Rb. Rotterdam, 28-10-2020, nr. C/10/540818 / HA ZA 17-1181
ECLI:NL:RBROT:2020:10111
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
28-10-2020
- Zaaknummer
C/10/540818 / HA ZA 17-1181
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2020:10111, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 28‑10‑2020; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBROT:2019:8395, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 16‑10‑2019; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBROT:2018:8292, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 19‑09‑2018; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 28‑10‑2020
Inhoudsindicatie
Overkreditering; hypotheekverlener tekortgeschoten in zorgplicht; verdeling schade over partijen; verwijzing naar schadestaatprocedure.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/540818 / HA ZA 17-1181
Vonnis van 28 oktober 2020
in de zaak van
1. [naam eiser 1] ,
wonende te [woonplaats eiser 1] ,
2. [naam eiser 2],
wonende te [woonplaats eiser 2] ,
eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
advocaat mr. R. Zwanenberg te Eindhoven,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
QUION 50 B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. S.E. van Roggen te Nieuwegein.
Partijen zullen ook in dit vonnis mede [naam eiser 1] , [naam eiser 2] , [eisers] (eisers gezamenlijk) en Quion worden genoemd.
1. De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 16 oktober 2019 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- de akte met het oog op de nadere comparitie; akte overlegging producties + akte vermeerdering eis;
- de nadere akte gedaagde in conventie van 21 januari 2020 (tevens bevestiging eerdere wijziging van eis);
- het proces-verbaal van de comparitie van 21 januari 2020, waaraan zijn gehecht de brief van mr. Van Roggen van 9 maart 2020 en de brief van mr Zwanenberg van 11 maart 2020;
de pleitnota van [eisers]
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De gewijzigde vordering in conventie
2.1
[eisers] hebben bij akte van 21 januari 2021 hun eis vermeerderd.
De rechtbank vermeldt hierna de eis zoals die thans luidt. De wijziging is vervat in de hierna te noemen punten 8, 12 en 13.
[eisers] vorderen thans dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
1. zal verklaren voor recht dat Quion jegens hen is tekortgeschoten ter zake (haar zorgplicht ex) artikel 4:34 Wft;
2 zal verklaren voor recht dat Quion is tekortgeschoten in haar contractuele verplichtingen jegens hen, althans onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld, doordat zij jegens hen is tekortgeschoten ter zake (haar zorgplicht ex) artikel 4:34 Wft;
3 zal verklaren voor recht dat Quion aansprakelijk is voor alle schade die
[eisers] hebben geleden, lijden en/of nog zullen lijden, doordat Quion indertijd is tekortgeschoten ter zake (haar zorgplicht ex) artikel 4:34 Wft e. e. a. nader op te maken bij staat en te vereffenen overeenkomstig de wet;
4 zal verklaren voor recht dat de reeds betaalde rentetermijnen en nog verschuldigde rentetermijnen over voornoemd bedrag van € 62.888,89 schade voor [eisers] vormen die voor 100% voor vergoeding door Quion in aanmerking komt, alsmede om Quion te veroordelen tot betaling hiervan, welke schade nader moet worden
opgemaakt bij staat en vereffend overeenkomstig de wet, e. e. a. te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarden, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;
5 Quion zal veroordelen tot betaling van het bedrag van € 37.417,26, e.e.a. ter zake voornoemde gronden verschuldigd, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente hierover ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarden, althans vanaf een door de rechtbank in
goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;
6 zal verklaren voor recht dat de reeds betaalde rentetermijnen en nog verschuldigde rentetermijnen over het genoemde bedrag van € 221.394,87 schade voor [eisers] vormen die voor 75% voor vergoeding in aanmerking komt, alsmede om Quion te veroordelen tot betaling hiervan, welke schade nader moet worden opgemaakt bij staat envereffend overeenkomstig de wet, e. e. a. te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarden, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;
7 Quion zal veroordelen tot betaling van het bedrag van € 106.147,10, e.e.a. ter zake voornoemde gronden verschuldigd, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente hierover ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarden, althans vanaf een door de rechtbank in
goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;
8 Quion zal veroordelen tot betaling van het bedrag van € 131.111,--, e.e.a. ter zake voornoemde gronden verschuldigd, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente hierover ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarden, althans vanaf een door de rechtbank in
goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;
9 zal verklaren voor recht dat het rentevoorstel van Quion, van 4,2%, in strijd was met de redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:2 BW, althans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was als bedoeld in artikel 6:248 BW, alsmede zal verklaren voor recht dat [eisers] over de periode 7 december 2015 tot en met 30 november 2018 een rentepercentage van 3% per jaar verschuldigd waren c.q. zijn, alsmede Quion zal veroordelen tot betaling van hetgeen [eisers] over laatstgenoemde periode meer aan renteverplichtingen hebben voldaan, zulks ter zake voornoemde gronden verschuldigd, e. e. a. te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarden, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening, welk bedrag nader moet worden opgemaakt bij staat en vereffend overeenkomstig de wet;
10 Quion zal veroordelen tot betaling van het bedrag van € 5.136,04, e. e. a. ter zake voornoemde gronden verschuldigd, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente hierover ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarden, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;
11 zal verklaren voor recht dat het rentevoorstel van Quion over de periode
1 december 2018 tot en met 30 november 2021 van 4% in strijd was met de redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:2 BW, althans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was als bedoeld in artikel 6:248 BW, alsmede zal verklaren voor recht dat [eisers] over de periode van 1 december 2018 tot en met 30 november 2021 een rente van 2 % per jaar (althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen rentepercentage) verschuldigd waren dan wel zijn en Quion zal veroordelen tot betaling van hetgeen zij over laatstgenoemde periode meer aan renteverplichtingen hebben voldaan, zulks ter zake voornoemde gronden verschuldigd, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 20 februari 2019, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening, welk bedrag nader moet worden opgemaakt bij staat en vereffend overeenkomstig de wet;
12 Quion zal veroordelen tot betaling van € 495,-- e.e.a. er zake voornoemde gronden verschuldigd, te betalen binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis en, voor het geval betaling binnen die termijn niet plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover ex artikel 6:119 BW vanaf 21 januari 2020, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;
13 Quion zal verbieden om de executie van de woning van [eisers] op te (laten) pakken zolang [eisers] hun (maandelijkse) verplichtingen jegens Quion onverminderd nakomen;
14 Quion zal veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder het salaris en de verschotten van de advocaat van [eisers] ;
15 Quion zal veroordelen in de nakosten, een bedrag begroot op € 205,-- in de zin van artikel 237, lid 4 Rv, te vermeerderen met € 68,-- in geval van betekening, e. e. a. conform het forfaitaire liquidatietarief;
2.2
Zij baseren de eisvermeerdering ter zake van de punten 8, 12 en 13 op de volgende, zakelijk weergegeven stellingen, waarbij zij, mede in reactie op het verweer van Quion dat punt 8 van de gewijzigde eis overlapt met punten 4 tot en met 7, hebben aangegeven dat de vorderingen niet cumulatief maar alternatief zijn bedoeld.
2.2.1
Hun schade bestaat mede in het verschil tussen de rente die hun vorige geldverstrekker rekende dan wel, bij voortzetting van de lening, zou hebben gerekend en de rente die Quion rekende en rekent. Gecumuleerd vanaf 2008 komt dat neer op een bedrag van € 131.111,--. Zij leggen als productie 107 een berekening daarvan over en verwijzen voorts naar producties 103 tot en met 106.
2.2.2
Zij hebben hun woning voorts recent laten taxeren.
Op grond van artikel 6:96 lid 2 onder b BW komen de taxatiekosten voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten zijn redelijk, en zijn gemaakt ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.
2.2.3
Quion heeft herhaaldelijk kenbaar gemaakt dat zij tot uitwinning van haar hypotheekrecht wil overgaan. Daarvoor bestaat geen enkele rechtvaardiging. [eisers] komen reeds jaren hun hypothecaire verplichtingen na en er is sprake van overwaarde van de woning.
Quion zou onrechtmatig handelen wanneer zij de woning zou doen veilen omdat dat tot substantiële schade voor hen zou leiden, terwijl [eisers] dan ook hun verhaalsmogelijkheid zullen verliezen. Quion is een sterfhuis-constructie zonder eigen middelen.
3. De aangepaste vordering in reconventie
3.1
Quion heeft bij nadere akte van 21 januari 2020 haar eis aangepast.
De rechtbank vermeldt hierna de eis zoals die thans luidt.
Quion vordert dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
1. zal verklaren voor recht dat Quion per 30 november 2018 van [verweersters ] te vorderen heeft een bedrag van € 518.140,51, te vermeerderen dan wel te verminderen met een bedrag vanwege de gevolgen van de uitspraak van de rechtbank in conventie inzake de verschuldigde rente vanaf 1 december 2018;
2 [verweersters ] hoofdelijk, aldus dat als de een betaalt de ander in zoverre zal zijn bevrijd, zal veroordelen in de proceskosten en de wettelijke rente over die kosten voor zover die niet zijn voldaan binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, en in dat laatste geval tot betaling van de nakosten van € 205,--, te verhogen met € 68,-- in geval van betekening, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf voormelde termijn van voldoening.
4. De verdere beoordeling
4.1
De rechtbank neemt hier over wat in het vonnis van 16 oktober 2019 is overwogen en beslist en blijft daarbij.
in conventie
4.2
Quion heeft zich verzet tegen de eisvermeerdering in conventie.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Er is door de vermeerdering van de eis geen sprake van onredelijke bemoeilijking van de verdediging of onredelijke vertraging van het geding.
De rechtbank zal daarom beslissen op de vermeerderde eis.
