Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Rb. Zeeland-West-Brabant, 24-04-2026, nr. 25/5086
ECLI:NL:RBZWB:2026:3323
- Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum
24-04-2026
- Zaaknummer
25/5086
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBZWB:2026:3323, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24‑04‑2026; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2026043013
FutD 2026-0785
Uitspraak 24‑04‑2026
Inhoudsindicatie
IB/PVV. Het beroep is gegrond omdat van een te laag bedrag aan hypotheekrente is uitgegaan.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/5086
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 26 september 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2024 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.069 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.099 (de aanslag).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur deelgenomen: mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.
1.4.
Belanghebbende is via het systeem Mijn Rechtspraak op 7 januari 2026,
12:00 uur, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd de zitting bij te wonen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven
e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op
7 januari 2026 heeft ontvangen.1.De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag tot het juiste bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag tot het juiste bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende was in 2024 eigenaar en bewoner van de woning aan de [adres] te [woonplaats] (de woning).
3.1.
Belanghebbende heeft de inspecteur op 30 december 2023 verzocht om een voorlopige aanslag IB/PVV 2024 op te leggen naar een verzamelinkomen van € 29.032.
3.2.
Aan belanghebbende is op 15 januari 2024 een voorlopige aanslag opgelegd die resulteerde in een te ontvangen bedrag van € 178. De inspecteur heeft bij het opleggen van de voorlopige aanslag geen rekening gehouden met het verzoek van belanghebbende.
3.3.
Naar aanleiding van het verzoek om een voorlopige aanslag is aan belanghebbende een tweede voorlopige aanslag opgelegd die resulteerde in een (meer) te ontvangen bedrag van € 1.772.
3.4.
Op 7 maart 2025 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV voor het jaar 2024 gedaan naar een verzamelinkomen van € 37.168 (de aangifte). In de aangifte heeft belanghebbende de volgende leningen en rentebedragen vermeld:
Saldo | Rente | |
Rabobank Hypotheek ( [hypotheeknummer 1] ) | € 92.667 | € 2.570 |
Rabobank Hypotheek ( [hypotheeknummer 2] ) | € 18.540 | € 741 |
Totaal | € 111.207 | € 3.311 |
3.5.
De inspecteur heeft de aanslag conform de aangifte opgelegd. De verrekening van de eerder ontvangen bedragen (€ 178 en € 1.772) en de ingehouden loonheffing (€ 6.319) met de verschuldigde belasting (€ 5.614) leidt tot een bij aanslag te betalen bedrag van
€ 1.245.
3.6.
Het verzamelinkomen is in het verzoek om een voorlopige aanslag (verzoek VA), de eerste voorlopige aanslag (VA 1), de tweede voorlopige aanslag (VA 2), de aangifte en de aanslag als volgt opgebouwd:
Verzoek VA | VA 1 | VA 2 | Aangifte | Aanslag | |
Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking | € 33.370 | € 31.292 | € 33.370 | € 38.614 | € 38.614 |
Inkomsten eigen woning | - € 5.116 | nihil | - € 5.116 | - € 2.545 | - € 2.545 |
- Eigenwoningforfait | € 644 | nihil | € 644 | € 766 | € 766 |
- Aftrekbare rente | -/- € 3.346 | nihil | -/- € 3.346 | -/- € 3.311 | -/- € 3.311 |
- Kosten van geldleningen | -/- € 2.414 | nihil | -/- € 2.414 | nihil | nihil |
Zorgkosten | nihil | € 408 | nihil | nihil | nihil |
Belastbaar inkomen uit werk en woning | € 28.254 | € 30.884 | € 28.254 | € 36.069 | € 36.069 |
Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen | € 778 | nihil | € 778 | € 1.099 | € 1.099 |
Verzamelinkomen | € 29.032 | € 30.884 | € 29.032 | € 37.168 | € 37.168 |
Ingehouden loonheffing | nihil | € 3.317 | € 4.171 | € 6.319 | € 6.319 |
3.7.
De inspecteur heeft een renseignement ontvangen waaruit volgt dat belanghebbende in 2024 loon uit dienstbetrekking heeft ontvangen van [werkgever] van
€ 38.614, waarop € 6.319 loonheffing is ingehouden.
3.8.
Daarnaast heeft de inspecteur een renseignement ontvangen waaruit volgt dat belanghebbende in 2024 € 3.366 hypotheekrente heeft betaald. Daarvan is € 2.561 toerekenbaar aan de hypotheek met nummer [hypotheeknummer 1] en € 805 aan de hypotheek met nummer [hypotheeknummer 2] .
