Procestaal: Pools.
HvJ EU, 13-02-2025, nr. C-472/23
ECLI:EU:C:2025:89
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
13-02-2025
- Magistraten
D. Gratsias, I. Jarukaitis, Z. Csehi
- Zaaknummer
C-472/23
- Roepnaam
Lexitor
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
EU-recht (V)
Financieel recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:89, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 13‑02‑2025
Uitspraak 13‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Bescherming van de consument — Kredietovereenkomsten voor consumenten — Richtlijn 2008/48/EG — Artikel 10, lid 2 — Informatieplicht — Jaarlijks kostenpercentage — Wijziging van de vergoedingen en commissielonen — Artikel 23 — Nationaal sanctiestelsel — Evenredigheidsbeginsel
D. Gratsias, I. Jarukaitis, Z. Csehi
Partij(en)
In zaak C-472/23,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Rejonowy dla m.st. Warszawy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) bij beslissing van 21 juni 2023, ingekomen bij het Hof op 25 juli 2023, in de procedure
Lexitor sp. z o.o.
tegen
A. B. S.A.,
wijst
HET HOF (Tiende kamer),
samengesteld als volgt: D. Gratsias, kamerpresident, I. Jarukaitis, president van de Vierde kamer, en Z. Csehi (rapporteur), rechter,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Lexitor sp. z o.o., vertegenwoordigd door K. Danielak, radca prawny,
- —
A. B. S.A., vertegenwoordigd door M. Malciak, K. Trzaskowski en W. J. Wandzel, adwokaci,
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en S. Żyrek als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Ondrůšek en M. Owsiany-Hornung als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 10, lid 2, onder g) en k), en artikel 23 van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Lexitor sp. z o.o., als overnemer van de rechten van een consument, en A. B. S.A. (hierna: ‘bank’) over een verzoek tot terugbetaling van een bedrag dat de rente en de vergoedingen vertegenwoordigt die deze consument heeft betaald uit hoofde van een consumentenkredietovereenkomst die hij met de bank had afgesloten.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2008/48
3
De overwegingen 6, 8, 9, 19, 31, 32 en 47 van richtlijn 2008/48 luiden als volgt:
- ‘(6)
Overeenkomstig het Verdrag bestaat de interne markt uit een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen en diensten en de vrijheid van vestiging gewaarborgd zijn. De ontwikkeling van een doorzichtigere en doelmatigere kredietmarkt in de ruimte zonder binnengrenzen is van wezenlijke betekenis voor de bevordering van de ontwikkeling van grensoverschrijdende activiteiten.
[…]
- (8)
Het is van belang dat de markt de consument voldoende bescherming biedt teneinde diens vertrouwen niet te schaden. Op die manier moet het vrije verkeer van kredietaanbiedingen voor zowel kredietgevers als kredietnemers optimaal kunnen functioneren, met inachtneming van de specifieke situaties in de afzonderlijke lidstaten.
- (9)
Volledige harmonisatie is nodig om te waarborgen dat alle consumenten in de Gemeenschap een hoog en gelijkwaardig niveau van bescherming van hun belangen genieten en om een echte interne markt te creëren. Het mag de lidstaten derhalve niet worden toegestaan andere nationale bepalingen te handhaven of in te voeren dan er in deze richtlijn zijn vastgelegd. Deze beperking moet echter alleen gelden voor door deze richtlijn geharmoniseerde bepalingen. Wanneer zulke geharmoniseerde bepalingen niet bestaan, moeten de lidstaten de vrijheid houden om nationale wetgeving te handhaven of in te voeren. […]
[…]
- (19)
Opdat consumenten met kennis van zaken kunnen beslissen, moeten zij vóór het sluiten van de kredietovereenkomst de nodige informatie krijgen over de kredietvoorwaarden, de kredietkosten en zijn verplichtingen, die zij mogen meenemen en nader bestuderen. Om voor een zo groot mogelijke transparantie te zorgen en aanbiedingen vergelijkbaar te maken, dient deze informatie met name ook het in de gehele Europese Unie op uniforme wijze vastgestelde jaarlijkse kostenpercentage [(JKP)] van het krediet te omvatten. […]
[…]
- (31)
De kredietovereenkomst moet in duidelijke en beknopte vorm alle noodzakelijke informatie bevatten over de rechten en plichten die voor de consument daaruit voortvloeien, zodat hij daar kennis van kan nemen.
- (32)
Met het oog op volledige transparantie moet de consument zowel in de precontractuele fase als bij het sluiten van de kredietovereenkomst informatie krijgen over de debetrentevoet. Tijdens de looptijd van de overeenkomst moet de consument bovendien op de hoogte worden gebracht van wijzigingen in de variabele debetrentevoet en de daaruit voortvloeiende wijzigingen in de betalingen. […]
[…]
- (47)
De lidstaten moeten vaststellen welke sancties gelden voor overtredingen van ingevolge deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en erop toezien dat deze worden toegepast. Hoewel de keuze van de sancties bij de lidstaten blijft berusten, moeten de sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.’
