Billijkheidsuitzonderingen
Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/3.5.2:3.5.2 De opvatting dat interpretatie een volwaardig alternatief is voor uitzonderingen
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/3.5.2
3.5.2 De opvatting dat interpretatie een volwaardig alternatief is voor uitzonderingen
Documentgegevens:
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS353532:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 4, par. 4.4.3.
Bijv. Kamerstukken I 1979/80, 7729, 59 herdruk, p. 10, waar de wetgever de normatieve uitlegmethode verwierp onder verwijzing naar de jurisprudentie.
Hoofdstuk 6, par. 6.5.3.
Groenewegen 2006, p. 158.
Hoofdstuk 5, par. 5.5.4.
HR 27 juni 1932, NJ 1933, p. 60, m.nt. W.P.J. Pompe en HR 29 februari 1933, NJ 1933, p. 918 m.nt. B.M. Taverne.
Over strafuitsluitingsgronden gaat hoofdstuk 5, par. 5.3.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Sommigen beschouwen of beschouwden interpretatie als volwaardig alternatief voor billijkheidsuitzonderingen; interpretatie zou uitzonderingen overbodig maken. De visies lijken op elkaar.
In de civiele doctrine is er de normatieve uitlegmethode, die de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (en daarmee artikel 6:2 lid 2 BW) als overbodig beschouwt omdat altijd door interpretatie tot een billijke beslissing kan worden gekomen.1 De rechter moet (contractsbepalingen en) wettelijke voorschriften steeds met behulp van de redelijkheid en billijkheid uitleggen, zodat uitzonderingen daarna niet meer nodig zijn. Interpretatie moet altijd leiden tot beslissingen die onder de actuele omstandigheden billijk zijn. Uit het bestaan van artikel 6:2 lid 2 BW volgt dat dit niet de heersende leer is.2 In het bestuursrecht beschouwen sommigen interpretatie als volwaardig alternatief voor de contra-legemwerking van algemene beginselen van behoorlijk bestuur.3 Wettelijke voorschriften dienen volgens hen steeds te worden uitgelegd in het licht van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zodanig (en eventueel in afwijking van de normale betekenis van de bewoordingen van het voorschrift) dat er geen spanning bestaat tussen toepassing ervan en het beginsel. Is die er wel, dan is de uitleg onjuist. Dit wordt beginselconforme uitleg of interpretatieve werking van algemene beginselen van behoorlijk bestuur genoemd (en is ook niet de heersende leer4). In het strafrecht vonden of vinden sommigen vanwege de mogelijkheden van interpretatie de ongeschreven rechtvaardigingsgrond het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid overbodig. Een billijke beslissing zou altijd door interpretatie kunnen worden bereikt, omdat de wederrechtelijkheid moet worden ingelezen in elke delictsomschrijving.5 Daaruit volgt dat ongeacht of de wederrechtelijkheid een expliciet bestanddeel is van de tenlastelegging, een strafbaar feit alleen bewezen kan worden verklaard als het ook wederrechtelijk is. Uitzonderingen omdat de materiële wederrechtelijkheid ontbreekt zijn daardoor niet meer nodig. Blijkens het Veeartsarrest was dit in 1933 niet de heersende leer,6 en dat is het ook nu niet, aangezien noodtoestand door een extensieve uitleg van artikel 40 Sr eigenlijk de functie van een ongeschreven rechtvaardigingsgrond is gaan vervullen,7 waaruit blijkt dat de Hoge Raad uitzonderingen nog steeds nodig acht.
Dat deze visies gemeen hebben dat zij niet de heersende opvatting in literatuur en jurisprudentie vertegenwoordigen, is een aanwijzing dat billijkheidsuitzonderingen niet overbodig zijn. Dit wordt bevestigd door bepaalde hierna te bespreken gevallen waarin interpretatie onwenselijk is.