HR, 03-02-2026, nr. 24/04318
ECLI:NL:HR:2026:165
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-02-2026
- Zaaknummer
24/04318
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:165, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑02‑2026; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1370
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2024:3795
ECLI:NL:PHR:2025:1370, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑12‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:165
- Vindplaatsen
Uitspraak 03‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Gewoontewitwassen van geldbedragen (in totaal € 443.230), art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr. Bewijsklacht. Heeft hof verzuimd voldoende nauwkeurig bewijsmiddelen aan te duiden waaraan is ontleend dat verdachte de huurovereenkomsten valselijk heeft opgemaakt om te verhullen dat sprake was van niet legale geldstroom en dus van enig misdrijf afkomstige gelden? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/03602 en 24/04317 P.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/04318
Datum 3 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 november 2024, nummer 20-002333-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] (voorheen genaamd: [vroegere naam verdachte] ),
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat S.F.W. van 't Hullenaar bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2026.
Conclusie 16‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Gewoontewitwassen (art. 420ter Sr). Middel over ontbreken voldoende nauwkeurige aanwijzing bewijsmiddelen faalt. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (81.1 RO). Samenhang met 23/03602 en 24/04317 P.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04318
Zitting 16 december 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 21 november 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-002333-23) wegens 3 primair “van het plegen van witwassen een gewoonte maken", veroordeeld tot veertien maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.1.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 23/03602 en 24/04317 P. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld2.namens de verdachte en S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat in Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het procesverloop
2.1
De verdachte is (onder de naam [vroegere naam verdachte] ) bij vonnis van 23 januari 2020, gewezen onder parketnummer 03-720585-17, door de rechtbank Limburg veroordeeld wegens een zestal feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest. Het door de verdachte tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep is in eerste instantie door het hof behandeld onder parketnummer 20-000365-20. Op de terechtzitting van 22 augustus 2023 heeft het hof in die zaak de splitsing bevolen van het onder feit 3 tenlastegelegde gewoontewitwassen en bepaald dat het hof te zijner tijd afzonderlijk uitspraak zal doen in de afgesplitste zaak, die vervolgens is geregistreerd onder parketnummer 20-002333-23. Dit betreft de onderhavige zaak.
2.2
Het hof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 5 september 2023 de verdachte in de zaak met parketnummer 20-000365-20 wegens 1. "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel", 2. “diefstal”, 4 primair “valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, 5. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie” en 6. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot zestien maanden gevangenisstraf. Tegen dit arrest is het cassatieberoep ingesteld met het genoemde nummer 23/03602.
2.3
De rechtbank Limburg heeft daarnaast bij uitspraak van 23 januari 2020 aan de verdachte de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 720.000,00. Tegen deze uitspraak is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 21 november 2024 de uitspraak van de rechtbank Limburg vernietigd en aan de verdachte de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 393.292,00. Tegen dit arrest is het cassatieberoep ingesteld met het genoemde nummer 24/04137 P.
3. Het middel
3.1
Het middel komt op tegen het onder 3 primair bewezenverklaarde gewoontewitwassen.
3.2
Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 3 primair bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 1 augustus 2017, in de [plaats] en/of elders in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, voorwerpen, te weten grote geldbedragen van in totaal (ongeveer) EUR 443.230,-- verworven, voorhanden gehad en/of omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen, te weten grote geldbedragen van in totaal (ongeveer) EUR 443.230,--, althans enig(e) geldbedrag(en), telkens geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”
3.3
Het bestreden (Promis-)arrest houdt voor zover van belang in (met weglating van voetnoten):
“Bewijsmiddelen
Op 12 september 2017 werd de woning van de verdachte aan de [a-straat 1] te [plaats] ( [plaats] ) door de politie doorzocht. Tijdens die doorzoeking werden ter plaatse onder meer een hennepstekkerij, een hennepkwekerij en vuurwapens aangetroffen. Tijdens deze doorzoeking in de woning van de verdachte werden daarnaast op drie verschillende plaatsen contante geldbedragen aangetroffen. Op het dressoir in de woonkamer werd in een kabelontvanger/decoder een pakje geldbiljetten luchtdicht en in plastic geseald ingebouwd aangetroffen. Het ging om een bedrag van € 100.000--, bestaande uit 200 biljetten van € 500,--. Bij onderzoek aan een muur-airco werden drie pakjes geldbiljetten luchtdicht en in plastic geseald aangetroffen. Het ging om een bedrag van € 60.000,--, bestaande uit 80 biljetten van € 500,--, 24 biljetten van € 200,- en 304 biljetten van € 50,--.
