HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1744, NJ 2022/33, m.nt. W.H. Vellinga.
HR, 17-03-2026, nr. 23/03376
ECLI:NL:HR:2026:381
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-03-2026
- Zaaknummer
23/03376
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:381, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑03‑2026; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:1874
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:37
ECLI:NL:PHR:2026:37, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 06‑01‑2026
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:381
- Vindplaatsen
Uitspraak 17‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit internetoplichting. Niet-ontvankelijkverklaring van OvJ in ontnemingsvordering wegens vrijspraak in strafzaak in eerste aanleg. 1. Wijze waarop hof de omvang van ontnemingsmaatregel heeft bepaald. Had hof de vorderingen van benadeelde partijen en mogelijk verbeurd te verklaren gelden in mindering moeten brengen op te ontnemen bedrag? 2. Motivering schatting w.v.v. 3. Verzuim verkorte uitspraak tijdig aan te vullen met bewijsmiddelen, art. 365a.3 Sv. 4. Onderbreking van onderzoek ttz. met als doel om uitspraak later te laten plaatsvinden en ondertekening van p-v’s van tz. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/02361 (strafzaak). CAG gaat in op ontvankelijkheid van cassatieberoep (cassatieakte is opgemaakt buiten termijn voor instellen van cassatieberoep).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03376 P
Datum 17 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 juni 2023, nummer 20-000860-20, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat F. van Baarlen bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nummer 23/02361, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. (Vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3575.)
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026.
Conclusie 06‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Profijtontneming. Falend middel over de bepaling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel i.h.b. over het niet in mindering brengen van de in de strafzaak toegekende vorderingen van de benadeelde partijen en van voor verbeurdverklaring vatbare voorwerpen. Middel bevat tevens een klacht over oordeel dat geen aanleiding bestaat aan overschrijding van redelijke termijn in de ontnemingszaak rechtsgevolg te verbinden. Daarnaast falend middel over de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Tot slot falende middelen over de consequentie van het niet tijdig aanvullen van het arrest met bewijsmiddelen en het onderbreken van de zitting om later uitspraak te doen. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 23/02361.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03376 P
Zitting 6 januari 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,
hierna: de betrokkene.
1. Inleiding
1.1
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 7 juni 2023 (parketnummer 20-000860-20) de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 158.433,64 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De maximale duur van de gijzeling is daarbij bepaald op 1080 dagen.
1.2
Er bestaat samenhang met de strafzaak tegen de betrokkene (23/02361). In die zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is volgens de daarvan opgemaakte akte op 24 augustus 2023 ingesteld door een door de betrokkene daartoe gemachtigd medewerker van de strafgriffie. F. van Baarlen, advocaat in Eindhoven, heeft bij schriftuur van 13 augustus 2024 vier middelen van cassatie voorgesteld. Bij aanvullende schriftuur van 15 oktober 2024 is het eerste middel ingetrokken en vervangen. Het eerste middel is nu gericht tegen de wijze waarop het hof de omvang van de ontnemingsmaatregel heeft bepaald. In het tweede middel wordt geklaagd over de motivering van de bewezenverklaring en over het niet responderen op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. In het derde middel wordt geklaagd over de niet tijdig opgestelde aanvulling op het verkorte arrest en in het vierde middel dat zowel de rechtbank als het hof zittingen hebben onderbroken in plaats van geschorst.
1.4
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep
2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1
In het cassatiedossier bevindt zich – als gezegd – een cassatieakte die op 24 augustus 2023 is opgemaakt. De cassatieakte is daarmee opgemaakt buiten de termijn voor het instellen van beroep in cassatie, welke termijn in dit geval 14 dagen bedraagt.
2.2
Aan de cassatieakte is een door de betrokkene ondertekende brief gehecht van 19 juni 2023, in welke brief hij de griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch verzoekt om cassatie in te stellen ”aangaande het arrest (2x) van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch dd. 6 juni 2023”.
2.3
In de met deze zaak samenhangende strafzaak is door de griffie gevolg gegeven aan het verzoek en is op 19 juni 2023 een cassatieakte opgemaakt. Gelet op het vorenstaande meen ik dat de griffie ten onrechte niet ook tegelijkertijd een cassatieakte heeft opgemaakt in de onderhavige ontnemingszaak. Uit de brief van de betrokkene blijkt immers onmiskenbaar dat hij ook tegen het ontnemingsarrest beroep in cassatie heeft willen instellen. Daaraan doet niet af dat de verdachte in zijn brief abusievelijk 6 juni 2023 heeft opgegeven als de datum waarop het ontnemingsarrest is gewezen. In de strafzaak was dat voor de griffie kennelijk geen probleem. Niet valt in te zien waarom dat in de ontnemingszaak anders zou zijn geweest.
