Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/3.3.1
3.3.1 De verplichting of bevoegdheid tot richtlijnconforme interpretatie
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS611835:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 10 april 1984, C-14/83 (Von Colson en Kamann), r.o. 26-28 en HvJ EG, 13 november 1990, C-106/89 (Marleasing), r.o. 8.
HvJ EG 5 oktober 2004, gevoegde zaken C-397/01-C-403/01 (Pfeiffer), r.o. 116.
HvJ EG 5 oktober 2004, gevoegde zaken C-397/01-C-403/01 (Pfeiffer), r.o. 118.
Jans &; Verhoeven 2015, p. 80.
Jans &; Verhoeven 2015, p. 80.
HvJ EG 8 oktober 1987, C-80/86 (Kolpinghuis), r.o. 13. Hierover ook: Jans &; Verhoeven 2015, p. 82.
HvJ EG 8 oktober 1987, C-80/86 (Kolpinghuis), r.o. 14.
Jans &; Verhoeven, p. 82 en Prinssen 2004, p. 53.
HvJ EG 26 september 1996, C-168/95 (Arcaro), r.o. 42.
Jans e.a. 2007, p. 108 en 109.
HvJ EG 5 juli 2007, C‑321/05 (Kofoed), r.o. 45 en HvJ EU 15 september 2010, C‑53/10 (Mücksch), r.o. 34.
Jans &; Verhoeven 2015, p. 83, HvJ EG 4 juli 2006, C-212/04 (Adeneler), r.o. 110 en HvJ EG 16 juni 2005, C-105/03 (Pupino), r.o. 47. Zie in dat kader tevens HvJ EU 15 januari 2014, C-176/12 (Association de médiation sociale), r.o. 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Prinssen 2004, p. 52-54; zie ook Jans e.a. 2007, p. 109-111.
Jans e.a. 2007, p. 109-111, de auteurs merken daarbij op dat de interpretatie van wetgeving uiteindelijk het toepassen van nationaal recht betreft.
ABRvS 29 mei 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AB2282, JB 2001/179, r.o. 2.5. Zo ook: Jans &; Verhoeven 2015, p. 83 en 84.
ABRvS 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2120, r.o. 2.7. Deze rechtspraak sluit aan bij de rechtspraak van het Hof van Justitie, waarin richtlijnconforme interpretatie contra legem wordt uitgesloten (zie hierboven).
HR 10 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3758, r.o. 3.4 en HR 6 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3139, r.o. 3.3.1, waarover tevens: Jans &; Verhoeven 2015, p. 87. Hiertoe is de nationale rechter in dat geval volgens Jans &; Verhoeven overigens ook verplicht (Jans &; Verhoeven 2015, p. 86 en 87, met een verwijzing naar HvJ EG 29 april 2004, C-371/02 (Björnekulla), r.o. 13).
Dit wordt door het Hof van Justitie ook toegestaan (bijvoorbeeld HvJ EG 5 juli 2007, C-321/05 (Kofoed), r.o. 45).
ABRvS 28 juli 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ5732, r.o. 2.3 en 2.4 en ABRvS 28 juli 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ5718, r.o. 2.3 en 2.4. Artikel 26 lid 2 Wms bevatte slechts een algemene weigeringsgrond voor de in casu verleende vergunning. Echter, de Afdeling overwoog dat nu de bepaling in het licht van de Richtlijn moest worden geïnterpreteerd, ook de criteria die voor de verlening van de vergunning in de Richtlijn waren opgenomen, in het kader van de afwijzingsgrond uit artikel 26 lid 2 Wms moesten worden afgewogen. Nu niet alle criteria uit de Richtlijn in de besluitvorming waren toegepast, overwoog de Afdeling: ‘Het bestreden besluit is derhalve in strijd met de artikelen 3: 2 en 3: 46 van de Algemene wet bestuursrecht waarin is bepaald dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaart en dat het besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering’. Jans e.a. leiden uit deze rechtspraak af dat richtlijnconforme interpretatie in driehoeksverhoudingen, net als bij direct effect, is toegestaan ten nadele van een in strijd met de richtlijn begunstigde partij (Jans e.a. 2007, p. 110, zie over deze rechtspraak ook: Jans &; Verhoeven 2015, p. 84).
Zie: HR 29 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1943 (Ingeborg Buyck/Van den Ameele B.V), r.o. 3.4; zie ook: Jans e.a. 2007, p. 104.