4
Artikel 3 (‘Definities’) van deze richtlijn luidt:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
- g)
‘totale kosten van het krediet voor de consument’: alle kosten, met inbegrip van rente, commissielonen, belastingen en vergoedingen van welke aard ook, die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de kredietgever bekend zijn, met uitzondering van notariskosten; dit omvat ook de kosten in verband met nevendiensten met betrekking tot de kredietovereenkomst, met name verzekeringspremies, indien, daarenboven, het sluiten van een dienstencontract verplicht is om het krediet, in voorkomend geval op de geadverteerde voorwaarden, te verkrijgen;
[…]
- i)
‘[JKP]’: de totale kosten van het krediet voor de consument, uitgedrukt in een percentage op jaarbasis van het totale kredietbedrag, indien toepasselijk te vermeerderen met de kosten bedoeld in artikel 19, lid 2;
[…]’
5
Artikel 10 (‘In de kredietovereenkomst te vermelden informatie’) van die richtlijn bepaalt in lid 2:
‘In de kredietovereenkomst worden op duidelijke en beknopte wijze vermeld:
[…]
- g)
het [JKP] en het totale door de consument te betalen bedrag, berekend bij het sluiten van de kredietovereenkomst; alle bij de berekening van dit percentage gebruikte hypothesen worden vermeld;
[…]
- k)
de eventuele kosten voor het aanhouden van een of meer rekeningen voor de boeking van zowel betalingen als kredietopnemingen, tenzij het openen van een rekening facultatief is, tezamen met de kosten voor het gebruik van een betaalmiddel voor zowel betalingen als kredietopnemingen, andere uit de kredietovereenkomst voortvloeiende kosten, alsmede de voorwaarden waaronder die kosten kunnen worden gewijzigd;
[…]’
6
Artikel 19 (‘Berekening van het [JKP]’) van die richtlijn bepaalt in de leden 1 tot en met 3:
- ‘1.
Het [JKP], gelijk aan de contante waarde, op jaarbasis, van alle tussen de kredietgever en de consument overeengekomen of overeen te komen verbintenissen (kredietopnemingen, aflossingen en kosten), wordt berekend volgens de wiskundige formule in deel I van bijlage I.
- 2.
Om het [JKP] te berekenen, bepaalt men de totale kosten van het krediet voor de consument, met uitzondering van kosten die hij moet betalen wegens niet-naleving van een in de kredietovereenkomst opgenomen verplichting en de andere kosten dan de aankoopprijs die hij bij het afnemen van goederen of diensten in elk geval moet betalen, ook indien contant wordt betaald.
De kosten voor het beheer van een rekening waarop zowel betalingen als kredietopnemingen worden geboekt, de kosten voor het gebruik van een betaalmiddel waarmee zowel betalingen als kredietopnemingen kunnen worden verricht, en de overige kosten voor betalingsverrichtingen worden in de totale kosten van het krediet voor de consument meegerekend, tenzij de opening van de rekening facultatief is en de kosten voor de rekening duidelijk en afzonderlijk in de kredietovereenkomst of een andere met de consument gesloten overeenkomst zijn vastgesteld.
- 3.
Bij de berekening van het [JKP] wordt uitgegaan van de hypothese dat de kredietovereenkomst voor de overeengekomen tijdsduur geldt en dat de kredietgever en de consument hun verplichtingen nakomen binnen de termijnen en op de data die in de kredietovereenkomst zijn bepaald.’
7
Artikel 23 (‘Sancties’) van richtlijn 2008/48 is als volgt geformuleerd:
‘De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die gelden voor inbreuken op de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen, en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.’
Richtlijn 93/13
8
Artikel 6, lid 1 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29) luidt:
‘De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.’
Pools recht
Wet op het consumentenkrediet
9
De ustawa o kredycie konsumenckim (wet op het consumentenkrediet) van 12 mei 2011 (Dz. U. van 2011, nr. 126, volgnr. 715), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: ‘wet op het consumentenkrediet’), heeft richtlijn 2008/48 in de Poolse rechtsorde omgezet.
10
Artikel 30, lid 1, van de wet op het consumentenkrediet bepaalt:
‘Onverminderd de artikelen 31 tot en met 33 wordt in de consumentenkredietovereenkomst informatie verstrekt over:
[…]
- 7)
het [JKP] en het totale door de consument verschuldigde bedrag, berekend op de datum waarop de consumentenkredietovereenkomst wordt gesloten, met vermelding van alle aannamen voor de berekening daarvan;
[…]
- 10)
de andere kosten die de consument in verband met de consumentenkredietovereenkomst moet dragen, met name over vergoedingen, zoals vergoedingen voor het aanhouden van een of meer rekeningen waarop betalingen en kredietopnemingen kunnen worden geboekt, alsmede vergoedingen voor het gebruik van betaalmiddelen voor zowel betalingstransacties als kredietopnemingen, over commissielonen, marges en kosten van aanvullende diensten, in het bijzonder verzekeringen, indien bekend bij de kredietgever, en voorts over de voorwaarden waaronder deze kosten kunnen worden gewijzigd;
[…]’
11
Artikel 45, lid 1, van deze wet is verwoord als volgt:
‘Indien de kredietgever artikel 29, lid 1, artikel 30, lid 1, punten 1 tot en met 8, 10, 11 en 14 tot en met 17, en de artikelen 31 tot en met 33, 33a en 36a tot en met 36c niet nakomt, betaalt de consument het krediet zonder rente en andere aan de kredietgever verschuldigde kredietkosten terug binnen de termijn en op de wijze die in de overeenkomst zijn vastgesteld, nadat hij bij de kredietgever een schriftelijke verklaring in die zin heeft ingediend.’
