Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/3.5.3:3.5.3 Gevolgen EHRM-rechtspraak voor het Nederlandse bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/3.5.3
3.5.3 Gevolgen EHRM-rechtspraak voor het Nederlandse bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940493:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Juister is: de waarborgen moeten reeds worden verleend op het moment dat er sprake is van een criminal charge, en dat had ook al sinds de inwerkingtreding van het EVRM in Nederland, op 31 augustus 1954 (Trb. 1954,151), aldus moeten geschieden.
Feteris 2002. Voor een korter (en actueler) overzicht: Feteris 2007, par. IX.3.6.4 tot en met par. IX.3.6.12.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het gevolg van de in de vorige paragraaf beschreven rechtsontwikkeling is geweest, dat alle waarborgen die art. 6 EVRM aan de verdachte van een strafbaar feit garandeert, voortaan ook moesten worden toegekend aan de belasting- of inhoudingsplichtige die een fiscale bestuurlijke boete kreeg opgelegd.1 Een integraal overzicht van de verschillende waarborgen die uit art. 6 EVRM voortvloeien, met hun consequenties voor de fiscale bestuurlijke boete, is opgetekend door Feteris.2 In het kader van dit onderzoek ga ik uiteraard vooral in op de volgende waarborgen, omdat die concrete gevolgen hebben voor het bewijsrecht:
Het recht op een eerlijk proces: dit recht omvat een ‘fair hearing’ door een onafhankelijke en onpartijdige rechter, de behandeling binnen een redelijke termijn, met een in beginsel openbare terechtzitting en uitspraak. Deze waarborg doet ook dienst als achterliggende, overkoepelende waarborg, waarop in wezen alle andere waarborgen uit art. 6 EVRM zijn terug te voeren en zelfs nadere (niet gecodificeerde) waarborgen uit worden afgeleid.
De onschuldpresumptie: de verdachte van een strafbaar feit wordt vermoed onschuldig te zijn, totdat het tegendeel in rechte is komen vast te staan.
Het recht op een behoorlijke verdediging: dit recht garandeert een onverwijlde en duidelijke aanklacht, de tijd en gelegenheid voor de voorbereiding van de verdediging, de toevoeging van een advocaat en kosteloze bijstand van een tolk indien nodig, en het recht om getuigen op te roepen en te ondervragen.
Naar aanleiding van de in de vorige paragraaf behandelde EHRM-rechtspraak zijn verschillende aspecten van de Nederlandse fiscale bestuurlijke boeteoplegging getoetst aan de waarborgen van art. 6 EVRM. Vooral de onschuldpresumptie heeft in dit kader een belangrijke rol gespeeld. De wettelijke bewijslastverdeling zoals die gold voor de destijds bestaande verhogingen moest daardoor zelfs volledig op de schop. Ook de in paragraaf 3.4.3 en 3.4.4 genoemde ontwikkelingen ten aanzien van het beginsel ‘geen straf zonder schuld’ (AVAS) en de individuele straftoemeting kwamen onder invloed van art. 6 EVRM in een ander daglicht te staan.
In de volgende paragraaf ga ik eerst nader in op de precieze betekenis van de onschuldpresumptie. Vervolgens sta ik in paragraaf 3.5.5 stil bij de wijze waarop de EHRM-jurisprudentie is geïncorporeerd in de nationaalrechtelijke jurisprudentie over de fiscale bestuurlijke boete en geef ik aan hoe deze rechtsontwikkelingen de aanzet hebben gegeven tot de integrale herziening van het fiscale bestuurlijke boetestelsel van 1998. Dat stelsel komt vervolgens in paragraaf 3.6 aan de orde.