Indien de Nederlandse wetgeving niet in overeenstemming is met een EU-richtlijn, kan de Nederlandse rechter verplicht zijn tot richtlijnconforme interpretatie. Uit Von Colson en Kamann en Marleasing volgt dat een nationale rechterlijke instantie verplicht is het nationale recht zoveel mogelijk in conformiteit met het EU-recht uit te leggen.1 In Pfeiffer overwoog het Hof daarbij:
‘Wanneer het nationale recht het door de toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden in bepaalde omstandigheden mogelijk maakt om een bepaling van de nationale rechtsorde aldus uit te leggen dat een conflict met een andere bepaling van nationaal recht wordt vermeden of om met dit doel de strekking van die bepaling te beperken door haar slechts toe te passen voorzover zij met die andere bepaling verenigbaar is, is de rechter verplicht dezelfde methoden te gebruiken om het door de richtlijn beoogde resultaat te bereiken.’2
En:
‘In casu vereist het beginsel van richtlijnconforme uitlegging dus dat de verwijzende rechter, door het gehele nationale recht in beschouwing te nemen, binnen zijn bevoegdheid al het mogelijke doet om de volle werking van richtlijn 93/104 te verzekeren, teneinde overschrijding van de bij artikel 6, punt 2, daarvan vastgestelde maximale wekelijkse arbeidstijd te voorkomen (zie in die zin arrest Marleasing, reeds aangehaald, punten 7 en 13).’3
Het vereiste dat de nationale rechter het nationaal recht zoveel mogelijk in conformiteit met het EU-recht moet uitleggen heeft tot gevolg dat de nationale rechter, buiten zijn gebruikelijke interpretatie van het nationaal recht, extra moeite zal moeten doen om het nationaal recht in overeenstemming te brengen met het EU-recht.4 De nationale rechter is verplicht, in de woorden van Jans en Verhoeven, ‘to be active, innovative and if necessary to break new ground’.5
Echter, er worden door het Hof ook beperkingen aan deze verplichting gesteld. In Kolpinghuis overwoog het Hof dat de verplichting tot richtlijnconforme interpretatie haar begrenzing vindt in de algemene rechtsbeginselen die deel uitmaken van het EU-recht. Daarbij wees het Hof met name op het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht.6
Op basis van die overweging kwam het Hof tot de conclusie:
‘dat een richtlijn niet uit zichzelf en onafhankelijk van een ter uitvoering ervan vastgestelde wet bepalend kan zijn voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van degenen die in strijd met haar bepalingen handelen.’7
Uit deze overwegingen van het Hof volgt dat de verplichting tot richtlijnconforme interpretatie haar begrenzing vindt in de algemene beginselen van het EU-recht, met name het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van terugwerkende kracht. Daarbij kan richtlijnconforme interpretatie niet tot strafrechtelijke aansprakelijkheid leiden.8
In Arcaro overwoog het Hof, met een verwijzing naar Kolpinghuis:
‘Deze verplichting van de nationale rechter om bij de uitlegging van de ter zake dienende voorschriften van zijn nationale recht te rade te gaan met de inhoud van de richtlijn, vindt evenwel haar begrenzing wanneer een dergelijke uitlegging ertoe leidt, dat aan een particulier een door een niet-omgezette richtlijn opgelegde verplichting wordt tegengeworpen of, a fortiori, wanneer zij tot gevolg heeft, dat op grond van de richtlijn en bij ontbreken van een ter uitvoering ervan vastgestelde wet, de strafrechtelijke aansprakelijkheid van degenen die in strijd met haar bepalingen handelen, wordt vastgesteld of verzwaard (zie arrest Kolpinghuis Nijmegen, reeds aangehaald, r.o. 13 en 14).’9
Ook wanneer een richtlijnconforme interpretatie er dus toe zou leiden dat de nationale wetgeving zodanig wordt geïnterpreteerd dat aan een particulier een verplichting uit een niet-omgezette richtlijn wordt tegengeworpen, zou de rechter ingevolge Arcaro niet tot deze interpretatie verplicht zijn.10 Deze rechtspraak is later evenwel genuanceerd, op grond van latere rechtspraak ‘kan de lidstaat in beginsel particulieren wel een richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht tegenwerpen’.11 In Pupino oordeelde het Hof van Justitie verder dat richtlijnconforme interpretatie niet kan dienen als grondslag voor een interpretatie contra legem. Daarbij moet de nationale rechter wel het nationale recht in zijn geheel bezien om te beoordelen of het nationaal recht niet zodanig kan worden toegepast dat het niet tot een met het EU-recht strijdig resultaat leidt.12
Nu is vastgesteld welke eisen het Hof van Justitie aan richtlijnconforme interpretatie stelt, is het de vraag of een nationale rechter, wanneer deze niet verplicht is tot richtlijnconforme interpretatie, hier wel toe bevoegd is. Deze bevoegdheid lijkt in beginsel te bestaan.13 Daarbij is niet uitgesloten dat een dergelijke interpretatie in voorkomende gevallen ook in het voordeel van het bestuur kan uitvallen.14 In het kader van dit onderzoek is het van belang te bepalen in hoeverre de Nederlandse rechter bereid is wetgeving richtlijnconform te interpreteren.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State neemt de positie in dat wettelijke bepalingen aanknopingspunten moeten bieden voor een richtlijnconforme interpretatie. Immers, richtlijnconforme interpretatie kan alleen, aldus de Afdeling, binnen het kader van de wet.15 Daarbij is richtlijnconforme interpretatie naar het oordeel van de Afdeling niet mogelijk, indien deze uitleg tegen de uitdrukkelijke bewoordingen van de te interpreteren bepaling in zou gaan.16 Wanneer de tekst van de wet voldoende aanknopingspunten biedt voor een richtlijnconforme interpretatie, dan moet richtlijnconform worden geïnterpreteerd ondanks contra-indicaties uit de wetsgeschiedenis.17
Indien er echter wel aanknopingspunten zijn, dan is de Afdeling ook bereid deze richtlijnconform te interpreteren wanneer dat ten nadele van een private partij kan zijn.18 Dit blijkt uit de uitspraken van 28 juli 2004. In deze uitspraken was de Afdeling bereid om de algemene weigeringgrond van het toenmalige artikel 26 lid 2 Wet milieugevaarlijke stoffen zodanig te interpreteren dat specifieke criteria uit richtlijn 2001/18/EG in de besluitvorming moesten worden meegewogen.19
Bij de vraag of bepaalde wetgeving richtlijnconform kan worden geïnterpreteerd, is het ook van belang of de wetgeving tot doel had de richtlijn te implementeren. Indien de wetgeving tot doel had de richtlijn te implementeren, dan levert dit een argument om de wetgeving richtlijnconform uit te leggen.20