Wet houdende het burgerlijk wetboek
12
Artikel 3851, leden 1 en 2, van de ustawa — Kodeks cywilny (wet houdende het burgerlijk wetboek) van 23 april 1964 (Dz. U. nr. 16, volgnr. 93), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, luidt als volgt:
- ‘1.
Bedingen in een consumentenovereenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, binden de consument niet indien zijn rechten en verplichtingen daarin worden vastgesteld op een wijze die in strijd is met de goede zeden en een grove schending van zijn belangen inhoudt (oneerlijke bedingen). Dat geldt niet voor de bepalingen inzake de voornaamste prestaties van de partijen, waaronder de prijs of de vergoeding, indien deze eenduidig zijn geformuleerd.
- 2.
Indien een beding in een overeenkomst de consument overeenkomstig lid 1 niet bindt, blijven de partijen gebonden door de overige bepalingen van de overeenkomst.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
13
Lexitor, een incassobureau, heeft de rechten overgenomen van een consument die een kredietovereenkomst met een bank had gesloten voor een bedrag van 40 000 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 9 050 EUR) (hierna: ‘betrokken overeenkomst’). Naast de hoofdsom van het krediet moest de consument de bank vergoedende rente, vastgesteld op 19 985,07 PLN (ongeveer 4 520 EUR) en een commissieloon van 4 893,38 PLN (ongeveer 1 100 EUR) betalen. Het in de betrokken overeenkomst vermelde JKP bedroeg 11,18 %.
14
Volgens de bewoordingen van de betrokken overeenkomst kon de bank vergoedingen en commissielonen aanrekenen voor verrichtingen in verband met de verwerking van kredieten en de wijziging van de voorwaarden van die overeenkomst, overeenkomstig de bepalingen van die overeenkomst en van een bijbehorend document (‘Lijst van tarieven van de door [de bank] voor particuliere klanten gehanteerde vergoedingen en commissielonen’) (hierna: ‘tarieflijst’). Zo konden op grond van die overeenkomst de vergoedingen en commissielonen worden verhoogd wanneer zich ten minste één van de in de overeenkomst genoemde voorwaarden voordeed, zoals een wijziging van het bedrag van het minimumloon of van de indicatoren die worden gepubliceerd door de Główny Urząd Statystyczny (centraal bureau voor de statistiek, Polen) met betrekking tot, in het bijzonder, het peil van de inflatie of het gemiddelde maandloon in de bedrijfssector, wijzigingen van de energieprijzen, van de prijzen van telecommunicatieverbindingen en postdiensten, van interbancaire betalingen en van de door de Narodowy Bank Polski (nationale bank van Polen) vastgestelde rentetarieven, wijzigingen van de prijzen van de diensten en verrichtingen waarvan de bank gebruikmaakt bij de uitoefening van haar diverse bancaire en niet-bancaire activiteiten en wijzigingen van de reikwijdte of de vorm van de door de bank verleende diensten (waaronder wijzigingen of de toevoeging van een nieuwe functionaliteit op het gebied van de dienstverlening ten aanzien van een bepaald product), alsmede wijzigingen van de fiscale bepalingen en/of de door de bank gehanteerde boekhoudkundige regels, alsook wijzigingen van de bestaande rechtspraak of de uitvaardiging van nieuwe gerechtelijke uitspraken, uitspraken van bestuurlijke autoriteiten en aanbevelingen of adviezen van de bevoegde instanties, waaronder de Komisja Nadzoru Finansowego (commissie voor financieel toezicht, Polen), voor zover deze wijzigingen van invloed zijn op de kosten die door de bank moeten worden betaald uit hoofde van de uitvoering van de overeenkomst.
15
Voorts vermeldde de tarieflijst, in de vorm van een tabel, de bedragen voor de administratieve vergoedingen, zoals de vergoeding voor het verstrekken van bankadvies, het afgeven van een certificaat of een historisch overzicht van de kredietrekening [50 PLN (ongeveer 12 EUR)], voor het verzenden van brieven aan klanten, met inbegrip van betalingsherinneringen en sommaties [4,20 PLN (ongeveer 1 EUR) per brief], en voor het verzenden van brieven met ontvangstbevestiging [6,20 PLN (ongeveer 1,50 EUR) per brief]. De tarieflijst bevatte ook een aantal eenmalige vergoedingen met betrekking tot het vrijgeven van het kredietbedrag die evenwel niet werden geïnd (vergoedingen die op ‘0’ waren gezet), vergoedingen voor het sluiten van een aanvullende overeenkomst [50 PLN (ongeveer 12 EUR)] en een vergoeding voor het niet opnemen van contant geld dat voor betaling in Poolse zloty's werd gevraagd, meer bepaald 0,3 % van het niet-opgenomen bedrag, met een minimum van 100 PLN (ongeveer 24 EUR).
