dat, als het openbaar ministerie in cassatie opkomt tegen een door het hof gegeven vrijspraak, de enkele omstandigheid dat het beschikbare bewijsmateriaal – al dan niet op grond van een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard – een bewezenverklaring toelaat, een vrijspraak niet onbegrijpelijk maakt (vgl. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5061).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Omdat de opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege zich naar zijn aard niet voor vermindering leent, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025.
Conclusie 11‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Bedreiging (art. 285 Sr). Eerste middel klaagt dat bij de slachtoffers niet de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het het leven zouden verliezen, gelet op de geestelijke toestand van de verdachte en de wijze waarop hij in een kliniek werd behandeld. Tweede middel klaagt dat het hof bij de oplegging van een terbeschikkingstelling met verpleging ten onrechte heeft vastgesteld dat de maatregel is opgelegd voor een geweldsmisdrijf. Beide middelen falen. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep (81.1 RO).
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00859
Zitting 11 november 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 29 februari 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-002651-23; ECLI:NL:GHAMS:2024:437) veroordeeld voor in zaak A onder 1 en 2 en zaak B onder 2 telkens “mishandeling”, in zaak B onder 1 “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen” en in zaak B onder 3 “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling” en vervolgens door het hof ontslagen van alle rechtsvervolging. Het hof heeft ter zake van de in zaak B onder 3 bewezen verklaarde bedreiging gelast dat de verdachte (ongemaximeerd)1.ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.
1.2
Het cassatieberoep is op 11 maart 2024 ingesteld namens de verdachte. A.C. Vingerling, advocaat in Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
2.1
Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onder gebruikmaking van een ontoereikende motivering, heeft geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbare bedreiging als bedoeld in art. 285 Sr.
2.2
Ten laste van de verdachte is in zaak B onder 3 bewezen verklaard dat:
“3. hij op 14 december 2022 te [plaats] , [slachtoffer 1] en een andere medewerker van [A] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] en een andere medewerker van [A] dreigend de woorden toe te voegen “ik ga jullie één voor één vermoorden” en “morgen pak ik jullie allemaal””
In zaak B onder 2 was de genoemde [slachtoffer 1] eveneens het slachtoffer. Ten laste van de verdachte is immers bewezen verklaard dat:
“hij op 14 december 2022 te [plaats] , [slachtoffer 1] heeft mishandeld door deze [slachtoffer 1] eenmaal in het gezicht te slaan en te krabben en eenmaal tegen de rug te trappen en vervolgens in de vinger te bijten”
2.3
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 februari 2024 volgt dat de raadsman van de verdachte het woord heeft gevoerd overeenkomstig zijn in het dossier gevoegde pleitnota. Blijkens die pleitnota heeft de raadsman onder meer het volgende aangevoerd:
“Zaak B, feit 3, bedreigingen:
Omstandigheden waaronder:
Op woensdag 14 december 2022, omstreeks 12.15 uur, was ik werkzaam bij de Forensische Psychiatrische Kliniek. Er moest dwangmedicatie toegediend worden bij [verdachte] die op dat moment in de separeercel van het Forensische Psychiatrische Kliniek zat. Ik ging naar de separeercel toe samen met mijn collega’s. Ik zag dat toen ik en mijn collega's [verdachte] wilden overmeesteren om de dwangmedicatie toe te dienen dat [verdachte] een slaande beweging in de richting van mijn gezicht maakte. Ik voelde dat [verdachte] met zijn hand een klap op mijn gezicht gaf, hierdoor wist ik even niet wat er gebeurde. Hierop krabte [verdachte] mij in het gezicht met zijn nagels net onder mijn rechteroog. Ik voelde een pijnlijk branderig gevoel voor de komende twee dagen omdat één van zijn vingers in mijn rechteroog was gekomen. Ik voelde dat ik een trap in mijn rug kreeg en vervolgens beet [verdachte] mij in mijn vinger. Ik hoorde dat [verdachte] doodsbedreigingen uitte naar mij en mijn collega's. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat "ik ga jullie één voor één vermoorden" en "morgen pak ik jullie allemaal". Ik voelde mij hierdoor bedreigd omdat [verdachte] een felle agressieve man is en ik hem geloof dat hij dit kan doen omdat hij zo fel is.
Cliënt was volledig van het padje, zoveel is duidelijk. De rb heeft cliënt ook volledig ontoerekeningsvatbaar verklaard voor alle feiten. Voor wat de betreft de feiten in zaak B merkt de rb nog op:
'Ten tijde van zaak B was er ook geen contact met hem te krijgen.'
Mijn vraag is, kan aangever onder deze omstandigheden daadwerkelijk de redelijke vrees bekomen dat cliënt de volgende dag hem dood zal maken, gedrogeerd, vanuit de separeercel... ? Ik meen van niet.
In ECLI:NL:HR:2023:91 laat de hoge raad de volgende uitspraak in stand:
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is van bedreiging sprake indien deze van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd.
Het hof acht bij de beoordeling van de feiten 1 en 2 allereerst van belang dat verdachte vanwege haar geestelijke toestand gedwongen was opgenomen op de psychiatrische afdeling om behandeld te worden voor haar daaruit voortvloeiende klachten en onhandelbaar gedrag. Het is voorstelbaar dat verdachte, wanneer zij vanwege dat gedrag in de separeercel wordt of is geplaatst, grensoverschrijdend en onaangepast reageert wanneer zij door het personeel wordt beetgepakt. Datzelfde kan zich voordoen wanneer haar wens om in de separeercel te mogen roken, wordt afgewezen, hoe terecht die afwijzing op zichzelf genomen misschien ook moge zijn. Als die reactie zo heftig is dat die een verbale bedreiging inhoudt dan staat gelet op de psychiatrische omgeving en context, waarin die reactie wordt gegeven, niet zonder meer vast dat in redelijkheid door professionals als aangeefsters te vrezen valt dat verdachte die verbale bedreiging ook werkelijk zal uitvoeren. Bijzondere omstandigheden om daarvoor bezorgd te zijn, zijn in de gegeven situatie niet gebleken.
Het hof acht daarom niet bewezen dat bij de bedreigde (aangeefster) de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd ook zou worden gepleegd.
Het hof zal verdachte vrijspreken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde."
Let wel: ook in deze zaak ging het om doodsbedreigingen!
Zie ook Hoge Raad, 28 maart 2006, NBSTRAF 2006/171:
3.4.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen is niet af te leiden dat met betrekking tot [slachtoffer 2] de bedreiging in de gegeven omstandigheden – de verdachte was, na te zijn onderworpen aan een insluitingsfouillering, ingesloten in de observatiecel van het politiebureau – van dien aard was dat bij deze de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. De bewezenverklaring is in zoverre ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht. De Hoge Raad zal om doelmatigheidsredenen de verdachte ter zake van de tenlastegelegde bedreiging van [slachtoffer 2] vrijspreken. Daardoor wordt de aard en ernst van hetgeen in de bestreden uitspraak ten laste van de verdachte is bewezenverklaard niet aangetast, zodat vernietiging ter zake van de strafoplegging achterwege kan blijven.