2.4
De betrokkene kan derhalve in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
3. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
3.1
Met het oog op de bespreking van de eerste twee middelen geef ik allereerst weer wat het hof in het ontnemingsarrest onder het kopje “De schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel” heeft overwogen:
“De veroordeling
De betrokkene is bij arrest van dit hof van heden (parketnummer 20-000859-20) veroordeeld ter zake van onder meer – kort weergegeven – oplichting, tot straf.
De wettelijke grondslag
Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de betrokkene door middel van het begaan van het in voornoemd arrest bewezenverklaarde en door middel van andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn gegaan, een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten.
De schatting van het voordeel
Het hof overweegt als volgt:
- de betrokkene heeft zich schuldig gemaakt aan – eenvoudig gezegd – internetoplichting;
- de gedupeerde kopers hebben geldbedragen overgemaakt op bankrekeningen van door de betrokkene opgerichte rechtspersonen, waarvan hij – middellijk – enig aandeelhouder en bestuurder was;
- de betrokkene was de enige gemachtigde tot die bankrekeningen;
- door middel van het begaan van de in voornoemd arrest bewezenverklaarde oplichtingen heeft de betrokkene derhalve een voordeel genoten gelijk aan de door de gedupeerde kopers overgemaakte geldbedragen;
- nu de rechtspersonen in kwestie geen “zakelijke” activiteiten hebben ontplooid die de andere bijschrijvingen op de bankrekeningen van de rechtspersonen in kwestie kunnen verklaren, zijn er naar het oordeel van het hof voldoende aanwijzingen dat alle bijschrijvingen op voornoemde bankrekeningen afkomstig zijn van andere strafbare feiten die door de betrokkene zijn begaan.
Het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt dan ook geschat op het totaal van de bijschrijvingen op de bankrekeningen, te weten een bedrag van 158.433,64 euro.”
3.2
Onder het kopje ”Op te leggen betalingsverplichting” heeft het hof overwogen:
“Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Benadeelde partijen
Voor zover de advocaat-generaal heeft gevorderd dat de in de onderliggende strafzaak toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen in mindering dienen te worden gebracht op het vast te stellen wederrechtelijk verkregen voordeel, stelt het hof het navolgende vast.
Ten tijde van het bewezenverklaarde bepaalde artikel 36e, negende lid, Wetboek van Strafrecht het volgende:
Bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, worden aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen alsmede de verplichting tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer als bedoeld in artikel 36f voor zover die zijn voldaan, in mindering gebracht.
Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen dat deels gelijk is aan de omvang van de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen. Het hof komt echter tot een andere gevolgtrekking als de advocaat-generaal.
Artikel 36e negende lid, Wetboek van Strafrecht, bepaalt immers dat aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen almede schadevergoedingsmaatregelen overeenkomstig artikel 36f, enkel in mindering kunnen worden gebracht wanneer deze (al dan niet gedeeltelijk) zijn voldaan. In onderhavige zaak is geenszins gebleken van enige betaling aan de benadeelde partijen.
Verbeurdverklaring
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de waarde van de inbeslaggenomen geldbedragen ter hoogte van € 11.061,116 die mogelijk in de onderliggende strafzaak zouden worden verbeurdverklaard, in mindering dienen te worden gebracht op de op te leggen betalingsverplichting.
Het hof stelt het navolgende voorop:
Door verbeurdverklaring van voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit, kan worden bereikt dat aan een betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen. Wordt in zo een geval tevens de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegd, dan dient, in verband met het reparatoire karakter van die maatregel, de waarde van de onder de betrokkene inbeslaggenomen en in zijn strafzaak verbeurdverklaarde voorwerpen in mindering te worden gebracht op de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting, met dien verstande dat de geldelijke waarde van die voorwerpen het vastgestelde bedrag dat een betrokkene in verband met het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat moet betalen niet kan overstijgen.
In het licht van deze vooropstelling stelt het hof vast dat in de onderliggende strafzaak niet is gebleken van inbeslaggenomen geldbedragen die zijn verbeurdverklaard.