Verklaringen voor recht (1-3)
4.3
De gevorderde verklaring voor recht onder 2 zal, ingevolge wat in het
tussenvonnis van 19 september 2018 onder 7.4 is overwogen, worden gegeven als hierna in
het dictum zal worden vermeld.
Gelet op de inhoud van die verklaring voor recht ontbreekt belang bij de onder 1
gevorderde verklaring voor recht.
De gevorderde verklaring voor recht onder 3 zal ingevolge wat in het tussenvonnis van
19 september 2018 onder 7.5 en 7.6 is overwogen worden gegeven als hierna in het dictum
zal worden vermeld.
Schade (4-8)
4.4
De rechtbank vat samen wat tot dusverre ter zake van de schade (huidige eis, punten 4-8) is beslist.
4.4.1
De overkreditering bestaat uit het verschil in hoofdsom tussen de destijds bestaande lening van [eisers] en de door Quion aan hen verstrekte lening, een bedrag van € 71.048,40. (r.o 4.8.4 van het vonnis van 16 oktober 2019). De gecumuleerde teveel betaalde rente over dat bedrag (r.o 4.8.6 van dat vonnis) vormt schade voor [eisers] .
4.4.2
De schade wordt met toepassing van artikel 6:101 BW verdeeld over [eisers] en Quion, waarbij de vergoedingsplicht van Quion wordt verminderd met 75% (r.o. 7.6 van het vonnis van 19 september 2018).
4.4.3
Voor de periode december 2018-december 2021 geldt een rente van 3% (r.o 4.5.1 tot en met 4.6.3 van het vonnis van 2019).
4.5
Gelet op wat hiervoor onder 4.4 is overwogen komt de vordering onder 8 niet voor toewijzing in aanmerking. Dat oordeel wordt als volgt toegelicht. Het standpunt van
[eisers] is steeds geweest dat ook de rente over het overgesloten deel van de lening schade was. Zij hebben dat standpunt, zoals overwogen onder 4.8.5 van het vonnis van
16 oktober 2019, niet behoorlijk onderbouwd. De producties 27, 28 en 29 (die, met toevoeging van facturen van K&R, ook als producties 30, 31 en 32 zijn overgelegd) waarnaar wordt verwezen bevatten geen relevante gegevens, terwijl productie 34 slechts een offerte uit 2007 betreft, die evenmin als voldoende onderbouwing kan gelden. Ook de producties 103-107 waarnaar [eisers] verwijzen bieden die deugdelijke onderbouwing niet. Ook als wordt aangenomen dat de overgelegde offerte in 2007 is geaccepteerd volgt daaruit niet hoe het renteverloop bij hun aanvankelijke financier is geweest respectievelijk, bij voortzetting van de lening, zou zijn geweest. De bankafschriften en het overzicht van kaal opgetelde bedragen zonder onderbouwende stukken of deugdelijke toelichting, onder meer op de fiscaliteit is, in dit stadium van de procedure en gelet op het verweer, onvoldoende. Gelet op het stadium waarin de procedure verkeert is er geen ruimte voor een nieuwe kans voor [eisers] op dit punt.
Dat Quion niet heeft betwist dat zij destijds een hogere rente dan de marktrente hanteerde vanwege het hogere risico bij het verstrekken van een lening aan [eisers] is onvoldoende om voorbij te gaan aan deze gebreken in de onderbouwing. Dit is echter wel van belang voor de beslissing in die zin dat daarmee de mogelijkheid van additionele schade ten gevolge van de overkreditering voldoende aannemelijk is, zodat op dat punt verwijzing naar de schadestaat zal volgen. Van belang daarbij is dat het percentage van 75 eigen schuld ook op die eventuele additionele schade toepasselijk is.
4.6
Van de vordering tot schadevergoeding (de huidige eis, punten 4-7) is per saldo voorts toewijsbaar 25% van de door [eisers] reeds betaalde gecumuleerde rente vanaf de aanvang van de lening, 2 juni 2008, over een bedrag van € 71.048,40, een en ander zo lang de lening in stand blijft. Dat daarmee Quion verplicht de voor [eisers] te dure woning subsidieert, zoals Quion dat interpreteert, is een gevolg van de overkreditering die naar haar aard voortduurt tot het einde van de overeenkomst.
De verschuldigdheid van wettelijke rente en de ingangsdatum van 20 november 2017 daarvan zijn als onbestreden toewijsbaar.
Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.
Overige vorderingen (9-13)
4.7
De vorderingen onder 9 en 10 komen niet voor toewijzing in aanmerking, omdat Quion zich bereid heeft verklaard de rente over de periode van 1 december 2015 tot en met 30 november 2018 op 3% per jaar te stellen en de daarmee samenhangende vergoeding (wegens teveel betaalde rente) reeds door haar in mindering is gebracht op haar vordering in reconventie (conclusie van antwoord onder punt 93).
4.8
De gevorderde verklaring voor recht onder 11 zal worden gegeven, ingevolge wat in het tussenvonnis van 16 oktober 2019 onder 4.7 is overwogen.
Quion zal worden veroordeeld tot terugbetaling aan [eisers] van wat zij vanaf
1 december 2018 méér dan 3% per jaar aan rente heeft ontvangen. Desgewenst kan tot verrekening worden overgegaan.
De zaak zal op dit punt niet worden verwezen naar de schadestaatprocedure, omdat de ongedaanmakingsverbintenis die ontstaat uit onverschuldigde betaling niet tot schadevergoeding strekt. Ook hier kunnen partijen wel verrekenen.
De wettelijke rente en de ingangsdatum van 20 februari 2019 daarvan zijn, zoals daar is overwogen, toewijsbaar.
Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.
4.9
De vordering onder 12 wordt afgewezen. Anders dan [eisers] stellen vormen de kosten van taxatie van € 495,-- geen kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. De waarde van de woning is immers niet van belang voor de oordelen daarover. Een andere rechtsgrond voor de vordering onder 12 is gesteld noch gebleken.
4.10
Het gevorderde executieverbod voor Quion onder 13 gaat te ver. Vast staat dat sprake is van een oude achterstand in de betalingen waarop weliswaar is ingelopen, maar die nog steeds bestaat; relevante toekomstige ontwikkelingen zijn voorts niet uit te sluiten. Daarbij komt dat [eisers] in 2009 een onherroepelijke volmacht voor executie aan Quion gegeven voor onbepaalde tijd. Quion heeft voorts tot dusver geen executiemaatregelen genomen. Ook op dit punt is de vordering niet toewijsbaar.
Dat neemt niet weg dat van Quion wordt verwacht dat zij niet tot executie overgaat totdat meer duidelijkheid is verkregen, zoals bedoeld in 4.13 hierna.
in reconventie
4.11
In het vonnis van 16 oktober 2019 is overwogen dat partijen het eens zijn over de omvang van de openstaande schuld in hoofdsom en dus de reconventionele vordering: deze bedraagt € 540.000,--, te vermeerderen in geval van overkreditering met € 18.140,61.
Na de eisvermeerdering luidt de vordering van Quion:
verklaring voor recht dat zij per 30 november 2018 van [verweersters ] te vorderen hebben € 518.140.51, te vermeerderen dan wel te verminderen met een bedrag vanwege de gevolgen van de uitkomst van de uitspraak van de rechtbank in conventie (petitum nr. 11) inzake de verschuldigde rente vanaf 1 december 2018”.
Quion heeft aangegeven dat de reden voor deze eisvermeerdering is gelegen in de duidelijkheid. In het lichaam van de akte waarbij Quion haar eis heeft vermeerderd noemt zij een bedrag van € 558.140,61, waarvan, na aftrek van de teveel betaalde rente tot en met mei 2020, resteert € 551.245,58, en verwijst zij naar haar akte van 17 april 2019, waarin zij ook het bedrag van € 558.140,61 noemt. Hoewel, tegen die achtergrond, mogelijk sprake is van een verschrijving in het petitum komt deze slordigheid, mede gelet op eerdere slordigheden aan haar zijde, de belangen van [verweersters ] en het stadium van de procedure, voor rekening van Quion en wordt zij gehouden aan de tekst van haar petitum. Meer dan dat kan dan ook niet worden toegewezen. Uiteraard brengt dat geen verandering in de werkelijke omvang van het verschuldigde.
Omtrent die werkelijke omvang wordt het volgende overwogen. De advocaat van [verweersters ] heeft bij brief van 11 maart 2020 erop gewezen dat Quion ter comparitie van 21 januari 2020 heeft erkend dat de rentewijziging (renteverhoging) reeds per december 2018 (en niet eerst per januari 2019) is ingegaan, waardoor zij over de periode tot en met mei 2020 niet 17 maanden lang € 405,59 = € 6.895,03 te veel rente hebben betaald, maar 18 maanden lang, dus € 7.300,62. De vordering van Quion bedraagt dus niet
€ 551.245,58, maar € 550.897,41, aldus [verweersters ] Quion heeft op bedoelde brief niet gereageerd, zodat de rechtbank haar daarmee akkoord vertrouwt.
Nu het bedrag dat Quion te vorderen heeft daarmee hoger ligt dan het bedrag van € 518.140.51 zal de gevorderde verklaring voor recht worden toegewezen. Het slot van het petitum op dat punt ziet op de verrekening en zal worden toegewezen als na te melden.
in conventie en in reconventie voorts
4.12
In conventie worden [eisers] en Quion beide gedeeltelijk in het ongelijk gesteld. De rechtbank zal de proceskosten daarom compenseren als hierna zal worden vermeld. In reconventie geldt hetzelfde.