Onder de gegeven omstandigheden meen ik dat aangever niet de redelijke vrees heeft kunnen bekomen dat cliënt hem (de volgende dag) zou doodmaken. Een vrijspraak van de bedreiging heeft derhalve te volgen.”
2.4
Het hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:
“Bewijsoverweging ten aanzien van de in zaak B onder 3 tenlastegelegde bedreiging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van de ten laste gelegde bedreiging dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de aangever onder de gegeven omstandigheden niet daadwerkelijk de redelijke vrees heeft kunnen bekomen dat de bedreiging zou worden uitgevoerd.
Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe het volgende.
Vooropgesteld dient te worden dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, vereist is dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen dan wel het leven zou kunnen verliezen.
Het ten laste gelegde vond plaats op 14 december 2022 in de Forensische Psychiatrische Kliniek te [plaats] , alwaar de verdachte sinds 8 december 2022 verbleef op basis van een gedwongen rechterlijke machtiging. Op die dag verbleef de verdachte in de separeerruimte omdat hij een paar dagen daarvoor delen van zijn kamer had vernield. Er moest dwangmedicatie worden toegediend, omdat de verdachte orale medicatie weigerde. [slachtoffer 1] is medewerker groepsbegeleider bij voornoemd centrum. Op de bewuste dag ging hij samen met een aantal collega’s naar de separeerruimte om de verdachte een injectie te geven. De verdachte verzette zich hier hevig tegen en heeft de aangever in het gezicht geslagen, onder zijn oog gekrabd, in zijn rug getrapt en in zijn vinger gebeten. De verdachte zei daarbij: “ik ga jullie een voor een vermoorden” en “morgen pak ik jullie allemaal”. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij zich bedreigd voelde omdat de verdachte een felle agressieve man is. De [getuige] , eveneens werkzaam bij voornoemd centrum, heeft verklaard dat hij de bedreigingen heeft gehoord en getuige was van het geweld. Hij voelde zich bedreigd omdat hij verwachtte dat de bedreigingen waarheid konden worden. Hij heeft voorts verklaard dat de verdachte eerder al had gespuugd door het handboeienluik en zijn urine en ontlasting door de cel had gegooid.
Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden bij [slachtoffer 1] en de [getuige] de redelijke vrees is ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen dan wel het leven zouden kunnen verliezen. Hierbij is in het bijzonder van belang dat uit bovengenoemde omstandigheden blijkt dat de verdachte verplicht medicatie moest innemen, maar dit weigerde en zich daar hevig tegen verzette en daarbij daadwerkelijk overging tot het gebruik van geweld. Het feit dat zowel [slachtoffer 1] als [getuige] werkzaam waren in het Forensisch Psychiatrische Centrum waar de verdachte gedwongen verbleef maakt dat niet anders.
Het psychiatrisch ziektebeeld van de verdachte en het feit dat hij zich ten tijde van het doen van de gewraakte uitingen in een separeerruimte bevond, doen hieraan evenmin af.”
2.5
Ik stel het volgende voorop. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling is in een geval als het onderhavige vereist dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen, respectievelijk zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen2.en dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte daarop was gericht.3.
2.6
De steller van het middel meent dat het oordeel van het hof dat uit de omstandigheden van het geval zonder meer kan worden ‘opgemaakt’ dat de medewerkers van de Forensische Psychiatrische Kliniek (hierna: FPK) de redelijke vrees hebben kunnen bekomen dat de bedreigingen daadwerkelijk ten uitvoer zouden worden gelegd, nadere motivering behoeft, nu “een ernstig verwarde man, die in een separeerruimte verblijft, (…) niet in staat [is] om de medewerkers van de FPK één voor één te vermoorden dan wel ze de volgende dag, morgen, allemaal te pakken, althans dat ligt niet in de rede”. De steller van het middel wijst op het arrest HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:91, NJ 2023/89 m.nt. A.J. Machielse, waarvan de casus volgens hem “zeer grote gelijkenissen” vertoont met de zaak van de verdachte. De steller van het middel merkt op dat hem niet duidelijk is waarom het hof in de onderhavige zaak anders heeft geoordeeld dan in dat arrest. In de toelichting op het middel wordt voorts geklaagd dat in het bestreden arrest “niet (noemenswaardig) wordt ingegaan op de zijdens verzoeker gevoerde verweren”.
2.7
Het arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2023 heeft betrekking op een door het openbaar ministerie ingesteld cassatieberoep tegen een arrest waarin de verdachte was vrijgesproken. Het hof had geoordeeld dat de verbale bedreiging bij de betrokkenen niet zonder meer in redelijkheid de (hiervoor in randnummer 2.5 bedoelde) vrees kon doen ontstaan. Dat oordeel getuigt volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en het is, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, volgens hem ook niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad oordeelt vervolgens dat het hof daarbij acht kon slaan op de concrete omstandigheden dat de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis was opgenomen en de bedreigende taal “in haar emotionele geestelijke toestand” respectievelijk “in haar ontregelde geestelijke toestand” heeft geuit. De steller van het middel in de onderhavige zaak lijkt te miskennen dat dit arrest betrekking heeft op een vrijspraak in hoger beroep en dat een vrijspraak – in het bijzonder de motivering van het ontbreken van de overtuiging dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan – in cassatie in zeer beperkte mate kan worden getoetst. Dat betekent dat als het beschikbare bewijsmateriaal een bewezenverklaring toelaat, nog niet is gezegd dat de inhoud van een nadere motivering van een vrijspraak die beslissing tot vrijspraak onbegrijpelijk maakt.4.Daarmee heeft een dergelijk arrest geen relevantie voor de beoordeling van de vraag of een bewezenverklaring begrijpelijk is gemotiveerd. Ten overvloede wijs ik erop dat het hof door het gebruik van de woorden “niet zonder meer” de mogelijkheid openhield dat door bijkomende omstandigheden wél sprake kan zijn van een bedreiging, terwijl het arrest geen melding maakt van gebruik van geweld door de verdachte.
