Einde inhoudsopgave
Iura novit curia en buitenlands recht (BPP nr. XX) 2021/59
59 Openbare orde-karakter van conflictregels?
mr. S. Stuij, datum 01-12-2020
- Datum
01-12-2020
- Auteur
mr. S. Stuij
- JCDI
JCDI:ADS259863:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Mostermans, Processuele behandeling 1996, p. 95 e.v.
Mostermans, Processuele behandeling 1996, p. 96-101.
Peters, IPR, Proces & Arbitrage 2015, p. 193.
Peters, IPR, Proces & Arbitrage 2015, p. 193.
Zie Peters, IPR, Proces & Arbitrage 2015, p. 193 jo. p. 237-244.
Zie ook de herhaalde stelling van A-G Vlas dat conflictregels ‘processueel niet van openbare orde’ zijn in diens conclusies bij HR 11 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:394, (conclusie ECLI:NL:PHR:2015:2412), onder 2.3.; HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6684 (conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV6684), onder 2.5. Idem interregionaal privaatrecht: HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1525 (conclusie ECLI:NL:PHR:2015:1525), onder 2.8. Iets voorzichtiger was A-G Strikwerda, wanneer hij stelde dat ‘althans conflictregels op het terrein van het vermogensrecht’, geen recht van openbare orde in processuele zin betreft, zie zijn conclusie bij HR 23 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0199, NJ 2001/431, m.nt. JMBV en ThMdB, onder 15.
Zie Mostermans, Processuele behandeling 1996, p. 95. Anders blijkbaar Peters, IPR, Proces & Arbitrage 2015, p. 165-167, die wel de situatie in eerste aanleg bespreekt.
Mostermans, Processuele behandeling 1996, p. 95; Peters, IPR, Proces & Arbitrage 2015, p. 166.
Peters, IPR, Proces & Arbitrage 2015, p. 166-167.
Bijvoorbeeld door te eisen dat de beoordeling van hun geschil plaatsvindt aan de hand van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad in plaats van wanprestatie.
In principe kan het dan gaan om dezelfde materieelrechtelijke kwalificatie (bijvoorbeeld contractuele aansprakelijkheid), al hoeft dit niet; wat in de ene staat als contractueel wordt gezien kan in een andere staat als een kwestie van buitencontractuele aansprakelijkheid worden beschouwd. Men denke bijvoorbeeld aan de precontractuele aansprakelijkheid, die weliswaar conflictenrechtelijk onder het regime van de Rome II-Verordening valt, maar materieelrechtelijk gezien wellicht als een contractuele kwestie wordt behandeld.
Mostermans, Processuele behandeling 1996, p.95, onder verwijzing naar Mayer 1991, p. 487.
Interessant is de situatie waarin het internationale karakter van de zaak wel geïndiceerd is, maar de partijen zich er niet over hebben uitgelaten. Mogen de partijen besluiten dit buiten de rechtsstrijd in de zin van art. 24 Rv te plaatsen? De hoofdregel van Nederlands burgerlijk procesrecht is immers dat de rechter slechts die feiten aan zijn vonnis of beschikking ten grondslag mag leggen die uitdrukkelijk door partijen als zodanig zijn ingeroepen. Dit is slechts anders wanneer het gaat om kwesties die de zogenaamde openbare orde in processuele zin betreffen. In het laatste geval is ambtshalve optreden niet alleen toegestaan maar zelfs vereist. Kunnen conflictregels dan als dergelijke regels van openbare orde worden gezien? Deze vraag is door Mostermans ontkennend beantwoord.1 Zij voert daartoe drie argumenten aan: aan partijen wordt vaak een rechtskeuzebevoegdheid toegekend, er ontbreekt een conflictenrechtelijke toets in het erkenningsrecht en tot slot dient de conflictregel voornamelijk individuele belangen en partijverwachtingen.2
Peters lijkt er in tegenstelling tot Mostermans wel vanuit te gaan dat conflictregels een openbare orde-karakter kunnen hebben, zelfs wanneer het gaat om aangelegenheden die de lege fori ter vrije bepaling van partijen staan.3 In dit geval zou het volgens hem ofwel gaan om conflictregels die ook andere dan individuele belangen behartigen en dus meer dan een ‘Ordnungfunktion’ hebben, ofwel om conflictregels die wel het partijbelang dienen, maar daaraan op maatschappelijke gronden een ‘fundamenteel gewicht’ toekennen.4 Van de eerste soort lijkt Peters echter geen voorbeeld geven, terwijl hij bij de tweede soort vooral de artt. 6 en 8 Rome I op het oog lijkt te hebben.5 In hoeverre deze opvatting van Peters kan worden onderschreven, zal in hoofdstuk 7 aan de orde komen; vooralsnog lijkt hij in zijn opvatting dat conflictregels van openbare orde kunnen zijn, althans voor wat betreft de stand van het Nederlandse recht, alleen te staan.6
Als conflictregels dus niet van openbare orde in processuele zin zijn, betekent dit dat de rechter in beginsel niet de bevoegdheid heeft om de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen te overschrijden.