4.13
De rechtbank merkt het volgende op. Met dit vonnis is per saldo de restschuld in hoofdsom vastgesteld alsmede de financiële verplichtingen over en weer. Hoewel Quion zich schuldig heeft gemaakt aan overkreditering kan die enkele omstandigheid (nog daargelaten de aanzienlijke mate van eigen schuld van [eisers] ) er niet toe leiden dat zij zonder meer moet dulden dat [eisers] voor onbepaalde tijd in de woning blijven wonen, waarbij Quion het voortbestaan van de lening en de bestaande achterstand moet blijven accepteren. De verwijzing naar de schadestaat maakt dat niet anders.
Als zij in die woning wensen te blijven zullen [eisers] ofwel die achterstand binnen afzienbare tijd moeten betalen en vervolgens hun maandelijkse verplichtingen stipt moeten nakomen, ofwel de gehele lening moeten aflossen in het kader van verkoop van de woning dan wel het oversluiten van de lening. [eisers] zullen daartoe actie dienen te ondernemen en van Quion wordt verwacht dat zij hen daartoe een redelijke termijn gunt –te denken valt aan een half jaar- en voor zoveel nodig haar medewerking verleent, bijvoorbeeld als het gaat om toelichting op de BKR-registratie, zoals ter zitting door haar toegezegd.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie
5.1
verklaart voor recht dat Quion onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld, doordat zij jegens hen is tekortgeschoten in haar zorgplicht ex artikel 4:34 Wft;
5.2
veroordeelt Quion aan [eisers] te betalen een bedrag ter hoogte van 25% van de door [eisers] reeds betaalde gecumuleerde rente over een bedrag van € 71.048,40 vanaf de aanvang van de lening (2 juni 2008), te vermeerderen met de samengestelde wettelijke rente over dat bedrag vanaf 20 november 2017 tot de dag van volledige betaling;
5.3
verklaart voor recht dat Quion aansprakelijk is voor 25% van de schade die [eisers] ten gevolge van het tekortschieten in bedoelde zorgplicht overigens hebben geleden, lijden en/of nog zullen lijden;
5.4
veroordeelt Quion tot het vergoeden van 25% van de onder 5.3 bedoelde schade, nader op te maken bij staat, voor zover niet reeds begrepen onder het bedrag genoemd onder 5.2;
5.5
verklaart voor recht dat het rentevoorstel van Quion over de periode 1 december 2018 tot en met 30 november 2021 van 4% naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was, en dat [eisers] over de periode van 1 december 2018 tot en met 30 november 2021 een rente van 3 % per jaar verschuldigd waren respectievelijk zijn;
5.6
veroordeelt Quion tot terugbetaling aan [eisers] van hetgeen deze laatsten vanaf 1 december 2018 méér dan 3% per jaar aan rente hebben betaald, welk bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2019 tot de dag van volledige betaling;
5.7
compenseert de proceskosten aldus dat [eisers] en Quion elk de eigen kosten dragen;
5.8
verklaart bovengenoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.9
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
5.10
verklaart voor recht dat Quion per 30 november 2018 van [verweersters ] te vorderen heeft een bedrag van € 518.140.51, te vermeerderen dan wel te verminderen met een bedrag vanwege de gevolgen van de beslissingen in conventie;
5.11
compenseert de proceskosten aldus dat Quion en [verweersters ] elk de eigen kosten dragen;
5.12
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter mr. J.F. Koekebakker op 28 oktober 2020.
2632/106
Uitspraak 16‑10‑2019
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis na eerder tussenvonnis (ECLI:NL:RBROT:2018:8292). Overkreditering consument? Art. 6:248 BW (redelijkheid en billijkheid). Nieuw rentepercentage hypothecaire lening.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/540818 / HA ZA 17-1181
Vonnis van 16 oktober 2019
in de zaak van
1. [naam eiser] ,
wonende te [woonplaats eiser] ,
2. [naam eiseres],
wonende te [woonplaats eiseres] ,
eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
advocaat mr. R. Zwanenberg te Eindhoven,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
QUION 50 B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. S.E. van Roggen te Nieuwegein.
Partijen zullen hierna mede [naam eiser] , [naam eiseres] , [eisers] (eisers gezamenlijk) en Quion worden genoemd.
1. De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 19 september 2018 en de daaraan ten grondslag liggende stukken
- -
de conclusie met verzoek tot heroverweging + conclusie tot overlegging producties van de zijde van [eisers]
- -
de conclusie houdende antwoord op het verzoek tot heroverweging en overlegging producties van de zijde van Quion
- -
de faxbrief van de zijde van [naam eiser] cs van 27 november 2018
- -
de faxbrief van de zijde van Quion van 28 november 2018
- -
de faxbrief van de zijde van [eisers] van 28 november 2018
- -
de nadere conclusie, tevens akte vermeerdering eis van de zijde van [eisers] , met producties
- -
de conclusie van antwoord op nadere conclusie, tevens akte vermeerdering eis in conventie van de zijde van Quion, met producties
- -
de nadere akte in reconventie van de zijde van [eisers] , met producties
- de nadere akte eiseres in reconventie.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De gewijzigde vordering in conventie
2.1
[eisers] hebben bij akte van 20 februari 2019 hun eis vermeerderd.
De rechtbank vermeldt hierna de eis zoals die thans luidt. De wijziging is vervat in de hierna te noemen punten 10, 12 en 13.
[eisers] vorderen thans dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
1. zal verklaren voor recht dat Quion jegens hen is tekortgeschoten ter zake (haar zorgplicht ex) artikel 4:34 Wft;
2 zal verklaren voor recht dat Quion is tekortgeschoten in haar contractuele verplichtingen jegens hen, althans onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld, doordat zij jegens hen is tekortgeschoten ter zake (haar zorgplicht ex) artikel 4:34 Wft;
3 zal verklaren voor recht dat Quion aansprakelijk is voor alle schade die
[eisers] hebben geleden, lijden en/of nog zullen lijden, doordat Quion indertijd is tekortgeschoten ter zake (haar zorgplicht ex) artikel 4:34 Wft, nader op te maken bij staat en te vereffenen overeenkomstig de wet;
4 zal verklaren voor recht dat de reeds betaalde rentetermijnen en nog verschuldigde rentetermijnen over voornoemd bedrag van € 62.888,89 schade voor [eisers] vormen die voor 100% voor vergoeding door Quion in aanmerking komt, alsmede om Quion te veroordelen tot betaling hiervan, welke schade nader moet worden
opgemaakt bij staat en vereffend overeenkomstig de wet, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarden, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;
5 Quion zal veroordelen tot betaling van het bedrag van € 37.417,26, een en ander ter zake voornoemde gronden verschuldigd, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente hierover ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarden, althans vanaf een door de rechtbank ingoede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;
6 zal verklaren voor recht dat de reeds betaalde rentetermijnen en nog verschuldigde rentetermijnen over voornoemd bedrag van € 221.394,87 schade voor [eisers] vormen die voor 75% voor vergoeding in aanmerking komt, alsmede om Quion te veroordelen tot betaling hiervan, welke schade nader moet worden opgemaakt bij staat en
vereffend overeenkomstig de wet, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarden, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;
7 Quion zal veroordelen tot betaling van het bedrag van € 106.147,10, een en ander ter zake voornoemde gronden verschuldigd, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente hierover ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarden, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;
8 zal verklaren voor recht dat het rentevoorstel van Quion, van 4,2%, in strijd was met de redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:2 BW, althans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was als bedoeld in artikel 6:248 BW, alsmede zal verklaren voor recht dat [eisers] over de periode 7 december 2015 tot en met 30 november 2018 een rentepercentage van 3% per jaar verschuldigd waren c.q. zijn, alsmede Quion zal veroordelen tot betaling van hetgeen [eisers] over laatstgenoemde periode meer aan renteverplichtingen hebben voldaan, zulks ter zake voornoemde gronden verschuldigd, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarden, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening, welk bedrag nader moet worden opgemaakt bij staat en vereffend overeenkomstig de wet;
9 Quion zal veroordelen tot betaling van het bedrag van € 5.136,04, een en ander ter zake voornoemde gronden verschuldigd, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente hierover ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarden, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;
10 zal verklaren voor recht dat het rentevoorstel van Quion over de periode
1 december 2018 tot en met 30 november 2021 van 4% in strijd was met de redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:2 BW, althans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was als bedoeld in artikel 6:248 BW, alsmede zal verklaren voor recht dat [eisers] over de periode van 1 december 2018 tot en met 30 november 2021 een rente van 2 % per jaar (althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen rentepercentage) verschuldigd waren dan wel zijn en Quion zal veroordelen tot [terug]betaling van hetgeen zij over laatstgenoemde periode meer aan renteverplichtingen hebben voldaan, zulks ter zake voornoemde gronden verschuldigd, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 20 februari 2019, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening, welk bedrag nader moet worden opgemaakt bij staat en vereffend overeenkomstig de wet;
11 Quion zal veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder het salaris en de verschotten van de advocaat van [eisers] ;
12 Quion zal veroordelen in de nakosten, een bedrag begroot op € 205,-- in de zin van artikel 237, lid 4 Rv, te vermeerderen met € 68, in geval van betekening, conform het forfaitaire liquidatietarief;
13 Quion zal veroordelen tot voldoening van de onder 11 en 12 opgenomen vorderingen binnen 14 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis en - voor het geval voldoening binnen de bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot aan de dag van algehele betaling.
2.2
Zij baseren de eisvermeerdering ter zake van de rente voor de periode van
1 december 2018 tot en met 30 november 2021 op de volgende, zakelijk weergegeven stellingen.