2.8
In het middel wordt niet geklaagd over het (kennelijke) oordeel van het hof dat de bewezen verklaarde woorden: “ik ga jullie één voor één vermoorden” en “morgen pak ik jullie allemaal” op zichzelf als doodsbedreigingen dan wel bedreigingen met zware mishandeling zijn te kwalificeren. Uit de rechtspraak blijkt tot nu toe niet dat het bedreigende karakter van ‘ondubbelzinnige bedreigingen’, zoals de bewezen verklaarde in de onderhavige zaak, door bijkomende omstandigheden daaraan kan worden ontnomen.5.Met A.J. Machielse in zijn annotatie bij het arrest HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:91, NJ 2023/89 meen ik dat de opvatting dat “aan toepassing van art.285 Sr in de weg zou staan dat verdachte onder invloed was van middelen, ten prooi was aan hevige emoties, of vanwege persoonlijkheidsproblematiek of op andere gronden van zijn vrijheid was beroofd op het moment dat de bedreigingen werden geuit”, geen steun vindt in de rechtspraak. Het tegendeel blijkt bijvoorbeeld uit HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4824, NJ 2006/397 m.nt. Y. Buruma, waarin de Hoge Raad van belang acht dat de raadsman weliswaar heeft betoogd dat de verdachte “stomdronken was en niet met hem te spreken viel”, maar dat hij tevens heeft gesteld dat de nageroepen woorden op zichzelf genomen voldoende zijn om bij de bedreigden de redelijke vrees te doen ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen.
2.9
Het voorgaande neemt niet weg dat ik mij kan voorstellen dat als in een uitzonderlijk geval waarin de bedreiging moet worden begrepen als uitsluitend te zien op een specifiek, concreet moment en is vastgesteld dat de verdachte zich op dat moment (bijvoorbeeld) geboeid op het politiebureau bevond of zou bevinden, waardoor hij niet in staat was om op dat specifieke moment de bedreiging ten uitvoer te brengen, én de betrokkene dat weet, bij de betrokkene niet in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het gevolg zou kunnen oplopen waarmee is bedreigd.6.Bij het oordeel of de vrees kon ontstaan, zou naar mijn mening echter geen rekening mogen worden gehouden met de eventuele maatregelen die (mede) als reactie op de bedreiging zijn getroffen om te voorkomen dat de verdachte de bedreiging kan waarmaken.
2.10
Ik acht het oordeel van het hof dat de bewezen verklaarde uiting van dien aard is dat bij de [slachtoffer 1] en een andere medewerker van de FPK de redelijke vrees kon ontstaan7.dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen dan wel het leven zouden kunnen verliezen, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof hierbij in het bijzonder van belang heeft geacht dat de bedreigingen zijn geuit nadat de verdachte verplicht medicatie moest innemen, maar dit weigerde en zich daartegen hevig verzette en dat hij daarbij daadwerkelijk overging tot het gebruik van geweld. Het oordeel van het hof dat het psychiatrisch ziektebeeld van de verdachte en de omstandigheid dat hij zich ten tijde van het doen van de gewraakte uitingen in een separeerruimte bevond hieraan niet afdoen, acht ik evenmin onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ten slotte ligt in het oordeel van het hof besloten dat – anders dan de verdediging heeft bepleit en in cassatie wordt herhaald – daaraan evenmin kan afdoen (i) dat de verdachte zich de volgende dag nog in de separeerruimte zou bevinden, en (ii) dat de verdachte de volgende dag gedrogeerd zou zijn, nu (i) is gebleken dat de verdachte ook vanuit de separeerruimte geweld kon plegen, (ii) niet is aangevoerd, noch vastgesteld, dat de verdachte de volgende dag nog gedrogeerd zou zijn dan wel dusdanig gedrogeerd zou zijn dat hij daardoor niet in staat zou zijn om ‘hen allemaal’ te pakken en (iii) dat slechts de bewezen verklaarde bedreiging “morgen pak ik jullie allemaal” op de volgende dag ziet nu de bewezen verklaarde bedreiging “ik ga jullie één voor één vermoorden” op elk moment in de toekomst ten uitvoer kan worden gebracht.
2.11
Het middel faalt.
3. Het tweede middel
3.1
Het middel klaagt dat het hof “ten onrechte, althans onder gebruikmaking van een ontoereikende motivering, heeft geoordeeld dat er sprake is van een geweldsmisdrijf als bedoeld in art. 38e Sr, waardoor er sprake van een ongemaximeerde TBS”.
3.2
Zoals in randnummer 1.1 reeds is aangegeven, heeft het hof ‘de maatregel van tbs’ (hierna: tbs) uitsluitend opgelegd ten aanzien van de in zaak B onder 3 bewezenverklaarde bedreiging. Met betrekking tot de tbs heeft het hof onder meer het volgende overwogen:
“Noodzaak en mogelijkheid van (on)gemaximeerde TBS
Het hof overweegt dat bedreiging niet zonder meer is aan te merken als geweldsmisdrijf als bedoeld in artikel 38e Sr, zodat TBS met dwangverpleging in beginsel de maximale duur van vier jaren niet te boven kan gaan. Echter, onder omstandigheden kan ook bij bewezenverklaring van artikel 285 Sr een ongemaximeerde TBS-maatregel worden opgelegd. Daarbij dienen alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen te worden, waarbij onder meer gekeken kan worden of de bedreiging werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag ten opzichte van de bedreigde dan wel op enigerlei (andere) wijze werd ondersteund, alsmede of destijds aannemelijk was dat de bedreiging zou worden uitgevoerd.8.
Naar het oordeel van het hof ligt in de bewezenverklaring van de bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, de bewijsoverweging, en de motivering van de oplegging van de maatregel, in onderling verband en samenhang bezien, besloten dat sprake is van een geweldsmisdrijf in de zin van artikel 38e Sr. De totale duur van de TBS-maatregel met een bevel tot dwangverpleging is daarom niet beperkt tot de duur van vier jaren. Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen met betrekking tot het recidivegevaar, vindt het hof het ook noodzakelijk dat de TBS-maatregel niet door enige duur wordt beperkt.”
3.3
Art. 38e lid 1 Sr luidt:
“De totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege gaat een periode van vier jaar niet te boven, tenzij de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”
Art. 359 lid 7 Sv luidt:
“Als de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, geeft het vonnis dit onder opgave van redenen aan.”