Voor zover er sprake is van inbeslaggenomen geldbedragen waarop conservatoir beslag rust, zal dit in de executiefase worden verrekend, waarbij wordt opgemerkt dat indien in de executiefase bedragen ten goede van de betalingsverplichting komen, deze eerst in mindering worden gebracht op de omvang van de schadevergoedingsmaatregel. De inning van een ontnemingsmaatregel mag immers overeenkomstig de wetsgeschiedenis van artikel 36e achtste lid, Sr niet ten koste gaan van een schadevergoedingsmaatregel. Van deswege zal overeenkomstig de wetsgeschiedenis aan de inning van een schadevergoedingsmaatregel voorrang worden verleend.
Redelijke termijn
Voor zover er in deze ontnemingszaak sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM zal het hof daaraan geen verdere consequenties verbinden nu deze schending in de onderliggende strafzaak met parketnummer 20-000860-20 [A-G: ik begrijp 20-000859-20], waarin het hof heden eveneens arrest heeft gewezen, reeds bij de strafoplegging in matigende zin is betrokken.
Resumé
Het vorenstaande impliceert dat het hof aan betrokkene een betalingsverplichting zal opleggen die gelijk is aan het wederrechtelijk verkregen voordeel, te weten 158.433,64 euro.”
3.3
Met het oog op de bespreking van het derde middel geef ik hier ook weer hoe de door het hof op 22 mei 2024 opgestelde aanvulling bewijsmiddelen luidt:
“Het hof ontleent aan de inhoud van het navolgende bewijsmiddel, gelezen in samenhang met de bewijsmiddelen als opgenomen in het strafarrest met parketnummer 20-000859-20 met de daarbij behorende aanvulling bewijsmiddelen, het bewijs dat de veroordeelde het vastgestelde voordeel heeft genoten.
1. Het relaasproces-verbaal d.d. 16 januari 2019 (pg. 1-23), voor zover inhoudende als relaas [van] verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
(dossierpagina 19)
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Uit het verrichte onderzoek komt naar voren dat [betrokkene] door gebruik te maken van de rechtspersonen [A] B.V., [B] B.V. en [C] B.V. in de periode 4 augustus 2017 - 17 oktober 2017 een wederrechtelijk verkregen voordeel heeft behaald van vermoedelijk € 158.433,64. Dit heeft hij verkregen door aangevers en vermoedelijke benadeelden/slachtoffers geld over te laten maken op verschillende bankrekeningen van voornoemde rechtspersonen van [betrokkene] , eventueel middels tussenkomst van een bankrekening van Mollie Payments, en de aangevers en vermoedelijke benadeelden/slachtoffers de door hen bestelde goederen niet te leveren.”
4. Het eerste middel
4.1
Het eerste middel is gericht tegen de wijze waarop het hof de hoogte van de ontnemingsmaatregel heeft bepaald. Geklaagd wordt dat het hof ten onrechte de (toegewezen) vorderingen van de benadeelde partijen en de mogelijk verbeurd te verklaren gelden niet in mindering heeft gebracht op het te ontnemen bedrag, althans de beslissingen om dat niet te doen ontoereikend heeft gemotiveerd. Tevens wordt geklaagd dat het oordeel van het hof om in verband met de schending van de redelijke termijn geen matiging toe te passen in de ontnemingszaak vanwege de schending van de redelijke termijn, omdat dit reeds in de strafzaak is gebeurd, onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
Vorderingen van de benadeelde partijen
4.2
Op grond van artikel 36e lid 9 Sr wordt bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, de aan een benadeelde derde in rechte toegekende vordering alsmede de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ten behoeve van het slachtoffer als bedoeld in art. 36f Sr voor zover die zijn voldaan, in mindering gebracht.1.
4.3
Uit de hiervoor onder randnr. 3.2 geciteerde passage uit het arrest van het hof blijkt dat het hof in verband met de vorderingen van de benadeelde partijen expliciet heeft verwezen naar art. 36e Sr en heeft overwogen dat op grond van deze bepaling in rechte toegekende vorderingen en schadevergoedingsmaatregelen “enkel in mindering kunnen worden gebracht wanneer deze (al dan niet gedeeltelijk) zijn voldaan”.
4.4
Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat in onderhavige zaak geenszins is gebleken van enige betaling aan de benadeelde partijen en heeft op basis daarvan geoordeeld dat de in de strafzaak toegekende vorderingen en schadevergoedingsmaatregelen niet in mindering behoeven te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting. Dat oordeel acht ik, verweven als het is met de feiten, niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof – bij afwezigheid van enig concreet verweer hierover – ook niet gehouden.