Verder werd in de portemonnee van de verdachte nog een bedrag aangetroffen van € 1.245,--. In totaal is tijdens de doorzoeking dus een bedrag van € 161.245,-- aan contant geld aangetroffen en in beslag genomen.
Tijdens het zevende verhoor d.d. 15 september 2017 heeft de verdachte bij de politie verklaard dat het in de TV-receiver aangetroffen geld geheel zijn eigendom is. De briefjes van € 500,-- had hij zelf verpakt in plastic folie en in de receiver gestopt. Ook het geld dat is aangetroffen in de airco in de eetkamer is zijn eigendom en heeft de verdachte verpakt en daar neergelegd.
In het tegen de verdachte ingestelde strafrechtelijke onderzoek met de naam Sissipaha zijn van bankrekeningen de bankafschriften gevorderd, verkregen en geanalyseerd. Ook is onderzoek gedaan naar het legale inkomen van de verdachte en zijn (toenmalige) echtgenote [betrokkene 1] in de periode gelegen tussen 1 januari 2013 tot 1 augustus 2017. Dit onderzoek had tot doel te bepalen hoeveel contant geld de verdachte legaal ter beschikking had om daarmee de kosten van zijn levensonderhoud en andere privébestedingen en privébetalingen te kunnen voldoen en ook om te bepalen of en in hoeverre de verdachte in staat was om contante stortingen op zijn bankrekeningen te kunnen doen. Uit de analyse van de bankafschriften werd duidelijk dat onverklaarbare hoeveelheden gelden contant werden gestort op de privébankrekening van de verdachte en andere rekeningen, waaronder een rekening op naam van [betrokkene 2] waar de verdachte (na het overlijden van [betrokkene 2] ) over kon beschikken.
Uit het hiervoor bedoelde onderzoek blijkt dat in de periode 1 januari 2013 tot 1 augustus 2017 op de privébankrekening van de verdachte met [rekeningnummer 1] de navolgende bedragen contant zijn gestort:
2013: € 44.050,--
2014: € 94.502,--
2015: € 34.820,--
2016: € 33.500,--
2017 (tot 1 mei): € 21.250,--
2017(1 mei tot 1 augustus): € 2.000,--
Totaal: € 230.122,--
Voorts is uit het onderzoek naar voren gekomen dat op de privérekening van de verdachte giraal geld is overgemaakt vanaf [rekeningnummer 2] ten name van [A] BV met daarbij de omschrijving ‘huur’ dan wel ‘huur [b-straat] ' en vanaf [rekeningnummer 3] ten name van [B] met de omschrijving 'borg [b-straat 1] ’. Het gaat om de volgende bedragen:
[A] BV:
2016 € 4.000,--
2017 € 19.000,--
Totaal: € 23.000,--
[B] :
2016 € 4.000,--
Ten aanzien van [A] BV en [B] beschrijft de politie dat dit Money Transfer ondernemingen betreft waar contante bedragen kunnen worden ingelegd die daarna giraal kunnen worden overgeboekt naar een bankrekening naar keuze, zoals de privébankrekening van de verdachte. Het is de politie ambtshalve bekend dat dit soort geld(wissel)kantoren in het criminele circuit worden gebruikt om wit te wassen. Ten aanzien van de omschrijvingen bij de overboekingen benoemt de politie dat uit het onderzoek naar voren is gekomen dat de transacties betrekking zouden hebben op een vermeende verhuur van de [b-straat 1] te [geboorteplaats] .