3.4
Ik stel het volgende voorop. Art. 38e lid 1 Sr stelt als voorwaarde voor verlenging van de tbs met verpleging van overheidswege – als deze tbs reeds vier jaren of langer heeft geduurd – dat de maatregel moet zijn opgelegd ter zake van “een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen”, oftewel een geweldsmisdrijf. De rechter die een tbs met verpleging oplegt, dient tot uitdrukking te brengen of de maatregel wel of niet voor een geweldsmisdrijf is opgelegd, bij voorkeur in de bewoordingen van art. 359 lid 7 Sv. Dat is vooral van belang als het misdrijf waarvoor de tbs is opgelegd, niet zonder meer kan worden gekarakteriseerd als een geweldsmisdrijf, bijvoorbeeld bij een bedreiging (art. 285 Sr).9.In de regel zal de rechter bij zijn motivering ermee kunnen volstaan te wijzen op de aard van het misdrijf zoals dat is bewezenverklaard en gekwalificeerd. Aan de voorgeschreven motivering zullen dus normaliter niet zulke strenge eisen behoeven te worden gesteld. Onder omstandigheden zal de rechter evenwel in zijn motivering moeten wijzen op de concrete feiten of omstandigheden.10.Het ligt voor de hand dat dit laatste eerder aan de orde is bij een misdrijf dat niet zonder meer als een geweldsmisdrijf kan worden aangemerkt, zoals bedreiging. Heeft de rechter die de maatregel oplegt eenmaal vastgesteld dat een feit ‘naar zijn aard’ een geweldsmisdrijf is, staat het hem niet vrij alsnog te bepalen dat de totale duur van de tbs met verpleging de periode van vier jaar niet te boven kan gaan.11.
3.5
Bij zijn oordeel over de aard van de bedreiging moet de rechter alle relevante omstandigheden in aanmerking nemen. Daarbij zal hij onder meer kunnen betrekken of de bedreiging werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag ten opzichte van de bedreigde dan wel op enigerlei (andere) wijze werd ondersteund, alsmede of destijds aannemelijk was dat de bedreiging zou worden uitgevoerd.12.
3.6
Het hof heeft geoordeeld dat sprake is van een geweldsmisdrijf in de zin van art. 38e Sr. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is in het geheel niet onbegrijpelijk. Het hof verwijst ter onderbouwing van zijn oordeel onder andere naar de bewijsoverwegingen. Uit die overwegingen volgt dat de bedreiging van de beide slachtoffers gepaard is gegaan met het gebruik van fysiek geweld, resulterend in een veroordeling voor de mishandeling van een van hen. Volgens deze vaststellingen is de bedreiging dus voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag, zodat het hof alleen al daarom heeft kunnen oordelen dat de tbs werd opgelegd voor een geweldsmisdrijf.
3.7
Anders dan de steller van het middel meent, behoefde het hof bij zijn oordeel niet stil te staan “bij de bijzondere setting waarbinnen de bedreigingen zijn geuit, te weten in een kliniek, op het moment dat een volledig verward persoon met grote overmacht dwangmedicatie krijgt toegediend alsook de toenmalige psychische ontregeling van verzoeker” dan wel bij de in de toelichting op het middel vermelde omstandigheid “dat het destijds niet aannemelijk is geweest dat de bedreigingen ten uitvoer zouden worden gelegd” en evenmin bij de volgens de steller van het middel bij het hof aangekaarte omstandigheid dat “mag worden verwacht dat psychische ontregeling een moment in het leven van verzoeker betreft en geen permanente staat”.
3.8
Het middel faalt.
4. Afronding
4.1
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve wijs ik op het volgende. Namens de verdachte, die zich in voorlopige hechtenis bevindt, is op 11 maart 2024 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden. Aangezien de aan de verdachte opgelegde terbeschikkingstelling zich naar haar aard niet leent voor vermindering, kan de Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden.13.
4.3
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
4.4
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zal constateren dat de in art. 6 lid 1 EVRM bedoelde redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden en strekt voorts tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑11‑2025
Vgl. HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448, rov. 3.3.
Vgl. HR 17 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8252, NJ 1984/479, rov. 6.2.
A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 323.
Vgl. A.J. Machielse in zijn annotatie bij het arrest HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:91, NJ 2023/89 onder 5. Hij wijst terecht op de mogelijke uitzondering op die ‘regel’ als de verdachte er geen rekening mee heeft gehouden dat de bedreigingen ter ore van betrokkene zouden komen (vgl. bijvoorbeeld HR 8 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:836), al gaat het in dat geval om het opzet van de verdachte en niet om de bedreiging zelf. Vgl. ook A.J. Machielse in Noyon, Langemeijer, Remmelink, aant. 4 bij art. 285 Sr (actueel t/m 9 oktober 2024).
Ik vind het niet geheel begrijpelijk dat de Hoge Raad in HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4191 oordeelde over een geval waarin de bedreiging níet zag op een specifiek, concreet moment, dat uit de bewijsmiddelen niet is af te leiden dat “de bedreiging in de gegeven omstandigheden – de verdachte was, na te zijn onderworpen aan een insluitingsfouillering, ingesloten in de observatiecel van het politiebureau – van dien aard was dat bij de betrokkene de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen”. Dat lijkt ook Machielse te menen in zijn hiervoor in voetnoot 5 bedoelde commentaar op art. 285 Sr. Overigens achtte de Hoge Raad in HR 11 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0740 voor het aannemen van de “redelijke vrees” (kennelijk) wel van belang dat de betreffende bedreigingen niet specifiek op het heden gericht waren, maar ook op de toekomst gericht konden zijn.
Het hof spreekt over “is ontstaan”, maar gelet op de door het hof gebezigde vooropstelling waarin het hof de juiste bewoordingen “kon ontstaan” gebruikt, lees ik dit als een kennelijke vergissing.
Voetnoot in arrest: “vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8434, NJ 2013/161”.
Vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8434, NJ 2013/161 m.nt. P.H.P.H.M.C. van Kempen, rov. 4.3.
Vgl. HR 25 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:760, rov. 6.2 en 6.3. Om die reden lijkt mij dat de overwegingen van het hof over de ‘noodzaak’ van een ongemaximeerde tbs niet van enige betekenis zijn.
Vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8434, rov. 4.6.
Vgl. 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. rov. 3.6.2. onder c.
Beroepschrift 01‑07‑2024
CASSATIESCHRIFTUUR
Hoge Raad der Nederlanden
Griffienummer: 24/00859
Schriftuur houdende twee middelen van cassatie
Van: mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht, kantoorhoudende aan de Croeselaan 244 te Utrecht (3521 CL), Boumanjal & Vingerling Advocaten.
In de zaak van:
De heer [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1996 en wonende aan de [adres] te [woonplats] ([postcode]), thans gedetineerd in [verblijfplaats], verzoeker tot cassatie van het door het gerechtshof te Amsterdam op 29 februari 2024 onder parketnummer 23-002651-23 uitgesproken arrest.
Middel I
Er is sprake van schending van het recht en / of van verzuim van vormen, zoals bedoeld in artikel 79 RO, waarvan de niet naleving nietigheid met zich meebrengt.
In het bijzonder heeft het hof ten onrechte, althans onder gebruikmaking van en ontoereikende motivering, geoordeeld dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbare bedreiging als bedoeld in art. 285 Sr.