Het percentage van 4 is exact 1 procentpunt hoger dan het rentepercentage dat door het Kifid redelijk werd gevonden voor de periode december 2015 tot en met november 2018. Tegen dat oordeel (en dat percentage) heeft Quion zich nooit verzet. Voor dat hogere percentage bestaat geen rechtvaardiging. De marktrente is immers de afgelopen 3 jaar niet gestegen. [eisers] verwijzen naar een publicatie in “De Telegraaf”, waaruit blijkt dat de hypotheekrente gemiddeld genomen 2,48% bedroeg voor gemiddeld 16,4 jaar vast. Quion zit daar, met 4% voor slechts 3 jaar vast, te ver boven. Ook verwijzen zij naar een publicatie van “De Hypotheker” over de historische ontwikkeling van rentestanden. Daaruit blijkt dat de rentestanden in de periode 2015 tot en met 2018 zijn gedaald.
Het risico dat zij het geleende bedrag niet zouden terugbetalen is in de afgelopen periode (sinds 2015) ook niet toegenomen, maar juist afgenomen. Zij zijn al hun financiële verplichtingen de afgelopen jaren correct nagekomen, ook jegens Quion.
Het onderpand is de afgelopen drie jaar substantieel in waarde gestegen en de afkoopwaarde van de aan Quion verpande levensverzekering is toegenomen tot € 47.574,26.
Zelfs als de rechtbank zou oordelen dat Quion onverminderd een hoger risico blijft lopen ter zake van de terugbetalingsverplichtingen van [eisers] , dan is dit risico in ieder geval niet zo fors als de renteopslag die Quion hanteert, meer dan 1,52 procentpunt (meer dan 1/3 van het betreffende rentepercentage) is buitensporig en onaanvaardbaar.
Zij worden hierdoor met substantiële extra rentelasten geconfronteerd, die zouden kunnen oplopen tot € 179.010,00 (en zelfs nog meer als de rentestanden over een paar jaar onverhoopt gaan oplopen). Deze extra rentelasten, die oplopen tot bijna 1/3 van het door hen te leen ontvangen geldbedrag, staan in geen verhouding tot het risico dat door Quion wordt gelopen.
Doordat zij deze excessieve rentepercentages hanteert, ontneemt Quion [eisers] de mogelijkheid om in te lopen op de (volgens Quion bestaande) achterstanden en/of om een buffer op te bouwen.
Bij dit alles is ook van belang dat hun achterstand, anders dan Quion doet voorkomen, geen € 78.218,20, maar hoogstens € 18.313,28 bedraagt.
De rente voor de periode december 2018 tot en met november 2021 willen zij zien vastgesteld op 2%, althans 2,25%, 2,5%, 2,75%, maar maximaal 3% per jaar. Dit zijn nog steeds rentetarieven die substantieel hoger liggen dan de marktrente, zodat de (beweerde) risico's van Quion hierin nog steeds verdisconteerd zijn door een reële risico-opslag.
2.3
Quion heeft zich tegen de eisvermeerdering op zichzelf niet verzet.
Wel voert zij verweer tegen de hiervoor onder 2.1 punt 10 vermelde vorderingen.
Op haar argumenten daarvoor gaat de rechtbank hierna in.
Ook heeft Quion zich gemotiveerd verweerd tegen de door [eisers] bepleite heroverweging door de rechtbank van de uit de overwegingen 7.5 en 7.6 in het tussenvonnis van 19 september 2018 volgende (bindende eind-)beslissingen.
Ten slotte heeft zij zich op het standpunt gesteld dat, nu [eisers] de door de rechtbank genoemde aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2004-2007 niet hebben overgelegd, zij niet inzichtelijk kan maken of zij de aanvraag van [eisers] destijds al dan niet zou hebben geaccepteerd, zodat het bewijs van overkreditering door [eisers] reeds daarom niet is geleverd.
3. De gewijzigde vordering in reconventie
3.1
Quion heeft bij akte van 20 maart 2019 haar eis gewijzigd.
De rechtbank vermeldt hierna de eis zoals die thans luidt.
Quion vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
1. zal verklaren voor recht dat Quion per 30 november 2018 van [eisers] te vorderen hebben een bedrag van € 570.524,39, te vermeerderen dan wel te verminderen met een bedrag vanwege de gevolgen van de uitspraak van de rechtbank in conventie inzake de verschuldigde rente vanaf 1 december 2018;
2 [eisers] hoofdelijk, aldus dat als de een betaalt de ander in zoverre zal zijn bevrijd, zal veroordelen in de proceskosten en de wettelijke rente over die kosten voor zover die niet zijn voldaan binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, en in dat laatste geval tot betaling van de nakosten van € 205,--, te verhogen met € 68,-- in geval van betekening, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf voormelde termijn van voldoening.
3.2
Quion heeft de wijziging van eis toegelicht. Daarop hebben [eisers] gereageerd. Hun verweer is dat Quion een rekenfout heeft gemaakt bij haar vordering. Quion heeft daarop weer gereageerd, de rekenfout erkend en haar vordering bijgesteld op € 540.000,-- in hoofdsom, zo nodig te vermeerderen met € 18.140,61 in geval van een vergoedingsplicht van Quion van 25%.
4. De verdere beoordeling
in conventie
heroverweging
4.1
De aanvulling op het verzoek tot heroverweging, zoals vervat in de “conclusie met verzoek tot heroverweging + conclusie tot overlegging producties” is, anders dan Quion aanvoert, niet strijdig met de goede procesorde. De procedure is er niet door vertraagd en Quion heeft erop kunnen reageren.
4.2
De rechter die in een tussenuitspraak een of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist is hieraan, in beginsel, in het verdere verloop van het geding gebonden. Deze gebondenheid heeft een - uit een oogpunt van goede procesorde positief te waarderen - op beperking van het debat gerichte functie. Zij geldt evenwel niet onverkort. De eisen van een goede procesorde brengen immers tevens mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (HR 25 april 2008, NJ 2008, 553).
4.3
De rechtbank ziet in het door [eisers] gestelde geen aanleiding terug te komen op deze beslissingen; van onjuiste juridische of feitelijke grondslagen is niet gebleken. Dat betekent dat de rechtbank blijft bij wat in voornoemd vonnis is overwogen en beslist, met dien verstande dat de overwegingen 7.4 en 7.5 naar aanleiding van de door [eisers] overgelegde stukken en het nadere partijdebat nader zullen worden toegelicht en genuanceerd zoals hierna zal worden vermeld.
Nieuw rentepercentage van 4% voor de periode december 2018-december 2021
4.4
Quion beroept zich ten aanzien van het rentepercentage van 4 op haar beleidsvrijheid. Maatstaf voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een onaanvaardbaar rentevoorstel is, zo voert zij aan, in het algemeen of het aangeboden rentetarief in onredelijke mate afwijkt van de op dat moment in de markt gehanteerde rentetarieven voor een vergelijkbaar hypothecair krediet. Daarbij moet volgens haar in dit geval in het bijzonder rekening worden gehouden met de bij de aanvang van de overeenkomst door de cliënt geaccepteerde rente-opslag voor ondernemers met een minder stabiel of moeilijk aantoonbaar inkomen; daarvoor is destijds een opslag van 3% ten opzichte van de toenmalige marktrente gehanteerd en geaccepteerd.
Quion voert voorts aan dat het renteaanbod van 27 augustus 2018 aansloot bij het op dat moment door haar gehanteerde rentetarief voor al haar klanten. Obvion bood in die tijd een rente aan van circa 2,38% (voor 3 jaar vast) voor een reguliere hypotheek met een normaal risicoprofiel en CMIS bood voor een hypotheek met inkomensverklaring een rentetarief aan van 2,8% voor 3 jaar vast en 3,1% voor 5 jaar vast. De door haar, Quion, aangeboden rente was ongeveer 1 procentpunt hoger dan de rente van CMIS en dat is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar en wijkt niet meer dan 3% af van de marktrente voor niet-soortgelijke, reguliere hypotheekleningen.
Zij wijst erop dat zij haar klanten uniform tarifeert. Het tarief dat [eisers] op dit moment betalen is gelijk aan het tarief dat andere klanten met hetzelfde risicoprofiel bij haar moeten betalen en zij wil geen uitzondering maken op haar rentebeleid, mede gelet op het bepaalde in het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen. De publicaties waarnaar [eisers] verwijzen zeggen haar niets. Aan een onduidelijk berekend gemiddeld percentage kunnen geen conclusies worden verbonden.
Dat de waarde van het onderpand is gestegen is niet onderbouwd, net zo min als de stelling dat het risico voor Quion zou zijn afgenomen.
Ten slotte verwijst zij naar de uitspraak van de Commissie van Beroep van het Kifid van 21 januari 2019 met nummer 004.
Los van het voorgaande moet deze vordering volgens haar worden afgewezen omdat
[eisers] nalaten hun schade te beperken, doordat zij hun huis niet verkopen.
4.5.1
De beleidsvrijheid van Quion bij het bepalen van het nieuwe rentepercentage voor de onderhavige hypotheek vindt haar begrenzing in artikel 6:248 BW: een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. In dit geval moet die maatstaf worden toegespitst op de vraag of het op
27 augustus 2018 gedane renteaanbod in zo onredelijke mate afweek van de op dat moment in de markt voor vergelijkbare leningen aanvaarde tarieven dat dit, alle omstandigheden in dit geval in aanmerking nemende, onaanvaardbaar moet worden geacht. Daarbij speelt de bij de aanvang van de overeenkomst door [eisers] geaccepteerde rente-opslag mede een rol.
4.5.2
Uit de kredietovereenkomst tussen [eisers] en Quion van 2 juni 2008 blijkt niet met zoveel woorden dat destijds een hoger rentepercentage dan de marktrente werd overeengekomen en ook niet dat [eisers] dat desbewust hebben geaccepteerd, wel dat zij het hebben geaccepteerd.