Overwegingen
Is de aanslag naar het juiste bedrag opgelegd?
4. Tussen partijen is niet in geschil dat de leningen bij Rabobank met nummers [hypotheeknummer 1] en [hypotheeknummer 2] kwalificeren als een eigenwoningschuld.
4.1.
De inspecteur heeft zich gedurende de beroepsfase op het standpunt gesteld dat de hypotheekrenteaftrek toerekenbaar aan de hypotheken tot een te laag bedrag is vastgesteld. De hypotheekrenteaftrek dient te worden vastgesteld op € 3.366 (zie 3.8). Dit betekent dat de inkomsten uit eigen woning moeten worden vastgesteld op een bedrag van negatief
€ 2.6002.. De rechtbank zal de inspecteur daarin volgen. Dit betekent dat het beroep in zoverre gegrond is.
4.2.
Belanghebbende voert aan dat de gegevens die vooraf worden ingevuld door de Belastingdienst correct moeten zijn. Achteraf blijkt dat volgens hem niet zo te zijn. De rechtbank stelt vast dat de aanslag overeenkomstig de (vooraf ingevulde) aangifte is opgelegd. De vooraf ingevulde gegevens in de aangifte zijn dus niet de reden dat belanghebbende een bedrag moet terugbetalen. De afwijkingen zitten in de gegevens die bij het opleggen van de voorlopige aanslagen zijn gebruikt. De rechtbank overweegt dat deze voorlopige aanslagen zijn opgelegd aan het begin van het belastingjaar en er dan een voorlopige schatting wordt gemaakt van de inkomsten. De hoogte van de daadwerkelijke inkomsten en aftrekposten zijn dan nog niet bekend. Belanghebbende kan er daarom ook niet van uitgaan dat de gegevens in de voorlopige aanslagen bij het opleggen van de definitieve aanslag worden gevolgd. De rechtbank gaat hierna in op de redenen waarom de aanslag afwijkt van de voorlopige aanslagen en belanghebbende een bedrag moet terugbetalen.
4.3.
Belanghebbende heeft de inspecteur op 30 december 2024 verzocht een voorlopige aanslag op te leggen (zie 3.1). In dit verzoek heeft belanghebbende kosten van geldleningen van de eigen woning van € 2.414 vermeld. Bij de tweede voorlopige aanslag is deze aftrekpost gevolgd. Partijen zijn het erover eens dat deze kosten zien op 2023 en niet in 2024 voor aftrek in aanmerking komen. Dit is de voornaamste reden dat belanghebbende € 1.245 moet terugbetalen bij de aanslag.
4.4.
Een andere reden is mogelijk dat in het verzoek van 30 december 2024 een bedrag van € 33.370 aan loon uit tegenwoordige dienstbetrekking is aangegeven. De tweede voorlopige aanslag is conform het verzoek van belanghebbende opgelegd, waarbij tevens rekening is gehouden met ingehouden loonheffing van € 4.171. Uiteindelijk blijkt deze inschatting te laag en is in de aangifte een hoger bedrag aan inkomsten aangegeven van
€ 38.614. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van dit bedrag. Daartoe overweegt de rechtbank dat het bedrag van € 38.614 ook volgt uit het renseignement van de inspecteur (zie 3.7) en niet is betwist door belanghebbende. Verder is de ingehouden loonheffing in de aanslag – ten opzichte van de tweede voorlopige aanslag – vastgesteld op een hoger bedrag van € 6.319. Dit is in het voordeel van belanghebbende, omdat de ingehouden loonheffing wordt verrekend met de verschuldigde inkomstenbelasting.
4.5.
Het voorgaande betekent dat de aanslag alleen tot een te hoog bedrag is opgelegd, omdat van een te laag bedrag aan hypotheekrente is uitgegaan (zie 4.1). De inkomsten uit eigen woning moeten worden verminderd naar negatief € 2.600. Dit betekent dat het belastbaar inkomen uit werk en woning moet worden vastgesteld op € 36.0143..
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. De aanslag wordt verminderd naar een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.014 en een (ongewijzigd) belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.099.
5.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Wel krijgt belanghebbende het griffierecht vergoed.
Beslissing
De rechtbank:
- -
verklaart het beroep gegrond;
- -
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- -
vermindert de aanslag naar een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.014 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.099;
- -
bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, op 24 april 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier | rechter |
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.4.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 24‑04‑2026
€ 766 (eigenwoningforfait) - € 3.366 (hypotheekrenteaftrek).
€ 38.614 (loon uit tegenwoordige dienstbetrekking) - € 2.600 (inkomsten uit eigen woning).
Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de Awr.