16
In de tarieflijst heette het tevens dat vergoedingen en commissielonen maximaal vier keer per jaar konden worden gewijzigd, maar niet met meer dan 200 % van het huidige bedrag konden worden verhoogd. Bovendien bepaalde de tarieflijst dat een wijziging van het bedrag van de betrokken vergoedingen of commissielonen slechts kon worden doorgevoerd uiterlijk zes maanden na het intreden van de omstandigheid die de invoering van deze wijziging mogelijk maakte, en dat bij de vaststelling van de tarieven van vergoedingen of commissielonen voor transacties waarvoor de bank voordien geen vergoedingen of commissielonen in rekening had gebracht, alsook voor nieuwe producten of diensten, rekening werd gehouden met de arbeidsintensiteit van de uitgevoerde transacties en het kostenniveau van de bank.
17
Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat de bank bij de uitvoering van de kredietovereenkomst de rente niet alleen heeft berekend over het daadwerkelijk aan de consument betaalde kredietbedrag, maar ook over de geleende bedragen voor de kosten van het krediet. Volgens de verwijzende rechter zou, indien de rente uitsluitend over het totale kredietbedrag was berekend, het JKP lager zijn geweest dan het in de kredietovereenkomst vermelde JKP.
18
In deze omstandigheden heeft Lexitor op basis van artikel 45 van de wet op het consumentenkrediet van de bank betaling gevorderd van 12 905,80 PLN (ongeveer 2 900 EUR), zijnde de som van de rente en de kosten die deze consument op grond van de overeenkomst in kwestie had betaald, vermeerderd met rente. Toen dit werd geweigerd, heeft zij de zaak aanhangig gemaakt bij de Sąd Rejonowy dla m.st. Warszawy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen), de verwijzende rechter.
19
Ter ondersteuning van haar vordering betoogt Lexitor dat de bank bij het sluiten van de betrokken overeenkomst de bepalingen van de wet op het consumentenkrediet inzake de informatieplicht jegens de consument heeft geschonden, met name artikel 30, lid 1, punt 7, van die wet, waarbij artikel 10, lid 2, onder g), van richtlijn 2008/48 in de Poolse rechtsorde is omgezet, voor zover het in de overeenkomst vermelde JKP te hoog was. De bank heeft ook artikel 30, lid 1, punt 10, van deze wet, waarbij artikel 10, lid 2, onder k), van die richtlijn in Pools recht is omgezet, geschonden omdat de betrokken overeenkomst enkel de voorwaarden waaronder de vergoedingen voor de uitvoering van die overeenkomst konden worden verhoogd en bepaalde mechanismen voor de verhoging van die vergoedingen bevatte.
20
De verwijzende rechter stelt twee soorten vragen. Met zijn eerste twee vragen wenst hij in essentie te vernemen of artikel 10, lid 2, onder g) en k), van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat de situatie in het bij hem aanhangige geding daadwerkelijk verzaking van de krachtens deze bepaling op de bank rustende informatieplicht oplevert. Hij is namelijk van oordeel dat een beding in een consumentenkredietovereenkomst op grond waarvan de kredietgever niet alleen rente mag berekenen over het daadwerkelijk betaalde kredietbedrag, maar ook over de kosten van het krediet die de consument moet betalen, een oneerlijk beding is in de zin van richtlijn 93/13. Aangezien een dergelijk beding overeenkomstig artikel 6, lid 1, van deze richtlijn en artikel 3851 van de wet houdende het burgerlijk wetboek, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, niet bindend is voor de consument, mag het niet in aanmerking worden genomen bij de berekening van het JKP, zodat het in de betrokken overeenkomst vermelde JKP onjuist en te hoog is, daar het is berekend op basis van de veronderstelling dat de rente ook moet worden berekend over de door de consument gedragen kredietkosten.
21
Verder vraagt de verwijzende rechter zich met betrekking tot artikel 10, lid 2, onder k), van richtlijn 2008/48 af of de loutere opsomming van de omstandigheden waarin de aan de uitvoering van de kredietovereenkomst verbonden vergoedingen kunnen worden verhoogd en de vermelding van de mechanismen voor een dergelijke verhoging kunnen worden geacht te volstaan om aan het in deze bepaling neergelegde vereiste te voldoen, en zo niet, of onvoldoende informatie kan worden opgevat als een gebrek aan informatie dat de oplegging van een sanctie krachtens artikel 23 van die richtlijn rechtvaardigt.
22
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of een sanctie die op grond van artikel 23 van richtlijn 2008/48 in het nationale recht is ingevoerd, als evenredig kan worden beschouwd indien zij, ongeacht de aard van de niet-nakoming van de informatieplicht, het krediet vrijstelt van de in de kredietovereenkomst vastgestelde rente en kosten en geen andere, minder beperkende en eventueel evenredigere sanctie kan worden toegepast.
23
In die omstandigheden heeft de Sąd Rejonowy dla m.st. Warszawy w Warszawie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet artikel 10, lid 2, onder g), van [richtlijn 2008/48], gelezen in het licht van de overwegingen 6, 8 en 31 van deze richtlijn, aldus worden uitgelegd dat de kredietgever de krachtens deze bepaling op hem rustende verplichting niet is nagekomen wanneer een deel van de bedingen van een gesloten consumentenkredietovereenkomst als oneerlijk wordt beschouwd en het door de kredietgever bij het sluiten van de overeenkomst vermelde [JKP] daardoor hoger is dan het geval zou zijn indien het oneerlijke beding niet-bindend was voor de consument?