Een ander punt betreft de fase waarin het mogelijke openbare orde-karakter van conflictregels een rol in de procedure kan spelen. Aangenomen wordt dat dit vraagstuk slechts in appel van belang is, terwijl in eerste aanleg het karakter van het conflictenrecht geen rol van betekenis zou spelen.7 Immers, wanneer partijen over het toepasselijke recht zwijgen, betekent dit niet dat zij ook het conflictenrecht buiten toepassing willen laten. De rechter zal in dat geval niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd treden wanneer het conflictenrecht ambtshalve wordt toegepast.8 Ook in de situatie waarin beide partijen van hetzelfde recht uitgaan, zou de rechter, zelfs wanneer een dergelijke houding als een processuele rechtskeuze opgevat moet worden, de geldigheid van die keuze moeten toetsen aan het conflictenrecht.9
Deze overwegingen gaan er echter aan voorbij dat in de genoemde situaties de wil van partijen onduidelijk is. In hoeverre partijen iets binnen of buiten de rechtsstrijd laten is afhankelijk van de uitleg van hun stellingen; wanneer daarover enigerlei onduidelijkheid bestaat, staat het de rechter vrij om partijen daarover opheldering te vragen. De problemen ontstaan eerst dan, wanneer partijen desgevraagd aangeven de conflictenrechtelijke vraag buiten toepassing te laten. De rechter heeft dan weliswaar voldaan aan de vereisten van hoor en wederhoor, maar hebben partijen dan ook de benodigde processuele beschikkingsvrijheid? In paragraaf 2.2.3. is al de mogelijkheid besproken dat partijen bepalen dat zij de vordering volgens een bepaalde rechtsgrond beoordeeld willen zien en in dat opzicht de rechter kunnen binden.10 Het is de vraag of partijen niet een vergelijkbare bevoegdheid toekomt wanneer het niet zozeer gaat om een materieelrechtelijke kwalificatie maar om een rechtsgrond van een ander rechtsstelsel dan het eigenlijk toepasselijke.11 Voorts kan de rechtskeuze in conflictenrechtelijke zin dogmatisch gezien als een ander concept worden beschouwd dan de partijdispositie in processuele zin.
Niettemin meent Mostermans dat bij ambtshalve toepassing van het conflictenrecht in eerste aanleg de grenzen van de rechtsstrijd niet overschreden kunnen worden, omdat de conflictenrechtelijk relevante feiten een andere rol zouden spelen dan de materieelrechtelijk relevante feiten.12 De eerste zouden slechts het toepasselijke recht aanwijzen en dus niet de omvang van het geschil raken. Het is de vraag, in hoeverre de argumenten van Mostermans houdbaar zijn. Zij verklaren niet waarom het onderscheid tussen materieelrechtelijk en conflictenrechtelijk relevante feiten in appel niet wordt gemaakt, aangezien de partijen de conflictenrechtelijke vraag daar wel buiten de rechtsstrijd kunnen plaatsen. Met de vraag naar het karakter van de relevante feiten, komt ook de voornoemde situatie op, waarin het feitencomplex nog geen vaststaande internationale aspecten toont.