Voorts is uit het onderzoek naar voren gekomen dat de verdachte beschikte over de bankpas van de [rekeningnummer 4] op naam van [betrokkene 2] . [betrokkene 2] is overleden op 25 april 2013. De politie heeft vastgesteld dat na het overlijden van [betrokkene 2] de rekening nog steeds actief was, dat er op deze bankrekening contante bedragen werden gestort en dat er vanaf 29 april 2014 bedragen onder de noemer 'loods huur' werden overgeboekt naar de privérekening van de verdachte. De verdachte verklaarde tijdens het zesde verhoor bij de politie dat hij de bankpas van deze rekening ontvangen had en dat hij deze pas gebruikte om contant geld te storten, dat vervolgens vanaf deze rekening naar zijn privérekening werd overgemaakt. Hiermee heeft de verdachte bevestigd dat hij over deze rekening kon beschikken en dat hij gebruik heeft gemaakt van de gestorte bedragen die mede vanwege het overlijden van de rekeninghouder een onverklaarbare herkomst hebben.
Het totale bedrag dat in de periode 2014 tot en met 2017 contant is gestort op de rekening op naam van [betrokkene 2] bedraagt volgens de berekening van de politie als volgt.
2014 € 25.700,--
2015 € 30.980,--
2016 € 35.760,--
2017 € 50.000,--
Totaal: € 142.440,--
De politie heeft onderzoek gedaan naar de legale inkomsten van de verdachte. Tijdens het ingestelde strafrechtelijke onderzoek bleek dat de verdachte zowel privé als zakelijk gebruik maakte van de diensten van administratiekantoor [C] te [plaats] . Op 12 september 2017 werd van dat administratiekantoor de uitlevering gevorderd van de daar aanwezige administratieve historische gegevens en bescheiden van de verdachte en verkregen. Op basis van deze gegevens heeft de politie berekend dat de verdachte gedurende de periode vanaf 2013 tot en met 1 augustus 2017 een legaal nettoloon ontving van € 41.998,-- (€ 30.495,- in 2016 en € 11.503,-- in 2017) en daarnaast via kasopnamen kon beschikken over € 117.577,-- aan legaal verkregen contant geld van zijn ondernemingen [D] BV en [E] [geboorteplaats] .
De politie heeft ook onderzoek gedaan naar het inkomen van de (voormalige) echtgenote van de verdachte, [betrokkene 1] . Zij heeft een legaal nettoloon ontvangen vanuit de [F] . Daarnaast werden op haar bankrekening met [rekeningnummer 5] inkomsten uit een WAJONG-uitkering, kinderbijslag en een kindgebondenbudget ontvangen. Uit het (aanvullend) onderzoek van de politie is naar voren gekomen dat het legale inkomen van [betrokkene 1] in de onderzoeksperiode in totaal € 51.109,-- bedroeg.
Bewijsoverwegingen
I.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
II.
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Uit het beschreven onderzoek van de politie komt naar voren dat de verdachte en zijn (toenmalig) echtgenote in de onderzoeksperiode van 1 januari 2013 tot 1 augustus 2017 een gezamenlijk legaal inkomen hadden uit loon en uitkeringen van € 93.107,--. Voorts kon de verdachte in deze periode beschikken over legaal verkregen contant geld uit de kas van zijn de ondernemingen tot een bedrag van € 117.577,--.
Daarnaast beschikte de verdachte in de onderzoeksperiode over een grote hoeveelheid contant geld in zijn woning en ontving hij op zijn privérekening en op een rekening op naam van een ander (contante) stortingen waar geen geldig economische verklaring voor kan worden gegeven. Bij het in de woning van de verdachte gevonden contante geld ging het om een bedrag van € 100.000,-- (200 biljetten van € 500,--), dat in plastic geseald was opgeborgen in een TV-receiver, en een bedrag van € 60.000,-- (80 biljetten van € 500,--, 24 biljetten van € 200,-- en 304 biljetten van € 50,), bestaande uit drie pakjes geldbiljetten die in plastic geseald waren opgeborgen in een muur-airco. In totaal betreft dit een bedrag van € 161.245,--.