- 2)
Moet artikel 10, lid 2, onder k), van [richtlijn 2008/48], gelezen in het licht van de overwegingen 6, 8 en 31 van deze richtlijn, aldus worden uitgelegd dat het volstaat dat de consument wordt geïnformeerd over de omstandigheden waarin de vergoedingen voor de uitvoering van de overeenkomst kunnen worden verhoogd, namelijk hoe vaak, in welke situatie en met welk maximumpercentage, ook al kan de consument niet nagaan of de betrokken omstandigheid zich voordoet, en de vergoedingen bijgevolg kunnen worden verdubbeld?
- 3)
Moet artikel 23 van [richtlijn 2008/48], gelezen in het licht van de overwegingen 6, 8, 9 en 47 van deze richtlijn, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die in geval van niet-nakoming van de aan de kredietgever opgelegde informatieplicht slechts voorziet in één sanctie, die erin bestaat dat het krediet wordt vrijgesteld van rente en kosten, ongeacht de ernst van de niet-nakoming van deze plicht en ongeacht de gevolgen ervan voor de beslissing van de consument om de kredietovereenkomst al dan niet te sluiten?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
24
Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 10, lid 2, onder g), van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat een kredietovereenkomst een JKP vermeldt dat te hoog blijkt te zijn omdat bepaalde bedingen van die overeenkomst vervolgens oneerlijk in de zin van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 en bijgevolg niet-bindend voor de consument worden bevonden, verzaking van de in die bepaling van richtlijn 2008/48 neergelegde informatieplicht oplevert.
25
Voor het beantwoorden van deze vraag moet om te beginnen worden opgemerkt dat artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48 in een volledige harmonisatie voorziet voor de gegevens die verplicht in de kredietovereenkomst moeten worden opgenomen [arrest van 21 maart 2024, Profi Credit Bulgaria (Nevendiensten bij een kredietovereenkomst), C-714/22, EU:C:2024:263, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
26
In het bijzonder bepaalt artikel 10, lid 2, onder g), van richtlijn 2008/48 dat het JKP en het totale door de consument te betalen bedrag, berekend bij het sluiten van de kredietovereenkomst, op duidelijke en beknopte wijze in de kredietovereenkomst worden vermeld.
27
Het JKP wordt in artikel 3, onder i), van richtlijn 2008/48 omschreven als ‘de totale kosten van het krediet voor de consument, uitgedrukt in een percentage op jaarbasis van het totale kredietbedrag, indien toepasselijk te vermeerderen met de kosten bedoeld in artikel 19, lid 2’. Overeenkomstig artikel 19, lid 1 van die richtlijn wordt het JKP berekend volgens de wiskundige formule in deel I van bijlage I bij die richtlijn.
28
Dienaangaande dient eraan te worden herinnerd dat richtlijn 2008/48 werd vastgesteld met een tweeledig doel: waarborgen dat alle consumenten van de Europese Unie een hoog en gelijkwaardig niveau van bescherming van hun belangen genieten en de totstandkoming van functionerende interne markt voor consumentenkrediet vergemakkelijken. Blijkens overweging 19 ervan beoogt deze richtlijn met name te waarborgen dat de consument vóór het sluiten van de kredietovereenkomst de nodige informatie krijgt, met name over het JKP in de gehele Unie, zodat hij deze percentages kan vergelijken (arrest van 19 december 2019, Home Credit Slovakia, C-290/19, EU:C:2019:1130, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29
Het Hof heeft reeds benadrukt dat het JKP, als de totale kosten van het krediet in de vorm van een percentage dat volgens één wiskundige formule is berekend, voor een consument uiterst belangrijk is. Dit percentage stelt de consument namelijk in staat om de omvang van de verbintenis die de sluiting van de kredietovereenkomst meebrengt vanuit economisch oogpunt te beoordelen (arrest van 19 december 2019, Home Credit Slovakia, C-290/19, EU:C:2019:1130, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30
Gelet met name op het feit dat het JKP uiterst belangrijk is voor de consument, heeft het Hof verduidelijkt dat de vermelding van een JKP dat niet alle in artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48 bedoelde kosten getrouw weergeeft, de consument de mogelijkheid ontneemt om te bepalen waartoe hij zich verbindt, net zoals wanneer dat percentage helemaal niet zou zijn vermeld [zie in die zin arrest van 21 maart 2024, Profi Credit Bulgaria (Nevendiensten bij een kredietovereenkomst), C-714/22, EU:C:2024:263, punt 55].
31
Uit de overwegingen in de punten 26 tot en met 30 van het onderhavige arrest blijkt dat artikel 10, lid 2, onder g), van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat de verplichting om het JKP duidelijk en beknopt in een kredietovereenkomst te vermelden, niet mag worden gereduceerd tot een verbod op het vermelden van een percentage dat te laag is, aangezien een onjuiste opgave van het JKP in beginsel ook kan bestaan in een te hoge raming ervan.
32
Toestaan dat een kredietovereenkomst een te hoog geschat JKP vermeldt, zou namelijk het risico met zich meebrengen dat deze vermelding haar praktisch nut voor de consument verliest en zou bijgevolg de verwezenlijking ondermijnen van het doel dat wordt nagestreefd met de verplichting van artikel 10, lid 2, onder g), van richtlijn 2008/48, zoals dit doel blijkt uit de in de punten 28 en 29 van dit arrest aangehaalde rechtspraak.