4.5
Ik voeg daaraan toe dat de omstandigheid dat het hof wel rekening mág houden met de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen, niet met zich brengt dat zijn oordeel om dat in het onderhavige geval niet te doen, onbegrijpelijk is of ontoereikend is gemotiveerd.
De verbeurdverklaring
4.6
Door verbeurdverklaring van voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit, kan worden bereikt dat aan een veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen. Wordt in zo’n geval ook de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegd, dan dient, in verband met het reparatoire karakter van die maatregel, de waarde van het onder de betrokkene inbeslaggenomen en in zijn strafzaak verbeurdverklaarde voorwerp in mindering te worden gebracht op de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting.2.Ook als de hiervoor bedoelde verbeurdverklaring ten tijde van de uitspraak van de ontnemingsrechter nog niet onherroepelijk is, kan de ontnemingsrechter de waarde van de verbeurdverklaarde voorwerpen in mindering brengen op de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting. Ook hier geldt dat de ontnemingsrechter hier niet toe is verplicht.3.
4.7
Het hof heeft met betrekking tot de beweerdelijke verbeurdverklaarde voorwerpen simpelweg overwogen dat in de onderliggende strafzaak niet is gebleken van inbeslaggenomen geldbedragen die zijn verbeurdverklaard. Het hof heeft daarnaast nog overwogen dat voor zover er sprake is van inbeslaggenomen geldbedragen waarop conservatoir beslag rust, dit in de executiefase zal worden verrekend.
4.8
Een blik op het arrest in de strafzaak leert dat er geen voorwerpen verbeurd zijn verklaard. Het oordeel van het hof is reeds om die reden niet onbegrijpelijk. Dat een verbeurdverklaring wel tot de mogelijkheden heeft behoord, doet aan de begrijpelijkheid van dat oordeel niet af.
De redelijke termijn
4.9
In het bekende overzichtsarrest dat de Hoge Raad in 2008 heeft gewezen over de redelijke termijn heeft hij onder meer overwogen:
“3.6.1. De vermindering van de straf onderscheidenlijk het ontnemingsbedrag is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Daarbij hanteert de Hoge Raad de volgende uitgangspunten.
(…)
3.6.3.
In ontnemingszaken:
(…)
B. In bijzondere gevallen volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM, bijvoorbeeld indien in de (nagenoeg) gelijktijdig behandelde strafzaak strafvermindering wordt toegepast op grond van overschrijding van de redelijke termijn.”4.
4.10
In de aan de onderhavige ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak heeft het hof geconstateerd dat in de fase van het hoger beroep de redelijke termijn met “ongeveer 1 jaar en 3 maanden” is overschreden. Het hof ziet in die overschrijding aanleiding om een lagere straf op te leggen dan het zou hebben gedaan zonder die termijnoverschrijding. In plaats van een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk legt het hof in verband met de overschrijding van de redelijke termijn een gevangenisstraf op voor de duur van 20 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk.
4.11
Het oordeel van het hof dat in de ontnemingszaak geen aanleiding bestaat enig rechtsgevolg te verbinden aan de overschrijding van de redelijke termijn vanwege de strafvermindering in de gelijktijdig behandelde strafzaak tegen de betrokkene, acht ik gelet op de hoogte van de toegekende strafvermindering niet onbegrijpelijk. Dat oordeel behoefde ook geen nadere motivering en getuigt in het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad evenmin van een onjuiste rechtsopvatting.5.
4.12
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
5. Het tweede middel
5.1
In het tweede middel wordt geklaagd dat het hof “met toepassing van een onjuiste maatstaf of nalaten van toepassing van een juiste maatstaf tot bewezenverklaring is gekomen, althans met onbegrijpelijke motivering althans onvoldoende gemotiveerd tot bewezenverklaring is gekomen, althans heeft nagelaten te responderen op door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunten”.
5.2
Ik begrijp het middel zo dat is beoogd te klagen over de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en niet over ‘de bewezenverklaring’. De in de strafzaak uitgesproken bewezenverklaring staat in de ontnemingszaak immers niet ter discussie.