Uit het hiervoor staande blijkt dat het aangetroffen contante geld voor een groot gedeelte bestond uit coupures van € 500,-- biljetten. Algemeen bekend is dat die biljetten sinds 27 april 2019 niet meer in omloop worden gebracht door de Europese Centrale Bank, omdat deze biljetten in verband worden gebracht met illegale activiteiten. Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat deze gelden zijn eigendom zijn.
Ten aanzien van zijn privérekening ging het om € 230.122,-- aan ontvangen contante stortingen en € 27.000,- aan ontvangen girale doorboekingen van contante stortingen op de rekeningen van Money Transfer ondernemingen. De overige gelden waar de verdachte over kon beschikken zijn de gelden van de rekening op naam van [betrokkene 2] waarop - na diens overlijden - in de onderzoeksperiode onverklaarbare contante stortingen werden gedaan tot een bedrag van € 142.440,--.
De inkomsten van de verdachte en zijn (toenmalige) echtgenote [betrokkene 1] zijn ontoereikend om de herkomst van de contante geldbedragen die in zijn woning zijn aangetroffen en herkomst van de contante (door)stortingen op zijn privérekening en de rekening op naam van [betrokkene 2] waar de verdachte over kon beschikken te kunnen verklaren.
In totaal levert dat het volgende bedrag aan onverklaarbaar vermogen op:
Contante kasopnamen eigen onderneming - € 117.577,--
Contante stortingen privérekening € 230.122,--
Contante doorstortingen op de privérekening € 27.000,--
Contante stortingen rekening [betrokkene 2] € 142.440,--
Contante gelden in de woning van verdachte € 161.245,--
Totaal € 443.230,--
De legale inkomsten uit loon en uitkeringen heeft het hof niet meegenomen in de berekening omdat deze niet vermengd zijn met het onverklaarbare vermogen dat zijn oorsprong heeft in contante geldstromen. In het voordeel van de verdachte gaat het hof ervanuit dat dat bij de contante kasopnamen uit de ondernemingen wel het geval is.
Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat deze geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn, wat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Verklaring verdachte (contante) stortingen op rekeningen
Over de contante stortingen van € 230.122,-- op zijn privébankrekening heeft de verdachte tijdens het vijfde verhoor d.d. 14 september 2017 op de vraag van de politie over de herkomst van die gelden geantwoord dat hij dat in de boekhouding moet nakijken en dat hij denkt dat het om de verkoop van auto’s gaat en huurpenningen (dossierpagina 173). Ten aanzien van de girale overboekingen van in totaal € 27.000,- afkomstig van [B] en [A] op zijn privérekening verklaarde de verdachte dat dit huurpenningen betreffen (dossierpagina 174).
Ten aanzien van de rekening op naam van [betrokkene 2] verklaarde de verdachte tijdens het zesde verhoor d.d. 14 september 2017 dat hij de bankpas van deze rekening ontvangen had van de huurders van zijn loods aan de [a-straat 1] te [plaats] en dat hij deze pas met hun toestemming gebruikte om de huurpenningen vanaf de rekening van [betrokkene 2] op zijn privérekening te kunnen storten (dossierpagina’s 180 en 181).