Toelichting:
Tegen verzoeken zijn in eerste aanleg meerdere dagvaardingen uitgebracht. Vide het bestreden arrest is er een zaak A (13-263215-22) en een zaak B (13-333180-22). In zaak B is onder feit 3 het volgende aan verzoeker tenlastegelegd dat:
‘3.
hij op of omstreeks 14 december 2022 te [a-plaats], gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] en/of andere medewerkers van [A] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] en/of andere medewerkers van [A] dreigend de woorden toe te voegen ‘ik ga jullie één voor één vermoorden’ en/of ‘morgen pak ik jullie allemaal’, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.’
Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is verzoeker veroordeeld voor dit feit, ondanks dat er in hoger beroep uitvoerig verweer is gevoerd. Naar de mening van verzoeker hebben de medewerkers van de [A], onder de gegeven omstandigheden, niet daadwerkelijk de redelijke vrees hebben kunnen bekomen dat hij, verzoeker, zijn dreigementen ten uitvoer zou gaan leggen. Verzoeker kan zich derhalve niet verenigen met de verwerping van het gevoerde verweer en de uiteindelijke bewezenverklaring.
Het in hoger beroep gevoerde verweer is terug te vinden in de overgelegde pleitaantekeningen alsook in het proces-verbaal ter zitting van 15 februari 2024, waarbij zij opgemerkt dat als het om zaak B, feit 3 gaat in het bijzonder naar de pleitaantekeningen wordt verwezen. Reden waarom hieronder enkel het relevante gedeelte uit de pleitaantekeningen wordt weergegeven:
‘Zaak B, feit 3, bedreigingen:
Omstandigheden waaronder:
‘Op woensdag 14 december 2022, omstreeks 12.15 uur, was ik werkzaam bij de Forensische Psychiatrische Kliniek. Er moest dwangmedicatie toegediend worden bij [verdachte] die op dat moment in de separeercel van het Forensische Psychiatrische Kliniek zat. Ik ging naar de separeercel toe samen met mijn collega's. Ik zag dat toen ik en mijn collega's [verdachte] wilden overmeesteren om de dwangmedicatie toe te dienen dat [verdachte] een slaande beweging in de richting van mijn gezicht maakte. Ik voelde dat [verdachte] met zijn hand een klap op mijn gezicht gaf, hierdoor wist ik even niet wat er gebeurde. Hierop krabte [verdachte] mij in het gezicht met zijn nagels net onder mijn rechteroog. Ik voelde een pijnlijk branderig gevoel voor de komende twee dagen omdat één van zijn vingers in mijn rechteroog was gekomen. Ik voelde dat ik een trap in mijn rug kreeg en vervolgens beet [verdachte] mij in mijn vinger. Ik hoorde dat [verdachte] doodsbedreigingen uitte naar mij en mijn collega's. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat ‘ik ga jullie één voor één vermoorden’ en ‘morgen pak ik jullie allemaal’. Ik voelde mij hierdoor bedreigd omdat [verdachte] een felle agressieve man is en ik hem geloof dat hij dit kan doen omdat hij zo fel is.’
Cliënt was volledig van het padje, zoveel is duidelijk. De rb heeft cliënt ook volledig ontoerekeningsvatbaar verklaard voor alle feiten. Voor wat de betreft de feiten in zaak B merkt de rb nog op:
‘Ten tijde van zaak B was er ook geen contact met hem te krijgen.’
Mijn vraag is, kan aangever onder deze omstandigheden daadwerkelijk de redelijke vrees bekomen dat cliënt de volgende dag hem dood zal maken, gedrogeerd, vanuit de separeercel…? Ik meen van niet.
In ECLI:NL:HR:2023:91 laat de hoge raad de volgende uitspraak in stand:
‘Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is van bedreiging sprake indien deze van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd.
Het hof acht bij de beoordeling van de feiten 1 en 2 allereerst van belang dat verdachte vanwege haar geestelijke toestand gedwongen was opgenomen op de psychiatrische afdeling om behandeld te worden voor haar daaruit voortvloeiende klachten en onhandelbaar gedrag. Het is voorstelbaar dat verdachte, wanneer zij vanwege dat gedrag in de separeercel wordt of is geplaatst, grensoverschrijdend en onaangepast reageert wanneer zij door het personeel wordt beetgepakt. Datzelfde kan zich voordoen wanneer haar wens om in de separeercel te mogen roken, wordt afgewezen, hoe terecht die afwijzing op zichzelf genomen misschien ook moge zijn.
Als die reactie zo heftig is dat die een verbale bedreiging inhoudt dan staat gelet op de psychiatrische omgeving en context, waarin die reactie wordt gegeven, niet zonder meer vast dat in redelijkheid door professionals als aangeefsters te vrezen valt dat verdachte die verbale bedreiging ook werkelijk zal uitvoeren. Bijzondere omstandigheden om daarvoor bezorgd te zijn, zijn in de gegeven situatie niet gebleken.
Het hof acht daarom niet bewezen dat bij de bedreigde (aangeefster) de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd ook zou worden gepleegd.
Het hof zal verdachte vrijspreken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.’
Let wel: ook in deze zaak ging het om doodsbedreigingen!
Zie ook Hoge Raad, 28 maart 2006, NBSTRAF 2006/171:
‘3.4.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen is niet af te leiden dat met betrekking tot J. Stijsiger de bedreigingen in de gegeven omstandigheden — de verdachte was, na te zijn onderworpen aan een insluitingsfouillering, ingesloten in de observatiecel van het politiebureau — van dien aard was dat bij deze de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. De bewezenverklaring is in zoverre ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht. De Hoge Raad zal om doelmatigheidsredenen de verdachte ter zake van de tenlastegelegde bedreigingen van [slachtoffer 2] vrijspreken. Daardoor wordt de aard en ernst van hetgeen in de bestreden uitspraak ten laste van de verdachte is bewezenverklaard niet aangetast, zodat vernietiging ter zake van de strafoplegging achterwege kan blijven.’
Onder de gegeven omstandigheden meen ik dat aangever niet de redelijke vrees heeft kunnen bekomen dat cliënt hem (de volgende dag) zou doodmaken. Een vrijspraak van de bedreiging heeft derhalve te volgen.’
Als gezegd is dit verweer door het hof verworpen, waarbij het volgende wordt overwogen op p. 3 e.v. van het arrest:
‘Bewijsoverweging ten aanzien van de in zaak B onder 3 tenlastegelegde bedreiging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van de ten laste gelegde bedreiging dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de aangever onder de gegeven omstandigheden niet daadwerkelijk de redelijke vrees heeft kunnen bekomen dat de bedreiging zou worden uitgevoerd.
Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe het volgende.
Vooropgesteld dient te worden dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, vereist is dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen dan wel het leven zou kunnen verliezen.