5.3
Zoals uit het in randnr. 3.1 opgenomen citaat uit het ontnemingsarrest van het hof blijkt, heeft het hof zijn ontnemingsbeslissing onder meer gebaseerd op de in de strafzaak bewezenverklaarde oplichtingen. In verband met de wettelijke grondslag voor zijn ontnemingsbeslissing heeft het hof overwogen dat het aan de inhoud van de (in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen) bewijsmiddelen het oordeel ontleent, “dat de betrokkene door middel van het begaan van het in voornoemd arrest bewezenverklaarde en door middel van andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn gegaan [cursivering A-G], een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten”.
5.4
Met vorenstaande overweging heeft het hof er expliciet blijk van gegeven art. 36e lid 2 Sr als wettelijke grondslag te hebben gehanteerd. Vervolgens heeft het hof met betrekking tot de schatting van het wederrechtelijk verkregen vastgesteld dat:
i. de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan internetoplichting;
ii. de gedupeerde kopers geldbedragen hebben overgemaakt op bankrekeningen van door de betrokkene opgerichte rechtspersonen, waarvan hij – middellijk – enig aandeelhouder en bestuurder was en
iii. de betrokkene de enige gemachtigde was tot die bankrekeningen.
5.5
Op basis van die vaststellingen heeft het hof geoordeeld dat de betrokkene door middel van het begaan van de oplichtingen een voordeel heeft genoten gelijk aan de door de gedupeerde kopers overgemaakte geldbedragen. Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat nu de rechtspersonen in kwestie (A-G: waarvan de verdachte oprichter, aandeelhouder en bestuurder was) geen “zakelijke” activiteiten hebben ontplooid die de andere bijschrijvingen op de bankrekeningen van de rechtspersonen kunnen verklaren, er voldoende aanwijzingen zijn dat alle bijschrijvingen op voornoemde bankrekeningen afkomstig zijn van (A-G: de bewezenverklaarde feiten en) andere strafbare feiten die door de betrokkene zijn begaan.
5.6
Vervolgens heeft het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 158.433,64. Die schatting is gebaseerd op het totaal van bijschrijvingen op de door het hof aangeduide bankrekeningen. Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel dat de verdachte wederrechtelijk voordeel heeft genoten van € 158.433,64 acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ik zie – zonder nadere onderbouwing van de klacht – niet in dat en waarom dit anders zou zijn.
5.7
Voor zover door de steller van het middel wordt geklaagd dat het hof één bewijsmiddel heeft gebruikt en dit bewijsmiddel zelfstandig nimmer tot het oordeel kan leiden dat het door het hof vastgestelde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel is genoten, meen ik dat de klacht berust op een verkeerde lezing van het arrest. Het hof heeft in het arrest met de aanvulling bewijsmiddelen immers overwogen dat het daarin opgenomen bewijsmiddel moet worden gelezen “in samenhang met de bewijsmiddelen als opgenomen in het strafarrest” (zie hiervoor onder randnr. 3.3). Van één bewijsmiddel is derhalve geen sprake.6.
5.8
De klacht dat het hof had moeten responderen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de verdachte geen voordeel heeft genoten ‘onder meer’ nu hij niet over de bankrekeningen heeft kunnen beschikken, miskent dat de ontnemingsrechter (enkel) een zelfstandig oordeel toekomt met betrekking tot verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat en dat hij voor het overige – in beginsel – is gebonden aan de feitelijke vaststellingen van de strafrechter. Gelet hierop behoefde het hof in de ontnemingszaak niet te responderen op het verweer van de verdediging over de vraag wie over de bankrekeningen kon beschikken. In de strafzaak heeft het hof over het antwoord op die vraag geen twijfel laten bestaan: dat was de betrokkene.7.Het vorenstaande geldt eveneens voor de klacht over het ontbreken van responsie op het betrouwbaarheidsverweer met betrekking tot de [getuige] .8.Op die klacht is eveneens in de strafzaak gerespondeerd.
5.9
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
6. Het derde middel
6.1
In het derde middel wordt geklaagd dat het hof verzuimd heeft het arrest tijdig aan te vullen met bewijsmiddelen, waardoor het arrest nietig is.
6.2
6.3
Op 7 juni 2023 heeft het hof zijn arrest gewezen, waartegen op 19 juni 2023 beroep in cassatie is ingesteld. De aanvulling bewijsmiddelen is getekend op 22 mei 2024. Dit betekent dat het hof zijn arrest niet tijdig, te weten binnen vier maanden na het instellen van beroep in cassatie, met bewijsmiddelen heeft aangevuld.