Verklaring verdachte contante geldbedragen in de woning van de verdachte
Over het op 12 september 2017 in zijn woning aangetroffen contante geld verklaarde de verdachte tijdens het zevende verhoor d.d. 15 september 2017 bij de politie het volgende. Het in de TV-receiver aangetroffen contante geld spaargeld heeft hij vanaf 2009 in de loop van de jaren met zijn ondernemingen bij elkaar gespaard. Daaraan heeft hij toegevoegd dat in het bedrag ook contante huurpenningen en/of borgsommen kunnen zitten die hij heeft ontvangen, hetgeen hij kan nakijken in zijn boekhouding. Het geld in de muur-airco is volgens de verdachte ook spaargeld dat afkomstig is uit zijn bedrijven en privé. Op de vraag waarom de verdachte het geld in een geheime bergplaats had verstopt, antwoordde hij dat dit het spaargeld is waar hij langere tijd niet aan wil komen en dat hij het geld niet op een spaarrekening van een bank heeft gezet omdat hij geen vertrouwen heeft in het bancaire systeem en omdat hij daar te weinig rente voor zou ontvangen (dossierpagina 184). Tijdens het tiende verhoor d.d. 7 augustus 2018 verklaarde de verdachte dat het in zijn woning aangetroffen contante geldbedrag van in totaal € 161.245,-- geld is dat hij heeft verdiend in de zaak, van 2009, 2010, 2011 en deels 2012, dat het ook contant geld kan zijn wat hij na 2012 heeft verdiend, door privéopnamen uit de zonnestudio of verkoop van auto’s (dossierpagina 215).
Ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 9 januari 2020 heeft de verdachte verklaard dat het contante geld afkomstig is van de handel in auto’s en de zonnestudio. Volgens de verdachte is het in de autohandel gebruikelijk om € 500,-- biljetten in contanten te gebruiken. De handel in auto’s was eigenlijk meer een hobby, aldus de verdachte. Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 15 augustus 2023 heeft de verdachte in de zaak met parketnummer 20-000365-23 verklaard dat hij de in de woning aangetroffen contante geldbedragen heeft gespaard over de jaren 2010-2012 of 2009-2012. Ook heeft hij toen verklaard dat hij die gelden deels heeft aangewend om bijvoorbeeld auto’s aan te schaffen, maar dat hij het geld altijd heeft willen bewaren voor het geval de Belastingdienst zou komen met een navordering. Op nadere vragen van het hof heeft de verdachte over de herkomst van de aangetroffen geldbedragen verklaard dat als hij bijvoorbeeld een auto verkocht, hij het verkoopbedrag in coupures van € 500,00 kreeg en dat hij dat zo allemaal heeft opgespaard. Verder heeft hij toen verklaard dat hij in de periode 2009-2012 geen panden heeft verhuurd en dat het ook kan gaan om privéopnamen of geld dat afkomstig was van de zonnebankstudio. Op grond van de hiervoor aangehaalde verklaringen van de verdachte stelt het hof vast dat hij niet eenduidig, maar wisselend heeft verklaard over de herkomst van het door de politie getraceerde contante geld. Gelet daarop is naar het oordeel van het hof geen sprake van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Bovendien heeft het Openbaar Ministerie nader onderzoek verricht naar de door de verdachte gegeven verklaringen. Hieruit is het volgende gebleken.
Onderzoek politie en Openbaar Ministerie
Allereerst heeft de politie onderzoek gedaan naar het door de verdachte ingenomen standpunt dat de contante gelden inkomsten afkomstig zouden zijn uit de verhuur van panden. Hierover heeft het hof reeds geoordeeld bij arrest d.d. 5 september 2023 in de zaak met parketnummer 20-000365-20. In die zaak heeft het hof op basis van het door de politie naar aanleiding van de verklaring van de verdachte verrichte onderzoek bewezenverklaard dat de verdachte huurcontracten en huurovereenkomsten opzettelijk valselijk heeft opgemaakt. Die valsheid bestond hierin dat in strijd met de waarheid op de voornoemde geschriften werd gemeld dat sprake was van huurders, terwijl voornoemde huurders geen huurcontracten en overeenkomsten met de verdachte hadden gesloten. De getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] , die huurder zouden zijn geweest, hebben verklaard dat zij de verdachte niet kennen en geen loods en/of ruimte van hem hebben gehuurd, welke verklaringen door het hof als betrouwbaar zijn beoordeeld. Het scenario dat andere personen zich telkens valselijk als deze personen hebben voorgedaan is door het hof gemotiveerd terzijde geschoven.