Quion was destijds niet op grond van de wet en/of van haar zorgplicht verplicht hen daarover te informeren. De vermelding van het op de geldlening toepasselijke rentetarief, 9,05%, was destijds voldoende.
Quion acht [eisers] in die situatie nog steeds gebonden aan de door hen in 2008 geaccepteerde rente-opslag en wil hen daaraan houden. Dat is op zichzelf genomen, als uitgangspunt, terecht.
4.5.3
Quion bestempelt de rente-opslag uit 2008 (9,05% voor 5 jaar vast voor een “hypotheek met inkomensverklaring” (ofwel een hypotheek met hoog risicoprofiel), ten opzichte van 6% voor nieuwe reguliere hypothecaire leningen als een opslag van circa 3%. Dat laatste is niet juist; de opslag was circa 3 procentpunt, en, in procenten uitgedrukt: 50,83% ((9,05-6)/6 *100) ten opzichte van nieuwe reguliere hypothecaire leningen.
4.5.4
Quion neemt als uitgangspunt de geaccepteerde opslag uit 2008 en maakt een vergelijking tussen de door haar in augustus 2018 aangeboden rente van 4% bij 3 jaar vast voor de onderhavige lening met hoog risicoprofiel enerzijds, en de rente die CMIS in diezelfde periode aanbood voor een lening met een hoog risicoprofiel voor 5 jaar vast, 3,1 %, anderzijds. Zij concludeert dat dat een verschil oplevert van circa 1 procentpunt en dat is volgens haar geen afwijking die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Wanneer Quion [eisers] aan de acceptatie uit 2008 wil houden gaat deze vergelijking echter mank. In 2008 is er met een opslag gerekend op de rente voor een lening met hoog risicoprofiel ten opzichte van een reguliere lening, 9,05 % ten opzichte van 6%; daarover hebben partijen toen overeenstemming bereikt.
Wat Quion, als zij in lijn wilde blijven met de in 2008 geaccepteerde rente-opslag, in 2018 dus had moeten vergelijken is het rentepercentage voor de onderhavige lening met hoog risicoprofiel met het in 2018 in de markt geldende percentage voor een reguliere hypothecaire lening. Daarbij had zij dezelfde rentevaste periode, 3 jaar, moeten hanteren.
4.5.5
Wanneer de rechtbank bedoelde vergelijking thans maakt, uitgaande van de juistheid van het door Quion genoemde en door [eisers] in zoverre niet betwiste rentepercentage van Obvion in 2018, 2,38 % bij 3 jaar vast voor een reguliere hypothecaire lening, dan blijkt het volgende.
4 % bij 3 jaar vast ten opzichte van 2,38 % bij 3 jaar vast maakt een verschil van 1,62 procentpunt, en, in een percentage uitgedrukt: 68,07 %. ((4-2,38)/2,38*100)
Het procentuele verschil tussen 9,05% en 6% was 50%.
4.5.6
Vergelijkt de rechtbank het aangeboden percentage van 4 voor de onderhavige lening met dat voor een ándere lening met hoog risicoprofiel, zoals dat door Quion gestelde en door [eisers] niet betwiste percentage van CMIS, 2,8, dan blijkt het aanbod van Quion 42,86 % ((4-2,8)/2,8*100) hoger te liggen dan dat van CMIS.
4.5.7
Of het aangeboden percentage van 4 nu wordt gerelateerd aan de in 2008 geaccepteerde rente-opslag, of aan de in 2018 in de markt voor vergelijkbare leningen aanvaarde tarieven, in beide gevallen zijn de verschillen, 68,07 %, respectievelijk 42,85 %,
aanzienlijk.
De rechtbank is van oordeel dat als wordt uitgegaan van het doortrekken van de in 2008 gemaakte afspraken, hetgeen in dit geval ook volgens Quion in de rede ligt, [eisers] , in lijn met de overwegingen in de uitspraak van het Kifid van 21 januari 2019 met nummer 004, waarnaar Quion met instemming verwijst, de thans voorgestelde verhoging in redelijkheid niet hoefden te verwachten. Quion behoorde erop toe te zien dat het verschil tussen de gemiddelde rente en de voor [eisers] overeengekomen rente-met-opslag niet ten nadele van [eisers] veranderde, de rente in de pas te houden met de marktrente en zo te voldoen aan de verwachtingen die [eisers] daarover mochten hebben (vergelijk overwegingen 5.9 en 5.10 van deze uitspraak).
Waar [eisers] rekening moesten houden met een rente-opslag van ongeveer
50 % wegens het groter dan gemiddelde risico is, zonder nadere toelichting van Quion, die ontbreekt, een opslag van 68,07 % in 2018 ten opzichte van de marktrente niet begrijpelijk. Quions argument van de gebondenheid aan de in 2008 aanvaarde opslag kan daarom geen gewicht in de schaal leggen bij de beantwoording van de vraag of de in 2018 aangeboden rente van 4% binnen de beleidsvrijheid van Quion paste.
4.5.8
Als het aanbod wordt getoetst aan het algemene rentepeil is duidelijk dat de aangeboden rente in aanzienlijke mate afwijkt van de in de markt aanvaarde tarieven voor leningen met een vergelijkbaar risicoprofiel, zonder dat daarvoor een adequate grond valt aan te wijzen.
Quion heeft naast het hiervoor ontoereikend geachte beroep op de afspraken van 10 jaar eerder gewezen op haar beleid in het algemeen en aangevoerd dat zij niet wil afwijken van haar uniforme tarieven, mede gelet op het bepaalde in het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen, maar dat is niet een dergelijke grond.
Quion heeft kennelijk het oog heeft op art. 81 b BGf, maar daarbij miskent zij dat bij [naam eiser] sprake is van een bijzondere, mede door het verleden beinvloede situatie, die niet vergelijkbaar is met de situatie van een willekeurige nieuwe klant van Quion (consument) met een hoog risico-profiel.
Onaanvaardbaar?
4.6.
Dat het aanbod niet redelijk is betekent op zichzelf nog niet dat ruimte is voor de toepassing van artikel 6:248 BW, waarbij een contractuele regel (deels) buiten toepassing wordt gelaten. Bij deze toets behoort de rechter vanzelfsprekend grote terughoudendheid te betrachten en rekening te houden met de relevante omstandigheden van het geval.
4.6.1
Tot die omstandigheden rekent de rechtbank, behalve de omstandigheden die hiervoor reeds aan de orde kwamen, de volgende.
Aannemelijk is dat [eisers] in een afhankelijkheidspositie ten opzichte van Quion verkeren. Zij hebben gesteld dat zij niet de mogelijkheid hebben om over te stappen naar een andere hypotheekaanbieder en te profiteren van de huidige lage rentestand; Quion betwist dat, maar licht haar standpunt niet toe zodat aan die betwisting voorbijgegaan wordt.
Quion heeft niet weersproken dat [eisers] tot dusverre al hun financiële verplichtingen zijn nagekomen en heeft erkend dat zij hun verplichtingen jegens haar, Quion, zijn nagekomen (behoudens het hierna te bespreken debat over de achterstand), zodat de rechtbank daarvan uitgaat. Dat vormt een serieuze indicatie voor de juistheid van de stelling van [eisers] dat het risico voor Quion in elk geval niet is toegenomen.
Quion heeft erop gewezen dat niet is aangetoond dat de waarde van de verbonden onroerende zaak substantieel is gestegen. Dat is op zichzelf juist. Niettemin mag worden aangenomen, gelet op de ontwikkelingen op de woningmarkt van de laatste jaren, dat die waarde in elk geval niet is gedaald. Voorzover Quion bedoelt te stellen dat die waarde wel is gedaald heeft zij dat niet gemotiveerd.
4.6.2
In reconventie is, in de laatste aktewisseling tussen partijen, komen vast te staan dat Quion een rekenfout had gemaakt doordat zij de betalingen tussen 1 mei 2017 en het eind van 2017 niet had verdisconteerd. Quion heeft, om verdere discussies over geringe verschillen te voorkomen, de juistheid van de berekening van [eisers] erkend zodat nu vast staat dat de achterstand € 18.140,61 bedraagt en sedert
30 september 2017 niet is veranderd. Dat betekent, dat anders dan Quion (naar moet worden aangenomen) heeft gedaan, bij de beoordeling van het aanbod voor de nieuwe rente na december 2018 dat in augustus 2018 is gedaan, niet betrokken mag worden dat de achterstand is toegenomen, zodat van een exceptioneel risico uit dien hoofde geen sprake is.
4.6.3
In het licht van deze omstandigheden acht de rechtbank het aangeboden tarief van 4 %, dat bijna 43 % hoger ligt dan het tarief dat Quion als in de markt geldend voor hypothecaire leningen met een vergelijkbaar risicoprofiel noemt, 2,8 %, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aanvaardbaar.
De rechtbank acht een rentepercentage van 3 voor de periode december
2018 - december 2021 in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid nog juist aanvaardbaar. Dat percentage ligt nog steeds hoger dan de marktrente voor leningen met een vergelijkbaar risicoprofiel, in het bijzonder het door Quion zelf genoemde tarief van CMIS van 2,8%.
4.7
Het hiervoor onder 4.5.1 tot en met 4.6.3 overwogene leidt tot de conclusie dat de gevorderde verklaring voor recht te zijner tijd zal worden gegeven.
Nu het rentepercentage van 4 dat ingevolge de kredietovereenkomst in rekening is gebracht niet langer toepasselijk is, is het verschil tussen de op basis van dat percentage inmiddels betaalde rente en de rente naar een tarief van 3 % onverschuldigd betaald.