33
Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat in casu uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat de verwijzende rechter uitgaat van de premisse, waarvan hij de gegrondheid niet aan het Hof ter bevestiging voorlegt, dat overeenkomstig artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 een aantal bedingen van de overeenkomst in kwestie buiten toepassing moeten worden gelaten omdat zij oneerlijk zijn, zodat het aldus berekende JKP lager is dan het oorspronkelijk in de overeenkomst vermelde JKP.
34
In dat verband moet in herinnering worden gebracht dat artikel 19, lid 3, van richtlijn 2008/48 bepaalt dat bij de berekening van het [JKP] wordt uitgegaan van de hypothese dat de kredietovereenkomst voor de overeengekomen tijdsduur geldt en dat de kredietgever en de consument hun verplichtingen nakomen binnen de termijnen en op de data die in die overeenkomst zijn bepaald.
35
Hieruit blijkt dat er aan de in artikel 10, lid 2, onder g), van deze richtlijn bedoelde verplichting tot vermelding van het JKP is voldaan wanneer het in de betrokken overeenkomst vermelde JKP overeenstemt met het volgens de wiskundige formule van bijlage I, deel I, bij die richtlijn berekende JKP op basis van de ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ in de zin van artikel 3, onder g), van die richtlijn; die totale kosten omvatten de kosten die de consument krachtens de voorwaarden van deze overeenkomst moet betalen, met inbegrip van de kosten die achteraf oneerlijk en niet-bindend voor de consument blijken te zijn.
36
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 10, lid 2, onder g), van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat een kredietovereenkomst een JKP vermeldt dat te hoog blijkt te zijn omdat bepaalde bedingen van die overeenkomst vervolgens oneerlijk in de zin van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 en bijgevolg niet-bindend voor de consument worden bevonden, op zich geen verzaking van de in die bepaling van richtlijn 2008/48 neergelegde informatieplicht oplevert.
Tweede vraag
37
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 10, lid 2, onder k), van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat in een kredietovereenkomst een aantal omstandigheden worden opgesomd die kunnen leiden tot een verhoging van de aan de uitvoering van de overeenkomst verbonden vergoedingen, zonder dat de consument evenwel kan nagaan of deze omstandigheden zich voordoen en wat de invloed ervan op die vergoedingen is, verzaking van de in deze bepaling neergelegde informatieplicht oplevert.
38
In dat verband zij eraan herinnerd dat krachtens artikel 10, lid 2, onder k), van richtlijn 2008/48 een kredietovereenkomst, naast de eventuele kosten voor het aanhouden van een of meer rekeningen voor de boeking van zowel betalingen als kredietopnemingen en de kosten voor het gebruik van een betaalmiddel, duidelijk en beknopt alle andere kosten moet vermelden die uit de kredietovereenkomst voortvloeien, alsmede de voorwaarden waaronder die kosten kunnen worden gewijzigd.
39
Volgens artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48, gelezen in samenhang met overweging 31 ervan, is het vereiste dat in een op papier of op een andere duurzame drager opgestelde kredietovereenkomst op duidelijke en beknopte wijze de in die bepaling bedoelde informatie wordt opgenomen, noodzakelijk opdat de consument kennis kan nemen van zijn rechten en verplichtingen (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014, punt 233 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40
De consument moet een goede kennis en een goed begrip hebben van de gegevens die de kredietovereenkomst overeenkomstig artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48 verplicht moet bevatten, teneinde deze overeenkomst goed te kunnen uitvoeren en met name zijn rechten te kunnen uitoefenen (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014, punt 234 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41
Om een goed begrip van deze gegevens overeenkomstig het in artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48 geformuleerde duidelijkheidsvereiste mogelijk te maken, moet de in een kredietovereenkomst opgenomen informatie dus vrij zijn van elke tegenstrijdigheid die een gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument objectief zou kunnen misleiden ten aanzien van de omvang van de rechten en plichten die hij aan deze overeenkomst ontleent (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014, punt 235 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42
Meer in het bijzonder is het met het oog op de naleving van het vereiste van duidelijk en begrijpelijk opgestelde contractuele bedingen, van wezenlijk belang te weten of in de kredietovereenkomst de voorwaarden voor terugbetaling van het krediet of de middelen om deze vast te stellen transparant worden gespecificeerd, zodat een dergelijke consument op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria kan inschatten welke economische gevolgen er voor hem uit voortvloeien (zie in die zin arrest van 9 juli 2015, Bucura, C-348/14, EU:C:2015:447, punt 54).
43
De bedingen van de kredietovereenkomst moeten dus met name op transparante wijze de reden en de wijze van variatie van de aan de te verlenen dienst verbonden vergoedingen vermelden, zodat de consument op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria kan anticiperen op eventuele wijzigingen in deze vergoedingen (zie in die zin arrest van 9 juli 2015, Bucura, C-348/14, EU:C:2015:447, punt 60).
44
Hieruit volgt dat artikel 10, lid 2, onder k), van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat de omstandigheden waarin de vergoedingen voor de uitvoering van een kredietovereenkomst kunnen worden gewijzigd op duidelijke en beknopte wijze in deze overeenkomst moeten worden vermeld; met name mag de omschrijving van deze omstandigheden, gelezen in samenhang met andere gegevens, geen onnauwkeurigheden bevatten die een gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument objectief kunnen misleiden over het bestaan van de gebeurtenissen die de wijziging teweeg kunnen brengen en over het verband tussen deze gebeurtenis en de wijziging van de vergoedingen (zie naar analogie arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014, punt 238).