Het ten laste gelegde vond plaats op 14 december 2022 in de Forensische Psychiatrische Kliniek te [a-plaats], alwaar de verdachte sinds 8 december 2022 verbleef op basis van een gedwongen rechterlijke machtiging. Op die dag verbleef de verdachte in de separeerruimte omdat hij een paar dagen daarvoor delen van zijn kamer had vernield. Er moest dwangmedicatie worden toegediend, omdat de verdachte orale medicatie weigerde. Aangever [slachtoffer 1] is medewerker groepsbegeleider bij voornoemd centrum. Op de bewuste dag ging hij samen met een aantal collega's naar de separeerruimte om de
verdachte een injectie te geven. De verdachte verzette zich hier hevig tegen en heeft de aangever in het gezicht geslagen, onder zijn oog gekrabd, in zijn rug getrapt en in zijn vinger gebeten. De verdachte zei daarbij: ‘ik ga jullie een voor een vermoorden’ en ‘morgen pak ik jullie allemaal’. Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij zich bedreigd voelde omdat de verdachte een felle agressieve man is. De getuige [getuige 1], eveneens werkzaam bij voornoemd centrum, heeft verklaard dat hij de bedreigingen heeft gehoord en getuige was van het geweld. Hij voelde zich bedreigd omdat hij verwachtte dat de bedreigingen waarheid konden worden. Hij heeft voorts verklaard dat de verdachte eerder al had gespuugd door het handboeienluik en zijn urine en ontlasting door de cel had gegooid.
Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden bij aangever [slachtoffer 1] en de getuige [getuige 1] de redelijke vrees is ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen dan wel het leven zouden kunnen verliezen. Hierbij is in het bijzonder van belang dat uit bovengenoemde omstandigheden blijkt dat de verdachte verplicht medicatie moest innemen, maar dit weigerde en zich daar hevig tegen verzette en daarbij daadwerkelijk overging tot het gebruik van geweld. Het feit dat zowel aangever [slachtoffer 1] als getuige [getuige 1] werkzaam waren in het Forensisch Psychiatrische Centrum waar de verdachte gedwongen verbleef maakt dat niet anders.
Het psychiatrisch ziektebeeld van de verdachte en het feit dat hij zich ten tijde van het doen van de gewraakte uitingen in een separeerruimte bevond, doen hieraan evenmin af.’
Met deze bewijsoverweging kan verzoeker zich geenszins verenigen.
In het kader van de bespreking van dit cassatiemiddel wordt het vooraleerst van belang geacht om (andermaal) stil te staan bij de persoon van verdachte en de omstandigheden waaronder de bedreigingen zijn geuit. Dat de bedreigingen zijn geuit, wordt, zover moge duidelijk zijn, niet betwist.
Verzoeker is bekend met de nodige psychische stoornissen, zoals een autismespectrumstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis. Voorts zou er sprake zijn van een psychotische kwetsbaarheid (naar alle waarschijnlijkheid schizofrenie), een ongespecificeerde stoornis in het schizofreniespectrum of een andere psychotische stoornis (vgl. p. 6 van het arrest). Verzoeker is uiteindelijk ook, kijkende naar de stoornissen en zijn gedragingen ten tijde van de tenlastegelegde feiten, geheel ontoerekeningsvatbaar verklaard door het hof.
Middels een zorgmachtiging heeft verzoeker in verschillende zorginstellingen / klinieken verbleven. Zaak A ziet op strafbare feiten gepleegd in een GGZ instelling. Verzoeker is vervolgens in voorlopige hechtenis geplaatst. Na enige tijd is hij geschorst er terechtgekomen in [B], alwaar de feiten van zaak B zijn gepleegd. Hij kwam hier in (zeer) verwarde toestand terecht.
Over het verblijf van verzoeker in [A] Inforsa is het nodige terug te lezen in de aangifte van [slachtoffer 1] en de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]. Laatstgenoemde verklaring bevindt zich in een aanvullend proces-verbaal. Uit deze verklaringen kan het volgende worden opgemaakt, als het om verzoeker en zijn verblijf in [B] gaat:
[slachtoffer 1] (samenvatting van zijn aangifte van 20 december 2022):
- —
Op 8 december 2022 is verzoeker geplaatst in de [A].
- —
Op 10 december 2022 is hij na het vernielen van zijn kamer naar een afzonderingsruimte gebracht. Dezelfde dag nog is hij na het plegen ‘aanhoudelijke’ geluidsoverlast, namelijk het schoppen tegen de deur, naar de separeerruimte in de TBS kliniek overgeplaatst.
- —
Op 14 december 2022 zat verzoeker nog in de separeerruimte en wilde men dwangmedicatie toedienen, waarbij geprobeerd is hem te overmeesteren. Vervolgens worden de feiten gepleegd zoals vermeld op de tenlastelegging (zaak B).
[getuige 1] (gedeeltelijke, letterlijke weergave van de verklaring afgelegd op 20 december 2022):
‘Ik was op woensdag 14 december in dienst bij de Forensische Psychiatrische Kliniek te [a-plaats]. Ongeveer rond 21.30 uur s'avonds was ik bij de patient [verdachte]. [verdachte] weigerde om zijn orale medicatie in te nemen waardoor wij een injectie moesten indienen. Voordat dit gebeurde had [verdachte] al meerdere bedreigingen geuit dat hij ons wilde aanvallen en hij ons wat aan ging doen, ook had hij gespuugd door het handboeien luik en had hij met zijn eigen urine en ontlasting door zijn separeer cel gegooid. Wij zijn toen de cel in gegaan met ongeveer acht medewerkers en toen zag ik dat [verdachte] [slachtoffer 1] in zijn gezicht krabte en ik zag dat een andere collega een trap tegen het hoofd aankreeg. Ik hoorde dat [slachtoffer 1] in zijn vinger gebeten was en toen ik zijn vinger later zag was het ook duidelijk te zien dat hij in zijn vinger gebeten was. Toen wij op een gegeven moment [verdachte] onder controle kregen hebben wij hem onder veel verzet van hem in een cel gezet. Tijdens de worsteling tussen [verdachte] en ons hoorde ik dat [verdachte] meerdere bedreigingen uitte naar iedereen die hem onder bedwang wilde krijgen. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat hij ons af wilde maken en dat hij met ons wilde gaan vechten. Ik voelde mij hierdoor bedreigd omdat ik verwacht dat zijn bedreigingen waarheid kunnen worden.’