Dat brengt mee dat voor Quion in zoverre een ongedaanmakingsverbintenis is ontstaan. Quion heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde wettelijke rente over het terug te betalen bedrag en de ingangsdatum daarvan, zodat de vordering op die onderdelen te zijner tijd ook zal worden toegewezen.
[eisers] hebben verwijzing naar de schadestaatprocedure gevorderd.
De ongedaanmakingsverbintenis die ontstaat uit onverschuldigde betaling strekt echter niet tot schadevergoeding, zodat verwijzing alleen al om die reden niet aan de orde kan zijn.
Quion zal te zijner tijd worden veroordeeld tot betaling aan [eisers] van wat laatstgenoemden vanaf december 2018 méér aan rente hebben voldaan dan 3 %, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 20 februari 2019 tot aan de dag van volledige betaling.
4.8
overkreditering
4.8.1
In het tussenvonnis van 19 september 2018 heeft de rechtbank [eisers] in de gelegenheid gesteld om de voor een hernieuwde beoordeling van hun kredietwaardigheid in 2008 vereiste financiële gegevens in het geding te brengen, waaronder in elk geval de aanslagen inkomstenbelasting over 2004-2007 en de jaarcijfers van de besloten vennootschappen [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] over de jaren 2004 tot en met 2007.
[eisers] hebben laten weten dat zij door het tijdsverloop niet meer beschikken over alle gevraagde belastingaanslagen.
4.8.2
Quion concludeert dat [eisers] niet zijn geslaagd in het bewijs van de gestelde overkreditering. Subsidiair voert zij aan dat zij “kan bevestigen dat zij op basis van de ingebrachte belastingaangiften nooit meer dan € 468.951,60 aan [eisers] zou hebben uitgeleend” en dat zij daarom de vrijheid heeft genomen de gevraagde berekening niet te maken.
De achtergrond van het niet maken van de berekening door Quion is kennelijk gelegen in de overweging onder 7.4 van het tussenvonnis dat de schade niet hoger kan zijn dan de rente over het bedrag van de overkreditering.
4.8.3
Aard en inhoud van wat door hen wel is overgelegd geven naar het oordeel van de rechtbank een tamelijk goed beeld van de financiële positie van [eisers] van destijds, en kunnen redelijkerwijs gesproken de basis vormen voor een verantwoorde berekening van hun kredietwaardigheid met toepassing van Quions eigen acceptatienormen en gedragscode van 2008. Of een dergelijke berekening noodzakelijk is, valt op dit moment nog niet vast te stellen, gelet op het volgende.
4.8.4
Het uitgangspunt voor de schadebepaling moet zijn dat de situatie zonder de fout vergeleken dient te worden met de werkelijke situatie. Zonder de fout hadden [eisers] , , volgens hun eigen stellingen, niets aan de situatie veranderd en dus een lening gehad van € 468.951,60 en daarover ook rente moeten betalen. Dat is de situatie zonder fout, niet een hypothetische situatie waarin Quion een lening voor een lager bedrag had mogen en moeten verstrekken.
Als ervan wordt uitgegaan dat, gelet op hun financiële positie, het gehele verschil tussen die bestaande lening en de in werkelijkheid verstrekte lening moet worden aangemerkt als overkreditering, is de situatie zonder fout die met de bestaande lening, die vergeleken moet worden met de situatie na de door Quion verstrekte lening. Tegen die achtergrond moet r.o. 7.4 van het tussenvonnis worden gezien.
4.8.5
[eisers] stellen nu, doch specificeren of onderbouwen niet, dat de rente bij Quion hoger was dan de rente bij hun vorige hypotheekverstrekker. Een degelijke specificatie en onderbouwing had, op dit moment in de procedure en vanuit hun positie als eisers, van hen verwacht mogen worden. Nu die is uitgebleven gaat de rechtbank aan die stelling voorbij.
4.8.6
De rechtbank begrijpt de (subsidiaire) positie van Quion zo, dat zij erkent dat, op basis van de thans beschikbare stukken, er een overkreditering is geweest ter grootte van het verschil tussen het bedrag van de bestaande lening en de door Quion verstrekte lening. Dat betekent, dat de schade gelijk is aan de gecumuleerde teveel betaalde rente over € 71.048,40 en dat het uitrekenen van het bedrag dat Quion aan [eisers] had kunnen/mogen lenen inderdaad niet nodig is.
Voor zover Quion iets anders heeft bedoeld zal die berekening wel, alsnog, moeten plaats vinden.
De rechtbank zal een comparitie van partijen gelasten om een en ander, en de praktische uitvoering daarvan, met partijen te bespreken.
4.9
Schadebeperking
Quion stelt dat [eisers] de schade hadden kunnen en moeten beperken door het huis, dat te duur voor hen is, te verkopen. Dit aspect hangt samen met de achterstand en de te vergoeden schade. [eisers] stellen dat Quion heeft aangekondigd het huis, na afloop van deze procedure, executoriaal te zullen laten verkopen.
Dit aspect, en de actuele situatie in totaal, zal de rechtbank bij gelegenheid van de te gelasten comparitie met partijen bespreken. Van elk van partijen wordt een gespecificeerd en onderbouwd overzicht verwacht van de financiële gevolgen die dit vonnis en het vorige voor de totale situatie hebben, alsmede van [eisers] een actuele WOZ-waarde van de woning (en eventueel, van de meest gerede partij, een taxatierapport).
Omdat Quion in een eerder stadium van deze procedure heeft laten weten dat een minnelijke oplossing haar voorkeur heeft zal bij die comparitie mede de mogelijkheid daarvan worden onderzocht.
4.10
De rechtbank zal de zaak naar de rolzitting van 30 oktober 2019 verwijzen voor opgave van verhinderdata door [eisers] en Quion over de maanden december 2019 tot en met maart 2020.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
in reconventie
5.1
Quion en [verweerders] zijn het eens geworden over de omvang van de vordering tot dusverre, € 540.000,--, te vermeerderen in geval er sprake is van overkreditering met € 18.140,61. Deze vordering zal zo nodig nog bij de te bepalen comparitie aan de orde komen.
Iedere beslissing zal worden aangehouden.
De beslissing
De rechtbank
in conventie en in reconventie
bepaalt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100/125 op een nader te bepalen dag en uur;
bepaalt dat [naam eiser] en [naam eiseres] dan in persoon aanwezig moeten zijn en dat Quion dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen;
bepaalt dat [eisers] en Quion op de rolzitting van 30 oktober 2019 schriftelijk aan de rechtbank
Administratie haven en handel, afdeling planningsadministratie, kamer E13.31, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, faxnummer 088-36 10555
de verhinderdagen in de maanden december 2019 tot en met maart 2020 moeten opgeven, waarna dag en uur voor de comparitie zullen worden bepaald;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2019.
2632/106
Uitspraak 19‑09‑2018
Inhoudsindicatie
Zorgplicht hypotheeknemer. Overkreditering?
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/540818 / HA ZA 17-1181
Vonnis van 19 september 2018
in de zaak van
1. [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats] ,
eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
advocaat mr. R. Zwanenberg te Eindhoven,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
QUION 50 B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. S.E. van Roggen te Nieuwegein.
Partijen zullen hierna [eiser 1] , [eiser 2] , [eisers] (eisers gezamenlijk) en Quion worden genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding van 20 november 2017 met producties
- -
de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, met producties
- -
de conclusie van antwoord in reconventie, met producties
- -
de akte overlegging producties van de zijde van [eisers]
- -
de akte overlegging nadere producties van de zijde van [eisers]
- -
de akte overlegging productie van de zijde van Quion
- het proces-verbaal van comparitie van 11 april 2018, met daarbij de machtiging van de bestuurder van Quion tot vertegenwoordiging door R.M.A. Hubbard
- de reactie op het proces-verbaal van 14 augustus 2018.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten in conventie en in reconventie
2.1.
Quion heeft op verzoek van [eisers] op 27 mei 2008 een offerte uitgebracht voor een hypothecaire geldlening. Van die offerte maakte deel uit een zogenaamde Eigen Verklaring geldnemers (hierna: Eigen Verklaring).
In deze Eigen Verklaring staat vermeld dat [eiser 1] sinds 10 mei 2004 zelfstandig ondernemer (commercieel directeur van een BV) was, met een jaarinkomen van € 85.000, - en dat [eiser 2] als zorgcoördinator met een vast dienstverband een jaarinkomen van € 28.000, - verdiende.
De verklaring luidt verder:
Hierbij verklaren wij, Geldnemers:
- dat wij deze Eigen Verklaring volledig en naar waarheid hebben ingevuld;
- dat wij ons ervan bewust zijn dat een overschatting van mijn inkomen betalingsproblemen met zich mee kan brengen bij het voldoen van de maandelijkse hypotheekverplichtingen;
- geïnformeerd te zijn over de risico’s van overkreditering mocht de opgave van ons inkomen onjuist zijn.
- (…)
- dat wij door onze adviseur ons hebben laten voorlichten over verantwoorde inkomens-/lastenverhouding voor verantwoorde hypotheekverstrekking en op grond daarvan tot de conclusie zijn gekomen dat deze in een verantwoorde verhouding staat;
- dat wij toestemming geven om contact met ons op te nemen voor verificatie van de Eigen Verklaring.
Bovenstaande factoren kunnen ertoe leiden dat Geldnemers niet meer aan de betalingsverplichtingen kunnen voldoen en dat dientengevolge de lening opgeëist kan worden en dat in het uiterste geval de woning gedwongen verkocht kan worden. Aldus verklaren wij, ieder voor zich, gezamenlijk en zonder enig voorbehoud, dat het door ons opgegeven inkomen gelijk is aan het werkelijke inkomen.”
Elk van beiden heeft deze verklaring ondertekend op 2 juni 2008.