Naar het oordeel van het hof kan het niet anders zijn dan dat de verdachte de in de zaak met parketnummer 20-000365-20 bedoelde valselijk opgemaakte huurovereenkomsten heeft gebruikt om te verhullen dat sprake was van een niet legale geldstroom en dus van uit enig misdrijf afkomstige gelden.”
3.4
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof heeft verzuimd met voldoende mate van nauwkeurigheid de bewijsmiddelen aan te duiden waaraan het heeft ontleend dat de verdachte de huurovereenkomsten valselijk heeft opgemaakt om te verhullen dat sprake was van een niet legale geldstroom en dus van enig misdrijf afkomstige gelden. De steller van het middel wijst er in dat verband op dat de veroordeling wegens – kort gezegd – het valselijk opmaken van die huurovereenkomsten – niet onherroepelijk is en dat door de raadsman van de verdachte de valsheid van die huurovereenkomsten is betwist.
3.5
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel dient te worden vooropgesteld dat als het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, de rechter die zich aldus - al dan niet in reactie op een bewijsverweer - beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging
- a) die feiten of omstandigheden dient aan te duiden, en
- b) het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.3.
3.6
In de bewijsoverwegingen van het hof lees ik wel degelijk een voldoende nauwkeurige aanduiding van de door de steller van het middel bedoelde bewijsmiddelen. Het hof verwijst immers in de eerste plaats naar het arrest van het gerechtshof van 5 september 2023 met parketnummer 20-000365-20. Daarin werd bewezen geacht dat de verdachte de bedoelde huurcontracten heeft vervalst. Dit arrest is een in de wettelijke vorm opgemaakte beslissing van een met rechtspraak belast college in de zin van art. 344 lid 1 onder 1º Sv. Daarmee is het een wettig bewijsmiddel in de zin van art. 339 lid 1 onder 5º Sv. In de literatuur worden verschillende standpunten ingenomen als het gaat om de vraag of alleen onherroepelijke beslissingen als wettig bewijsmiddel kunnen gelden.4.In de relatie tussen een strafzaak en een bijbehorende ontnemingszaak heeft de Hoge Raad echter recent aanvaard dat in de beslissing in de ontnemingszaak het tegelijkertijd gewezen arrest in de strafzaak als bewijsmiddel kan worden gebruikt.5.Hoe dan ook heeft het gerechtshof als reactie op het door de verdediging gevoerde verweer niet alleen verwezen naar de bewezenverklaring in het genoemde arrest, maar ook naar de belangrijkste bewijsmiddelen die aan dat oordeel ten grondslag zijn gelegd, te weten de getuigenverklaringen van de personen die volgens de overeenkomsten de huurders van de betreffende onroerende zaken zouden zijn geweest.
3.7
Na de vaststelling van de vervalsing van de huurovereenkomsten door de verdachte, de vaststelling dat op de privérekening van de verdachte bedragen zijn overgeboekt onder de noemer van deze huur en het feit dat de verdachte zich heeft beroepen op de huurovereenkomsten als een van de bronnen van deze inkomsten, behoefde de vaststelling van het hof dat de verdachte de huurovereenkomsten valselijk heeft opgemaakt om te verhullen dat sprake was van een niet-legale geldstroom geen nadere onderbouwing met bewijsmiddelen.
3.8
Het middel faalt dan ook.
4. Afronding
4.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑12‑2025
Het cassatieberoep is op 11 augustus 2025 partieel ingetrokken wat betreft de vrijspraak van de bedragen van (in totaal) € 229.150,-- aan “stortingen op overige bankrekeningen”, €105.904,- aan “overige contante betalingen' en € 119.837,-- aan “tekort NIBUD-norm”, dan wel de naderhand gecorrigeerde hoogte van die bedragen”.
Zie A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 68.
De vraag wordt ontkennend beantwoord in WvSV, Melai/Groenhuijsen e.a., artikel 344 Sb, aant. 3 (actueel tot en met 17 december 2007) en bevestigend in G.J. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer: 2021, bewerkt door M,J, Borgers en T. Kooijmans, p. 861.
HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:288, rov. 2.4.