[getuige 2] (gedeeltelijke, letterlijke weergave van de verklaring afgelegd op 28 februari 2023):
‘[verdachte] zat bij ons in het TBS kliniek. Hij moest dwang medicatie krijgen omdat hij onrustig en erg in de war was. Hij had de seperatie cel onder geürineerd en stootte met zijn hoofd tegen van alles aan. Hij weigerde zijn medicatie te slikken. Wij gingen naar binnen om nood medicatie toe te dienen onder dwang. Bij het naar binnen gaan werd [verdachte] agressief en heeft [slachtoffer 1] in het gezicht gekrabbeld. [slachtoffer 1] had hier een wond met bloed van in zijn gezicht. Wij moesten echt ons best doen om hem onder controle te krijgen. Hij beet vervolgens nog een andere collega in zijn hand. Ik weet niet hoe deze collega heet. [verdachte] deed ook verbaal bedreigingen naar ons.’
Uit deze verklaringen kan worden opgemaakt dat verzoeker volledig de weg kwijt was. Hij verrichtte vernielingen, uitte — ook al voor het tenlastegelegde — de nodige bedreigingen, bevuilde zijn eigen ruimte en bonkte met zijn hoofd tegen voorwerpen. Het zal ook niet zonder reden zijn geweest dat verzoeker al 5 dagen in de separeerruimte zat en men dwangmedicatie wilde toedienen. Overigens kan ook uit verhoor van verzoeker zelf en het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] van 21 december 2022 worden opgemaakt dat het niet goed ging met verzoeker:
‘Ik, verbalisant [verbalisant 1], heb verdachte [verdachte], in zijn cel gehoord met de advocaat telefonisch aanwezig. Verdachte [verdachte], zat zeer hoog in zijn emotie en wilde een klacht indienen tegen De Kijvelande omdat zij hem onder dwang chemisch zouden steriliseren. Hier was [verdachte] erg boos om. Na het verhoor was [verdachte] erg boos, schreeuwde hard. Toen de deur gesloten was stond hij te schreeuwen en tegen de deur aan te schoppen. Later was [verdachte] nog steeds hoog in emotie. Ik, verbalisant [verbalisant 1], heb er voor gekozen om niet terug de cel in te gaan voor een handtekening onder het zakelijk gerichte verdachte verhoor.’
De grote vraag die zich opdringt, is af de medewerkers van de FKP onder deze omstandigheden, verzoeker is ernstig verward en zit in een separeerruimte, de redelijke vrees kunnen bekomen dat hij, verzoeker, zijn bedreiging — hen te doden — daadwerkelijk ten uitvoer zal gaan leggen, waarbij eveneens gekeken heeft te worden naar de geuite bewoordingen. Hoe gaat verzoeker de medewerkers één voor één vermoorden, waarbij hij het ook over morgen heeft (‘morgen pak ik jullie allemaal’) als hij gedrogeerd, er is namelijk uiteindelijk dwangmedicatie toegediend, in een separeerruimte zit? Daarnaast kende verzoeker de betreffende medewerkers geheel niet. Verzoeker had geen idee van wie er allemaal in de separeerruimte waren. Anders dan het hof meent verzoeker dat onder deze omstandigheden niet gesproken kan worden van de vereiste redelijke vrees dat de bedreigingen daadwerkelijk ten uitvoer zullen worden gelegd.
Dat de geadresseerde de redelijke vrees heeft moeten kunnen bekomen dat de bedreigingen ten uitvoer zullen worden gelegd, is vaste jurisprudentie. Vgl. o.a. HR 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1106, waarin de volgende (standaard)overweging is terug te vinden:
‘Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling is in een geval als het onderhavige vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen (vgl. HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448) en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht (vgl. HR 17 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8252, NJ 1984/479).’
In hoger beroep is door de verdediging uitvoering betoogd dat onder de gegeven omstandigheden, welke uitvoerig zijn benoemd, bij de bedreigden niet in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden verliezen of zwaar mishandeld zouden worden, waarbij eveneens is verwezen naar de nodige jurisprudentie van nota bene uw Hoge Raad zelf, te weten HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:91 en HR 28 maart 2006, NBSTRAF 2006/171.
Dezerzijds wordt gemeend dat uit deze en vergelijkbare uitspraken kan worden opgemaakt dat naast de bewoordingen zelf eveneens de omstandigheden waaronder de bedreigingen zijn geuit van groot belang bij de beoordeling van de vraag of de geadresseerden de redelijke vrees hebben kunnen bekomen dat ze ten uitvoer zullen worden gelegd. Als de verdachte onmachtig is om zijn bedreigingen ten uitvoer te leggen (en het veeleer geraaskal van een psychisch ontregeld persoon betreft), dan kan dat ertoe leiden dat de bedreigden niet in de redelijkheid de vrees kunnen bekomen dat ze ten uitvoer zullen worden gelegd.
De casus in het arrest van uw Hoge Raad van 24 januari 2023 vertoont zeer grote gelijkenissen met de zaak van verzoeker. Dit is nader uiteengezet in de pleitaantekeningen. In dit arrest heeft uw Hoge Raad o.a. overwogen dat hof bij de beoordeling van de vraag of er sprake was van een strafbare bedreiging acht kon slaan op de concrete omstandigheden dat de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis was opgenomen en de bedreigende taal ‘in haar emotionele geestelijke toestand’ respectievelijk ‘in haar ontregelde geestelijke toestand’ heeft geuit. In het geval van verzoeker is dit niet anders, zover moge duidelijk zijn. Nog los van het feit dat hij feitelijk niet in staat was om zijn bedreigingen te verwezenlijken.
Waarom in onderhavige arrest anders is geoordeeld dan in het hierboven besproken arrest, is verzoeker niet duidelijk. Het oordeel van het hof in het bestreden arrest kent een zeer beperkte motivering, waarin niet (noemenswaardig) wordt ingegaan op de zijdens verzoeker gevoerde verweren. Als het om de verwerping van de verweren gaat, oordeelt het hof als volgt:
‘Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden bij aangever [slachtoffer 1] en de getuige [getuige 1] de redelijke vrees is ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen dan wel het leven zouden kunnen verliezen. Hierbij is in het bijzonder van belang dat uit bovengenoemde omstandigheden blijkt dat de verdachte verplicht medicatie moest innemen, maar dit weigerde en zich daar hevig tegen verzette en daarbij daadwerkelijk overging tot het gebruik van geweld. Het feit dat zowel aangever [slachtoffer 1] als getuige [getuige 1] werkzaam waren in het Forensisch Psychiatrische Centrum waar de verdachte gedwongen verbleef maakt dat niet anders.’
De omstandigheden waarnaar het hof verwijst, zijn de eerder in dit middel benoemde en besproken omstandigheden. De aanname dat uit deze omstandigheden zonder meer kan worden opgemaakt dat de medewerkers van de FKP de redelijke vrees hebben kunnen bekomen dat de bedreigingen daadwerkelijk ten uitvoer zouden worden gelegd, is niet voor de hand liggend en behoeft een nadere motivering, die ontbreekt. Een ernstig verwarde man, die in een separeerruimte verblijft, is niet in staat om de medewerkers van de [A] één voor één te vermoorden dan wel ze de volgende dag, morgen, allemaal te pakken, althans dat ligt niet in de rede. Het hof gaat hier aan voorbij.