2.2.
[eiser 1] ontving ten tijde van de aanvraag een arbeidsongeschiktheidsuitkering van het UWV. Hij heeft dat in de Eigen Verklaring niet vermeld.
2.3.
[eisers] hadden ten tijde van de aanvraag de woning aan de [adres] in eigendom. Daarmee was verbonden een hypothecaire geldlening van € 468.951,60.
2.4.
Op 2 juni 2008 hebben [eisers] de offerte ondertekend en met Quion een geldleningsovereenkomst gesloten. Het geleende bedrag was € 540.000, -, gesplitst in een aflossingsvrij deel van € 270.000, - en een “lening met vermogensopbouw door middel van levensverzekering” van € 270.000, -. Voor beide delen bedroeg de rente 9,05 % per jaar met een rentevaste periode van 5 jaar en een looptijd van 30 jaar. De afsluitprovisie bedroeg € 5.400, -. De maandelijkse rente-/premieverplichting was € 4.072,50.
Bij de totstandkoming van de lening was Assurantie- en Adviesburo K&R BV te Kaatsheuvel betrokken.
2.5.
Ten tijde van het aangaan van deze lening gold voor Quion de Gedragscode Hypothecaire Financiering (hierna: de gedragscode). Artikel 6.2 daarvan luidde toen, voor zover hier van belang:
“De hypothecair financier zal bij het bepalen van de leencapaciteit van een consument die een hypothecaire financiering aanvraagt rekening houden met huidige vaste en bestendige inkomsten (…)”.
2.6.
Sinds eind 2009 zijn [eisers] verschillende keren niet in staat geweest volledig aan hun verplichtingen jegens Quion te voldoen.
Begin november 2012 hebben zij met Quion overleg gevoerd. Quion heeft toen aangeboden de nominale rente per december 2012 te verlagen van 9,05% naar 3,34% per jaar, met een rentevaste periode van 3 jaar, waarbij zij een boeterente van € 14.580, - verschuldigd zouden zijn. Bij onmiddellijke betaling van € 1.294,40 zouden zij voor het restant gekweten zijn. [eisers] hebben dat aanbod aanvaard en het bedrag van € 1.294,40 betaald.
2.7.
Bij brief van 25 augustus 2015 heeft Quion [eisers] voor de periode na
1 december 2015 een rente van 4,2 %, effectief 4,3%, op jaarbasis aangeboden, met een rentevaste periode van 3 jaar.
Quion heeft het rentepercentage van 4,2 % eenzijdig toegepast.
3. De vordering in conventie
3.1.
[eisers] vorderen, na wijziging van eis, dat de rechtbank, bij vonnis
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. zal verklaren voor recht dat Quion jegens hen is tekortgeschoten ter zake (haar zorgplicht ex) artikel 4:34 Wft;
2. zal verklaren voor recht dat Quion is tekortgeschoten in haar contractuele verplichtingen jegens hen, althans onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld, doordat zij jegens hen is tekortgeschoten terzake (haar zorgplicht ex) artikel 4:34 Wft;
3. zal verklaren voor recht dat Quion aansprakelijk is voor alle schade die
[eisers] hebben geleden, lijden en/of nog zullen lijden, doordat Quion indertijd is tekortgeschoten terzake (haar zorgplicht ex) artikel 4:34 Wft e. e. a. nader op te maken bij staat en te vereffenen overeenkomstig de wet;
4. zal verklaren voor recht dat de reeds betaalde rentetermijnen en nog verschuldigde rentetermijnen over voornoemd bedrag van € 62.888,89 schade voor [eisers] vormen die voor 100% voor vergoeding door Quion in aanmerking komt, alsmede om Quion te veroordelen tot betaling hiervan, welke schade nader moet worden
opgemaakt bij staat en vereffend overeenkomstig de wet, e. e. a. te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarden, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;
5. Quion zal veroordelen tot betaling van het bedrag van € 37.417,26, e.e.a. terzake voornoemde gronden verschuldigd, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente hierover ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarden, althans vanaf een door de rechtbank in
goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;
6. zal verklaren voor recht dat de reeds betaalde rentetermijnen en nog verschuldigde rentetermijnen over voornoemd bedrag van € 221.394,87 schade voor [eisers] vormen die voor 75% voor vergoeding in aanmerking komt, alsmede om Quion te veroordelen tot betaling hiervan, welke schade nader moet worden opgemaakt bij staat en
vereffend overeenkomstig de wet, e. e. a. te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarden, althans vanaf een door de echtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;
7. Quion zal veroordelen tot betaling van het bedrag van € 106.147,10, e.e.a. terzake voornoemde gronden verschuldigd, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente hierover ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarden, althans vanaf een door de rechtbank in
goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;
8. zal verklaren voor recht dat het rentevoorstel van Quion, van 4,2%, in strijd was met de redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:2 BW, althans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was als bedoeld in artikel 6:248 BW, alsmede zal verklaren voor recht dat [eisers] over de periode 7 december 2015 tot en met 30 november 2018 een rentepercentage van 3% per jaar verschuldigd waren c.q. zijn, alsmede Quion zal veroordelen tot betaling van hetgeen [eisers] over laatstgenoemde periode meer aan renteverplichtingen hebben voldaan, zulks ter zake voornoemde gronden verschuldigd,
e. e. a. te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarden, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening, welk bedrag nader moet worden opgemaakt bij staat en vereffend overeenkomstig de wet;
9. Quion zal veroordelen tot betaling van het bedrag van € 5.136,04, e. e. a. ter zake voornoemde gronden verschuldigd, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente hierover ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarden, althans vanaf een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;
10. Quion zal veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder het salaris en de verschotten van de advocaat van [eisers] ;
11. Quion zal veroordelen in de nakosten, een bedrag begroot op € 131,- (zegge éénhonderdeenendertig euro) in de zin van artikel 237, lid 4 Rv, te vermeerderen met € 68,- achtenzestig euro) in geval van betekening, e. e. a. conform het forfaitaire liquidatietarief;
12. Quion zal veroordelen tot voldoening van de onder 9 en 10 opgenomen vorderingen binnen 14 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis en — voor het geval voldoening binnen de bedoelde termijn niet plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot aan de dag van algehele betaling.
3.2.
Zij baseren hun vorderingen, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op de volgende, zakelijk weergegeven stellingen.
Quion heeft haar zorgplicht ex artikel 4:34 van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) geschonden. Quion heeft niet gecontroleerd of [eisers] de Eigen Verklaring goed hadden begrepen, of zij die goed hadden ingevuld en of zij daadwerkelijk de daarin vermelde inkomsten hadden, en heeft geen onderbouwende documenten opgevraagd ter controle.
Zij heeft aan hen een hogere lening verstrekt dan zij op basis van hun werkelijke inkomen uit 2007 had mogen doen. Aldus is er sprake van overkreditering. Zij hebben daardoor financiële schade geleden, waarvoor Quion aansprakelijk is. Daarnaast heeft Quion een voorstel gedaan voor de rente dat te hoog was en daardoor schade bij hen veroorzaakt.
4. Het verweer in conventie
Quion heeft de vordering gemotiveerd bestreden en geconcludeerd tot afwijzing, met uitzondering van de onder 8 gevorderde verklaring voor recht in die zin, dat zij instemt met een rentepercentage van 3% voor de periode van 1 december 2015 tot 1 december 2018. Op haar verweer gaat de rechtbank hierna, waar nodig, in.
5. De vordering in reconventie
5.1.
Quion vordert, na vermindering van eis ter comparitie, dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
1. zal verklaren voor recht dat Quion per 30 september 2017 van [eisers] te vorderen heeft een bedrag van € 590.352,60 uit hoofde van de tussen partijen gesloten (hypothecaire) geldleningsovereenkomst, zoals vastgelegd in de hypotheekakte van 11 augustus 2008;
2. [eisers] hoofdelijk zal veroordelen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten, alsmede de wettelijke rente daarover, voor zover deze kosten niet zijn voldaan binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, en tot betaling van de nakosten van € 205, -, te verhogen met € 68, - als de proceskosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis zijn voldaan en betekening daarvan plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
6. Het verweer in reconventie
[eisers] hebben de vordering gemotiveerd bestreden. Op dat verweer gaat de rechtbank hierna, waar nodig, in.
7. De beoordeling
in conventie
7.1.
“Voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake krediet wint een aanbieder van krediet in het belang van de consument informatie in over diens financiële positie en beoordeelt hij, ter voorkoming van overkreditering van de consument, of het aangaan van de overeenkomst verantwoord is.
De aanbieder gaat geen overeenkomst inzake krediet aan met een consument indien dit, met het oog op overkreditering van de consument, onverantwoord is.”
7.2.
Deze publiekrechtelijke norm werkt door in het civiele recht. De reikwijdte van de zorgplicht van de bank hangt af van de aard van de overeenkomst en van de overige omstandigheden van het geval (HR 9 januari 1998, NJ 1999/285 en HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1107). Tot die omstandigheden behoren de complexiteit van het financiële product, de kennis en ervaring van de cliënt en diens financiële positie.