45
In casu blijkt echter uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens, die in punt 14 van het onderhavige arrest zijn samengevat, dat de voorwaarden voor de wijziging van de vergoedingen voor de uitvoering van de betrokken overeenkomst werden vastgesteld op basis van voor de consument moeilijk controleerbare indicatoren, zowel vóór de sluiting van de overeenkomst als tijdens de uitvoering ervan. Het ging met name om variabele economische indicatoren, waaronder door de bank zelf gecontroleerde indicatoren, en om bepaalde andere indicatoren die in vage bewoordingen werden beschreven en die naar juridische ontwikkelingen in ruime zin verwezen. Aan deze vaststelling wordt overigens niet afgedaan door de omstandigheid dat de verhoging van de vergoedingen in het hoofdgeding in kwantitatief opzicht beperkt was tot maximaal 200 % en in tijdelijk opzicht tot maximaal vier keer per jaar, uiterlijk zes maanden na het intreden van de voorwaarde.
46
Het is derhalve aan de verwijzende rechter om in het licht van het voorgaande na te gaan in hoeverre een gemiddelde, normaal geïnformeerde, redelijk omzichtige en oplettende consument in het hoofdgeding in staat was om, gelet op de bewoordingen van de contractuele bedingen over de verhoging van de aan de uitvoering van de betrokken overeenkomst verbonden vergoedingen, de wijzigingen van de omvang van zijn verbintenis tijdens de uitvoering van deze overeenkomst duidelijk te onderkennen.
47
Gelet op een en ander moet op de tweede prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 10, lid 2, onder k), van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat in een kredietovereenkomst een aantal omstandigheden worden opgesomd die kunnen leiden tot een verhoging van de aan de uitvoering van de overeenkomst verbonden vergoedingen, zonder dat een normaal geïnformeerde, redelijk omzichtige en oplettende consument evenwel kan nagaan of deze omstandigheden zich voordoen en wat de invloed ervan op die vergoedingen is, verzaking van de in deze bepaling neergelegde informatieplicht oplevert, voor zover die vermelding de mogelijkheid van die consument om de omvang van zijn verbintenis te beoordelen, in gevaar kan brengen.
Derde vraag
48
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 23 van richtlijn 2008/48, gelezen in het licht van overweging 47 ervan, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die in geval van niet-nakoming van de aan de kredietgever in artikel 10, lid 2, van die richtlijn opgelegde informatieplicht voorziet in een uniforme sanctie, die erin bestaat dat het recht van de kredietgever op rente en vergoedingen vervalt, ongeacht de ernst van de niet-nakoming van deze plicht en ongeacht de gevolgen ervan voor de beslissing van de consument om de kredietovereenkomst te sluiten.
49
Uit de bewoordingen van artikel 23 van richtlijn 2008/48, gelezen in het licht van overweging 47 ervan, blijkt dat de lidstaten de regels moeten vaststellen inzake de sancties die gelden voor inbreuken op de ter uitvoering van die richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en de nodige maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden toegepast. Hoewel de keuze van de sancties bij de lidstaten blijft berusten, moeten de sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Dat betekent dat de strengheid van de sancties in verhouding dient te staan tot de ernst van de strafbaar gestelde feiten, met name door te verzekeren dat deze sancties een reële afschrikkende werking hebben, waarbij het algemene evenredigheidsbeginsel in acht dient te worden genomen [zie in die zin arrest van 21 maart 2024, Profi Credit Bulgaria (Nevendiensten bij een kredietovereenkomst), C-714/22, EU:C:2024:263, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
50
Hoewel het aan de verwijzende rechter, die bij uitsluiting bevoegd is om het nationale recht uit te leggen en toe te passen, staat om na te gaan of de sancties waarin zijn nationale recht voorziet, gelet op alle omstandigheden van het hoofdgeding, voldoen aan de in het punt 49 van het onderhavige arrest genoemde vereisten, kan het Hof hem in zijn prejudiciële beslissing toch preciseringen geven teneinde hem bij zijn beoordeling te leiden (zie naar analogie arrest van 11 januari 2024, Nárokuj, C-755/22, EU:C:2024:10, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51
De verwijzende rechter heeft in casu twijfels over de evenredigheid van de sanctie waarin het nationale recht voorziet, te weten het verval van het recht van de kredietgever op rente en vergoedingen. Hij is met name van mening dat de voorwaarden die de verhoging van de aan de uitvoering van de betrokken kredietovereenkomst verbonden kosten kunnen rechtvaardigen, voor de consument bij het sluiten van de overeenkomst niet relevant zijn, aangezien het oorspronkelijke bedrag van deze kosten betrekkelijk gering is in verhouding tot het verleende kredietbedrag.
52
Om ervoor te zorgen dat de consument volledig kennisneemt van de voorwaarden van de toekomstige uitvoering van de aangegane overeenkomst bij het sluiten daarvan, schrijft artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48 voor dat de kredietnemer over alle gegevens beschikt die de omvang van de door hem aangegane verbintenis kunnen beïnvloeden, zoals in de punten 39 tot en met 42 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht (zie in die zin arrest van 9 november 2016, Home Credit Slovakia, C-42/15, EU:C:2016:842, punt 66).