Gezien het bovenstaande meent verzoeker dat het hof ten onrechte, althans onder gebruikmaking van en ontoereikende motivering, heeft geoordeeld dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbare bedreiging als bedoeld in art. 285 Sr, waardoor het arrest niet in stand kan blijven.
Opgemerkt zij nog dat verzoeker een groot belang heeft bij een inhoudelijk oordeel over dit middel.
Alhoewel hij voor meer feiten is veroordeeld, is de aan hem opgelegde TBS maatregel enkel gestoeld op de veroordeling voor dit feit. De andere strafbare feiten zijn geen TBS waardige feiten.
Middel II
Er is sprake van schending van het recht en / of van verzuim van vormen, zoals bedoeld in artikel 79 RO, waarvan de niet naleving nietigheid met zich meebrengt.
In het bijzonder heeft het hof ten onrechte, althans onder gebruikmaking van en ontoereikende motivering, geoordeeld dat er sprake is van een geweldsmisdrijf als bedoeld in art. 38e Sr, waardoor er sprake van een ongemaximeerde TBS.
Toelichting:
Bij middel I is al kort aangestipt dat de TBS maatregel in het geval van verzoeker uitsluitend gestoeld is op de veroordeling voor feit 3, zaak B, de bedreiging. Van andere TBS waardige feiten is geen sprake.
Het hof heeft uitvoerig gemotiveerd waarom de TBS maatregel op zijn plaats is. Maar daar blijft het niet bij. Ook heeft het hof geoordeeld dat de TBS verlengbaar is, waartoe het volgende is overwogen:
‘Noodzaak en mogelijkheid van (on)gemaximeerde TBS
Het hof overweegt dat bedreiging niet zonder meer is aan te merken als geweldsmisdrijf als bedoeld in artikel 38e Sr, zodat TBS met dwangverpleging in beginsel de maximale duur van vier jaren niet te boven kan gaan. Echter, onder omstandigheden kan ook bij bewezenverklaring van artikel 285 Sr een ongemaximeerde TBS-maatregel worden opgelegd. Daarbij dienen alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen te worden, waarbij onder meer gekeken kan worden of de bedreiging werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag ten opzichte van de bedreigde dan wel op enigerlei (andere) wijze werd ondersteund, alsmede of destijds aannemelijk was dat de bedreiging zou worden uitgevoerd.1
Naar het oordeel van het hof ligt in de bewezenverklaring van de bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, de bewijsoverweging, en de motivering van de oplegging van de maatregel, in onderling verband en samenhang bezien, besloten dat sprake is van een geweldsmisdrijf in de zin van artikel 38e Sr. De totale duur van de TBS-maatregel met een bevel tot dwangverpleging is daarom niet beperkt tot de duur van vier jaren. Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen met betrekking tot het recidivegevaar, vindt het hof het ook noodzakelijk dat de TBS-maatregel niet door enige duur wordt beperkt.’
Met voornoemd oordeel kan verzoeker zich geenszins verenigen. Zijns inziens heeft het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd geoordeeld dat er sprake is van geweldsmisdrijf in de zin van art. 38e Sr.
Bij zijn oordeel verwijst het hof expliciet naar de uitspraak van uw Hoge Raad van 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8434, waarin — voor zover relevant — het volgende is overwogen:
‘4.6.
De raadpleging van deze stukken zal vooral aangewezen zijn indien de einduitspraak niet een voldoende duidelijke motivering bevat als bedoeld als in art. 359, zevende lid, Sv of anderszins niet voldoende aanknopingspunten bevat voor het oordeel dat het feit waarvoor de TBS is opgelegd, zonder meer moet worden gekarakteriseerd als een misdrijf dat was gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zoals de in de onderhavige zaak bewezenverklaarde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. In zo een geval zal de verlengingsrechter zich een oordeel dienen te vormen over de vraag of — gelet op alle feiten en omstandigheden die destijds bekend waren — de bedreiging een dergelijk geweldsmisdrijf oplevert. In dit verband verdient nog opmerking dat — anders dan het Hof tot uitgangspunt lijkt te hebben genomen — de verlengingsrechter alle relevante omstandigheden in aanmerking moet nemen. Daarbij zal hij onder meer kunnen betrekken of de bedreiging werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag ten opzichte van de bedreigde dan wel op enigerlei (andere) wijze werd ondersteund, alsmede of destijds aannemelijk was dat de bedreiging zou worden uitgevoerd.’
Dezerzijds wordt gemeend dat gezien de omstandigheden waaronder de bedreigingen zijn geuit, welke omstandigheden uitvoerig zijn benoemd bij de bespreking van het eerste middel, niet van een geweldsmisdrijf kan worden gesproken. Het hof nagelaten om stil te staan bij de bijzondere setting waarbinnen de bedreigingen zijn geuit, te weten in een kliniek, op het moment dat een volledig verward persoon met grote overmacht dwangmedicatie krijgt toegediend alsook de toenmalige psychische ontregeling van verzoeker. Deze omstandigheden maken dat niet gesproken kan worden van een ‘normale’ strafbare bedreiging. In het verlengde hiervan kan worden opgemerkt dat het destijds niet aannemelijk is geweest dat de bedreigingen ten uitvoer zouden worden gelegd. Verzoeker was daartoe simpelweg niet in staat. Wellicht had hij met wilde bewegingen enig letsel kunnen veroorzaken, hetgeen een mogelijke mishandeling oplevert, maar medewerkers daadwerkelijk doden of zwaar lichamelijk toebrengen, van dat gevaar was geenszins sprake. Let wel: een mishandeling is geen TBS waardig feit. Voorts mag worden verwacht dat psychische ontregeling een moment in het leven van verzoeker betreft en geen permanente staat. Zo gaat het thans erg goed met hem in [verblijfplaats]. Dit is overigens eveneens bij het hof aangekaart, onderbouwd met een verklaring vanuit de PI. Ook met dit gezichtspunt heeft het hof geen rekening gehouden in zijn oordeel.
Bovenstaande maakt dat verzoeker meent dat het hof ten onrechte, althans onder gebruikmaking van een ontoereikende motivering, heeft geoordeeld dat in zijn geval de geuite bedreigingen een geweldsmisdrijf opleveren als bedoeld in art. 38e Sr, waardoor het bestreden arrest op dit punt — evenmin — in stand kan blijven.
Uw Hoge Raad wordt derhalve eerbiedig verzocht de middelen van cassatie gegrond te verklaren.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht, die verklaart daartoe door verzoeker bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.
Utrecht, 1 juli 2024
A.C. Vingerling