6.4
Anders dan de steller van het middel meent, wordt het tardief aanvullen van het arrest met bewijsmiddelen door de wet niet bedreigd met nietigheid. In de zaak waar de steller van het middel op wijst (HR 24 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2980, NJ 2006/433, m.nt. P.A.M. Mevis) had het hof zijn verkorte arrest in het geheel niet aangevuld. Het middel berust op een onjuiste rechtsopvatting.
6.5
Het niet tijdig aanvullen van een verkort arrest kan wel gepaard gaan met een te late inzending van de stukken in cassatie. Een dergelijke overschrijding van de redelijke termijn kan leiden tot strafvermindering. Aangezien over die overschrijding in de cassatieschriftuur niet is geklaagd, behoeft daaraan door de Hoge Raad geen rechtsgevolg te worden verbonden.
6.6
Het middel faalt.
7. Het vierde middel
7.1
In het vierde middel wordt geklaagd dat de rechtbank “vormen heeft verzuimd of niet in acht heeft genomen” door op 3 februari 2020 het onderzoek ter terechtzitting te onderbreken en niet te schorsen en daarmee heeft verzuimd het proces-verbaal van die datum in de ontnemingszaak te ondertekenen en/of binnen de in de wet gestelde termijn vast te stellen en te ondertekenen. Verder wordt geklaagd dat het hof vormen heeft verzuim of niet in acht heeft genomen door de zittingen van 23 augustus 2022 en 10 mei 2023 niet te schorsen maar te onderbreken en daarmee heeft verzuimd het proces-verbaal van 10 mei 2023 tijdig vast te stellen en te ondertekenen.
7.2
Het middel berust allereerst op de veronderstelling dat het de rechtbank noch het hof vrij stond om het onderzoek ter terechtzitting te onderbreken met als doel om de uitspraak later te laten plaatsvinden. Die veronderstelling vindt geen steun in het recht. De wet verzet zich niet tegen deze (bestendige) praktijk, die door de Hoge Raad is geaccordeerd.9.
7.3
Voor zover in het middel wordt geklaagd dat ondertekening van het proces-verbaal buiten de wettelijke termijn van tweemaal 24 uren leidt tot nietigheid daarvan, vindt die klacht evenmin steun in het recht. Het arrest waarop door de steller van het middel wordt gewezen (HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:937) betreft – anders dan hier aan de orde – het geval waarin het proces-verbaal in het geheel niet is ondertekend.
7.4
Het middel berust verder op de veronderstelling dat de processen-verbaal van 3 februari 2020, 23 augustus 2022 en 10 mei 2023 niet zijn ondertekend. Dat is echter niet juist. Daargelaten de vraag of over het door de steller van het middel genoemde ‘verzuim’ van de rechtbank in cassatie kan worden geklaagd gaat de stiller van het middel eraan voorbij dat het (combi-)proces-verbaal is ondertekend door de voorzitters die de zaak op de respectievelijke zittingsdagen hebben voorgezeten. De klacht mist dan ook feitelijke grondslag.
7.5
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
8. Slotsom
8.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO gebaseerde overweging.
8.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen meer dan twee jaren na het instellen van het cassatieberoep op 19 juni 2023. Daarom is de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden. Dat behoeft in de onderhavige zaak evenwel niet tot strafvermindering te leiden, aangezien de Hoge Raad met de overschrijding van de redelijke termijn in de samenhangende strafzaak rekening kan worden gehouden.10.Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
8.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 06‑01‑2026
HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:874, NJ 2016/283, m.nt. J.M. Reijntjes.
HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:808, NJ 2022/21.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis.
Ik verwijs in dit verband in het bijzonder ook naar HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, NJ 2024/133, rov. 3.1.4.
In dit verband wijs ik ook op HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:288, NJ 2025/208, m.nt. J.M. ten Voorde.
Ik verwijs daarvoor naar de samenhangende strafzaak. Vgl. in dit verband ook HR 8 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1501, NJ 1999, 589.
HR 20 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN7262, NJ 2004/240, m.nt. P.A.M. Mevis.
Vgl bijvoorbeeld HR 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0011, NJ 2010/626, rov. 2.4; HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4660, NJ 2011/184, rov. 2.3. Zie ook HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:765 (art. 81 RO) en HR 11 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:730 (art. 81 RO).
HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, NJ 2024/133, rov. 3.1.4.