53
Verder blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat wanneer de kredietgever in de context van richtlijn 2008/48 een verplichting van essentieel belang niet nakomt, hij daarvoor overeenkomstig de nationale voorschriften kan worden bestraft doordat zijn recht op vergoeding van rente en kosten vervalt (arrest van 9 november 2016, Home Credit Slovakia, C-42/15, EU:C:2016:842, punt 69).
54
Hoewel een dergelijke sanctie ernstige gevolgen voor de kredietgever zou hebben, kan zij alleen onevenredig worden geacht bij niet-vermelding of onjuiste vermelding van gegevens — onder die bedoeld in artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48 — die naar hun aard het vermogen van de consument om te beoordelen waartoe hij zich verbindt, niet ongunstig beïnvloeden (zie naar analogie arrest van 9 november 2016, Home Credit Slovakia, C-42/15, EU:C:2016:842, punt 72).
55
De verplichting voor de kredietgever om overeenkomstig artikel 10, lid 2, onder k), van richtlijn 2008/48 in de kredietovereenkomst de voorwaarden te vermelden waaronder de voor de uitvoering van deze overeenkomst in rekening gebrachte kosten kunnen worden gewijzigd, is echter ook voor de consument van wezenlijk belang aangezien hij, om de omvang van zijn verbintenis te kunnen beoordelen — zoals blijkt uit de punten 41 en 42 van het onderhavige arrest —, op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de mogelijke wijzigingen van die kosten en bijgevolg de economische gevolgen daarvan voor hem moet kunnen voorzien, zelfs indien het oorspronkelijke bedrag van die kosten betrekkelijk gering is in verhouding tot het betrokken kredietbedrag.
56
Voorts blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat de gevolgen van niet-nakoming van de informatieverplichtingen met betrekking tot een kredietovereenkomst sterk variëren naargelang de specifieke informatie in kwestie, waarbij de ernst van de niet-nakoming daarnaast in de praktijk afhangt van het aantal en het belang van de gegevens die in de kredietovereenkomst ontbreken. Dergelijke inbreuken kunnen het voor de consument met name moeilijk maken om de rechten uit te oefenen die hij aan de kredietovereenkomst ontleent (zie in die zin arrest van 24 oktober 2024, Horyzont, C-339/23, EU:C:2024:918, punt 34).
57
Hieruit volgt dat — onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties — het evenredigheidsbeginsel zich er niet tegen verzet dat een lidstaat ervoor kiest om een uniforme sanctie vast te stellen die erin bestaat dat het recht van de kredietgever op rente en vergoedingen vervalt wegens niet-nakoming van verschillende in artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48 neergelegde informatieplichten, ook al kunnen de individuele ernst van de niet-nakoming van elk van deze plichten en de daaruit voor de consument voortvloeiende gevolgen van geval tot geval verschillen.
58
Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 23 van richtlijn 2008/48, gelezen in het licht van overweging 47 ervan, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die in geval van niet-nakoming van de aan de kredietgever in artikel 10, lid 2, van die richtlijn opgelegde informatieplicht voorziet in een uniforme sanctie, die erin bestaat dat het recht van de kredietgever op rente en vergoedingen vervalt, ongeacht de individuele ernst van de niet-nakoming van deze plicht, voor zover de niet-nakoming het vermogen van de consument om te beoordelen waartoe hij zich verbindt, in gevaar kan brengen.
Kosten
59
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 10, lid 2, onder g), van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad
moet aldus worden uitgelegd dat
het feit dat een kredietovereenkomst een jaarlijks kostenpercentage vermeldt dat te hoog blijkt te zijn omdat bepaalde bedingen van die overeenkomst vervolgens oneerlijk in de zin van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en bijgevolg niet-bindend voor de consument worden bevonden, op zich geen verzaking van de in die bepaling van richtlijn 2008/48 neergelegde informatieplicht oplevert.
- 2)
Artikel 10, lid 2, onder k), van richtlijn 2008/48
moet aldus worden uitgelegd dat
het feit dat in een kredietovereenkomst een aantal omstandigheden worden opgesomd die kunnen leiden tot een verhoging van de aan de uitvoering van de overeenkomst verbonden vergoedingen, zonder dat een normaal geïnformeerde, redelijk omzichtige en oplettende consument evenwel kan nagaan of deze omstandigheden zich voordoen en wat de invloed ervan op die vergoedingen is, verzaking van de in deze bepaling neergelegde informatieplicht oplevert, voor zover die vermelding de mogelijkheid van die consument om de omvang van zijn verbintenis te beoordelen, in gevaar kan brengen.
- 3)
Artikel 23 van richtlijn 2008/48, gelezen in het licht van overweging 47 ervan,
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich niet verzet tegen een nationale regeling die in geval van niet-nakoming van de aan de kredietgever in artikel 10, lid 2, van die richtlijn opgelegde informatieplicht voorziet in een uniforme sanctie, die erin bestaat dat het recht van de kredietgever op rente en vergoedingen vervalt, ongeacht de individuele ernst van de niet-nakoming van deze plicht, voor zover de niet-nakoming het vermogen van de consument om te beoordelen waartoe hij zich verbindt, in gevaar kan brengen.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 13‑02‑2025