Wat dat laatste betreft: zie ook Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. !9:
“Naast de verplichting tot het verstrekken van informatie zoals vastgelegd in artikel 4:20 heeft de aanbieder waar het krediet betreft ook een verplichting tot het inwinnen van informatie en het aan de hand van die informatie beoordelen of de kredietverlening verantwoord is voor de consument in verband met het risico van overkreditering. Deze verplichting wordt overgenomen uit artikel 51 van de Wfd en zal in lagere regelgeving worden uitgewerkt. In bepaalde gevallen zal de verplichting er toe leiden dat voorafgaande aan het sluiten van een overeenkomst inzake krediet de databank van een stelsel van kredietregistratie moet worden geraadpleegd. In de toelichting op artikel 51 van de Wfd is aangegeven dat de aanbieder van krediet om tot een goede beoordeling van de financiële positie van de consument te komen, inzicht moet hebben in zowel de inkomsten, bijvoorbeeld de bron en hoogte van de inkomsten van de consument of relevante derden, als bepaalde vaste uitgaven van de consument, zoals de huur dan wel de hypotheeklasten, alimentatie en ziektekostenverzekering. Een zwakke of onzekere positie, bijvoorbeeld van jongeren met een laag inkomen, zal er eerder toe leiden dat het aangaan van een overeenkomst inzake krediet onverantwoord is in het kader van het voorkomen van overkreditering van de betrokken consument.”
7.3.
Quion voert aan dat zij de hypothecaire geldlening destijds heeft mogen verstrekken op basis van het door [eisers] in de Eigen Verklaring opgegeven inkomen.
Zij heeft na acceptatie door hen van de offerte een controle uitgevoerd op het in de Eigen Verklaring opgegeven inkomen. Die controle is telefonisch gedaan door senior hypotheekacceptant [persoon] . Zij kwam in het telefoongesprek met de heer
[eiser 1] tot een positieve indruk van hem. Quion heeft ook een toets gedaan op vermelding bij het BKR, op van toepassing zijn van de WSNP en op fraude, aldus Quion.
7.4.
De rechtbank stelt vast dat het in dit geval ging om een financieel product dat niet complex van aard was: een geldlening met hypotheekverstrekking en een vaste maandelijkse rente-/premieverplichting, dat voor [eisers] , en zeker voor
[eiser 1] , die managementfuncties (heeft) bekleed(t), goed te begrijpen moet zijn geweest. Dat het ging om twee leningdelen (zie 2.4) en een aanzienlijke hoeveelheid tekst doet daaraan niet af. Bovendien geschiedde de aanvraag met bemiddeling van Assurantie- en Adviesburo K&R. De door Quion overgelegde verklaring van K&R, die erop neerkomt dat [eiser 1] precies wist wat hij wilde, zodat van daadwerkelijke advisering geen sprake was, doet er niet aan af dat Quion uit mocht gaan van de betrokkenheid van K&R.
De precontractuele zorgplicht van Quion bestond er daarom in dat zij jegens [eisers] gehouden was hen niet alleen voldoende informatie te geven over de aard en omvang van de te verstrekken hypothecaire geldleningen en de daaraan verbonden risico’s om hen in staat te stellen een verantwoorde keuze te maken, maar ook om hun financiële positie zorgvuldig te onderzoeken om te voorkomen dat zij hogere financiële lasten op zich zouden nemen dan gelet op hun draagkracht verantwoord zou zijn.
Wat dat laatste betreft is van belang wat Quion heeft aangevoerd over de aard van het product. Het ging volgens Quion om een product dat is ontwikkeld voor ondernemers die een minder stabiel of moeilijk aantoonbaar inkomen hadden. De rente was 9,05%, 3% hoger dan de rente die toen gebruikelijk was, mede in verband met de hoogte van de lening in verhouding tot de executiewaarde van de woning. Dat was zo vanwege het feit dat
[eisers] behoorden tot een hogere risicoklasse, aldus Quion.
Die wetenschap bracht met zich dat de zorgplicht van Quion verder ging dan het onderzoek dat zij heeft uitgevoerd. Ook als De Graeve daadwerkelijk het telefoongesprek met
[eiser 1] heeft gevoerd zoals zij dat stelt is daarin immers nauwelijks relevante informatie verzameld; kennelijk is de omstandigheid dat [eiser 1] geld nodig had voor zijn onderneming en daarom zijn hypotheek wilde oversluiten niet eens aan de orde geweest. Daarbij komt dat, behoudens de niet weersproken fraude- en BKR-toets, alle informatie over hun financiële positie waarover Quion beschikte uitsluitend afkomstig was van [eisers] , respectievelijk [eiser 1] zelf. Quion had, ook naar de destijds geldende maatstaven en gelet op het in artikel 6.2 van de gedragscode bepaalde, rekening moeten houden met de mogelijkheid dat [eisers] , die bij het “oversluiten” en de verhoging van de lening een rente aanvaardden die circa 3% hoger lag dan op dat moment gangbaar was, lichtvaardig en te optimistisch opgave deden van inkomsten, waarbij op dat moment van een deugdelijk fundament niet bleek, en had grondiger onderzoek kunnen en moeten doen. Zij had daarbij tenminste de jaarstukken van de afgelopen jaren kunnen opvragen, nu uit het handelsregister kenbaar was dat [eiser 1] al sinds 2004 een eigen onderneming dreef. Het feit dat in de Eigen Verklaring werd gewaarschuwd voor overschatting van het inkomen ontsloeg haar daarvan niet.
Zij heeft dat niet gedaan. Daarmee heeft zij niet voldaan aan de zorgplicht die op haar rustte.
7.5.
Het enkele niet nakomen van de verplichting een inkomenstoets uit te voeren, is onvoldoende voor vestiging van aansprakelijkheid.
Of er sprake is van aansprakelijkheid voor schade die [eisers] stellen te hebben geleden en lijden hangt af van het antwoord op de vraag of er sprake is geweest van overkreditering. Het onderzoek dat Quion moest verrichten naar de inkomenspositie van [eisers] is immers geen zelfstandige verplichting, maar een middel om eventuele overkreditering te kunnen vaststellen (HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1107).
De rechtbank kan op basis van de thans voorhanden en door Quion betwiste financiële gegevens van [eisers] niet vaststellen of er sprake is geweest van overkreditering.
Wel blijkt daaruit dat een overkreditering nooit meer kan hebben bedragen dan het verschil tussen de door Quion verstrekte lening van € 540.000,- en de al bestaande hypothecaire lening van € 468.951,60, een bedrag van € 71.048,40.
Om te kunnen vaststellen of er sprake was van overkreditering en zo ja, in welke mate, zal de rechtbank [eisers] in de gelegenheid stellen om de voor een hernieuwde beoordeling van hun kredietwaardigheid in 2008 vereiste financiële gegevens in het geding te brengen, waaronder in elk geval de aanslagen inkomstenbelasting over 2004-2007 en de jaarcijfers van de de besloten vennootschappen Top Management Drunen BV en [eiser 1] Stamrecht BV over de jaren 2004 tot en met 2007.
Quion zal daarop kunnen reageren door (met berekeningen onderbouwd) inzichtelijk te maken of zij, met toepassing van haar eigen acceptatienormen en de gedragscode van destijds de aanvraag zou hebben geaccepteerd en zo ja, tot welk bedrag. Zo nodig zal de rechtbank daarna een deskundige benoemen.
7.6.
Zou komen vast staan dat er sprake is geweest van overkreditering, dan vormt de door
[eisers] betaalde rente over het bewuste bedrag schade en is er sprake van onrechtmatig handelen van Quion jegens [eisers]
Wat die eventuele schade betreft is dan aan de orde het beroep van Quion op eigen schuld van [eisers]
hebben in de Eigen Verklaring onjuiste informatie verstrekt door niet te vermelden dat [eiser 1] een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving. De eventuele schade is mede het gevolg van die onjuiste opgave, die aan hen kan worden toegerekend.
Zij kunnen zich niet met succes beroepen op een verplichting van Quion om na te gaan of zij de Eigen Verklaring wel goed hadden begrepen en of zij de gegevens wel goed hadden ingevuld. De Eigen Verklaring is een zeer overzichtelijk formulier, dat één A4 beslaat. Voor het opgeven van een uitkering is ruimte op dat formulier (bij “soort inkomen”, en bij “overig”), die onbenut is gebleven. De tekst daarvan geeft geen enkel aanknopingspunt voor de gedachte dat de daar in te vullen inkomensgegevens ook de verwachte/geprognosticeerde gegevens mogen zijn en [eiser 1] heeft dat op het formulier ook niet vermeld. De rechtbank acht hen verantwoordelijk voor het verstrekken van de onjuiste informatie. Quion mocht hen daaraan ook houden.
De eventuele schade zal de rechtbank in dat geval met toepassing van artikel 6:101 BW over
[eisers] en Quion verdelen, waarbij de vergoedingsplicht voor Quion wordt verminderd met 75%.
7.7.
Nu Quion zich bereid heeft verklaard de rente over de periode van 1 december 2015 tot en met 30 november 2018 op 3% per jaar te stellen is voor de omvang van de door
[eisers] gestelde schade nog in geschil de betaalde rente over het bedrag van een eventuele overkreditering over de periode van 11 augustus 2008 tot en met 30 november 2012, 1 december 2012 tot en met 30 november 2015 en de te betalen rente vanaf
1 december 2018.
in reconventie
7.8.
In afwachting van de nadere gegevens in conventie kan de rechtbank nog niet oordelen over de reconventionele vordering, omdat die gegevens ook voor die vordering relevant zouden kunnen zijn In elk geval zal bij de beoordeling betrokken worden het huidige standpunt van Q, dat de boetes niet verschuldigd zijn en dat de rente over de periode van
1 december 2015 tot 1 december 2018 op 3% kan worden gesteld.
7.9.
In conventie en in reconventie zal iedere (verdere) beslissing worden aangehouden.
8. De beslissing
De rechtbank
in conventie
verwijst de zaak naar de rol van 17 oktober 2018 voor het nemen van een nadere conclusie door [eisers] als bedoeld onder 7.5;
bepaalt dat Quion daarop kan antwoorden als bedoeld onder 7.5;
houdt iedere verdere beslissing aan;
in reconventie
houdt iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2018.
2632