Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/2.8.2
2.8.2 De bestuurlijke boetebepalingen, het karakter van de boeten
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS462066:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
‘[…] indien daartoe aanleiding bestaat […] waarvan het bedrag het tienvoud […] niet overtreft.’ (artikel 28 Wet OB 1933).
Zie Feteris, M.W.C., 1993, p. 46. Volgens Slagmolen (1951) werd het wettelijke maximum alleen toegepast in gevallen van zeer ernstige ontduiking en recidive.
In artikel 21, lid 5 van het Besluit op de Loonbelasting 1941 is eveneens een ‘kan’-bepaling opgenomen ter zake van een verhoging van 100 procent. Voor het overige stemt de navorderingsregeling volgens het Besluit op de Loonbelasting 1941 overeen met die van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 (zie Feteris, M.W.C., 1993, p. 46).
“Waar aan deze administratie op deze wijze alle bijzonderheden omtrent de ontdekte ontduikingen bekend zijn, is zij bij uitstek bevoegd te beoordeelen, welke vergoeding de belastingontduiker in den vorm van verhoogde belasting moet voldoen.” (TK, vergaderjaar 1932-1933, 305, nr. 3, p. 6).
Artikel 28 van de Wet OB 1933 heeft het over ‘onverminderd het instellen van bekeuring’.
Zie het tweede lid van artikel 18 van het Besluit van 17 december 1940, Stb. 1940, S.S. 431, p. 388 e.v..
Wet van 9 december 1954, Stb. 1954, 533 (artikel 37, lid 2).
De Wet op de omzetbelasting 1933 (hierna: Wet OB 1933) bevatte in artikel 28 een navorderingsbepaling die het mogelijk maakte dat het tienvoud van de volgens de inspecteur te weinig betaalde belasting kon worden nagevorderd. Opmerkelijk is dat de wet nu niet de boete als het ware voorschrijft, maar dat de inspecteur de ruimte wordt gelaten om een verhoging op te leggen tot maximaal het tienvoud van de te weinig afgedragen belasting.1 De inspecteur hoefde dus niet een afzonderlijk kwijtscheldingsbesluit te nemen om de verhoging in individuele gevallen te matigen; hij kon direct bij het opleggen van de verhoging al rekening houden met de ernst van de overtreding en de draagkracht van de belastingplichtige.2 Dit betreft een grote wijziging ten aanzien van de wijze waarop voorheen verhogingen en boeten wettelijk werden vormgegeven en het versterkt het strafkarakter van de verhoging.3
Maar net als bij de introductie van de navorderingsbevoegdheid in de Wet op de vermogensbelasting (zie onderdeel 2.5.3) maakte de regering ook nu niet duidelijk of de tienvoudige verhoging moest worden opgevat als een straf of als schadevergoeding. In de Memorie van Toelichting geeft de regering aan dat de tienvoudige verhoging bedoeld is om ontdoken belasting na te vorderen4, wat duidt op een schadevergoedingsgedachte. Ook het feit dat in geval van belastingontduiking niet slechts belasting kon worden nagevorderd maar ook strafrechtelijk kon worden opgetreden, wijst in de richting van de schadevergoedingsidee omdat er anders sprake zou zijn van dubbele bestraffing.5 Anderzijds was de regering van mening dat de tienvoudige verhoging toch vooral een preventieve werking zou moeten hebben, wat weer duidt op straf. Ook gaf zij aan dat de strafrechtelijke geldboete op belastingontduiking relatief gering kon zijn (ƒ 1.000), omdat de belasting al reeds tot een veelvoud kon worden nagevorderd.
De tienvoudige verhoging werd later bij het Besluit Omzetbelasting 19406 teruggebracht naar 400 procent van de nagevorderde belasting. Bij de Wet op de omzetbelasting 19547 werd de maximale wettelijke verhoging nog verder teruggebracht naar 200 procent.