Rb. Den Haag, 17-04-2025, nr. NL24.4582
ECLI:NL:RBDHA:2025:9533
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
17-04-2025
- Zaaknummer
NL24.4582
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2025:9533, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 30‑05‑2025; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBDHA:2025:6521, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 17‑04‑2025; (Tussenuitspraak)
Uitspraak 30‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Asiel Turkmenistan / einduitspraak - de rechtbank heeft eerder een tussenuitspraak gedaan en verweerder in de gelegenheid gesteld om aanvullend na te gaan en aanvullend te motiveren of de Oezbeekse nationaliteit en etniciteit van eiser in de weg staan aan het opleggen van een terugkeerbesluit ook al heeft eiser dit niet aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. - Verweerder dient uit het gehele relaas alle feiten en omstandigheden te destilleren die raakvlakken hebben met vluchtelingschap en/of ernstige schade en de verklaringen van de vreemdeling hierbij te plaatsen tegen de achtergrond van wat verweerder bekend is of bekend moet zijn uit algemene bronnen over het land of gebied van herkomst. De rechtbank merkt hierbij op dat er geen indicaties zijn dat eiser moet worden uitgesloten van internationale bescherming. Indien het beginsel van non-refoulement aan het opleggen en/of uitvoeren van een terugkeerbesluit in de weg zou staan, zal dit dan ook met grote mate van waarschijnlijkheid leiden tot de verlening van een internationale beschermingsstatus. -De rechtbank stelt vast dat met de aanvullende in het verweerschrift gegeven motivering alsnog voldoende zorgvuldig is onderzocht of aan eiser internationale bescherming moet worden verleend en voldoende is gemotiveerd dat de asielaanvraag niet hoeft te worden ingewilligd. - De rechtbank acht het niet nodig om in te gaan op de opmerkingen van verweerder over het door de rechtbank gehanteerde beoordelingskader. De rechtbank acht het ook niet noodzakelijk om een nadere prejudiciële vraag aan het Hof te stellen over het arrest Ararat. – beroep gegrond /vernietiging besluit / in stand laten rechtsgevolgen / PKV.
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.4582
einduitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] (V-nummer: [v-nummer]),
geboren op [eiser] 1988, Turkmeense nationaliteit, eiser,
(gemachtigde: mr. [gemachtigde]),
en
de Minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verweerder,
(gemachtigde: mr. S. van der Steen-Jhinnoe).
Procesverloop
Eiser heeft op 27 augustus 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
Bij brief van 13 december 2022 heeft verweerder eiser medegedeeld dat zijn asielaanvraag in de nationale procedure wordt behandeld omdat niet tijdig een claimverzoek is ingediend bij de autoriteiten van Polen.
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 30 januari 2024 de asielaanvraag van eiser in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Aan eiser wordt geen reguliere vergunning voor bepaalde tijd of uitstel van vertrek op medische gronden verleend. Dit besluit omvat een terugkeerbesluit, waarin aan eiser een vertrektermijn van vier weken is verleend en waarin is vermeld dat de terugkeerverplichting ziet op Turkmenistan.
Eiser heeft op 7 februari 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft op 21 februari 2024 aanvullende gronden van beroep ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 april 2025 op zitting behandeld.
Op 17 april 2025 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan en verweerder in de gelegenheid gesteld om aanvullend na te gaan en aanvullend te motiveren of de Oezbeekse nationaliteit en etniciteit van eiser in de weg staan aan het opleggen van een terugkeerbesluit (ECLI:NL:RBDHA:2025:6521).
Verweerder heeft gebruik gemaakt van de door de rechtbank geboden mogelijkheid om zijn besluit aanvullend te motiveren en heeft op 13 mei 2025 een briefverweer aan het dossier toegevoegd.
Eiser heeft op 14 mei 2025 gebruik gemaakt van de door de rechtbank geboden mogelijkheid om te reageren op het briefverweer.
De rechtbank heeft partijen op 14 mei 2025 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 21 mei 2025 aan te geven of zij een nadere behandeling ter zitting wensen. De rechtbank heeft hierbij aangegeven dat indien de rechtbank niets verneemt, de rechtbank er van uitgaat dat partijen toestemming geven om uitspraak te doen zonder nadere zitting.
Eiser heeft op 14 mei 2025 aangegeven geen nadere behandeling ter zitting te wensen. Verweerder heeft niet gereageerd.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 26 mei 2025 en heeft partijen geïnformeerd dat de rechtbank uiterlijk op 23 juni 2025 schriftelijk uitspraak zal doen.
Overwegingen
1. De rechtbank blijft bij al hetgeen zij heeft overwogen in de tussenuitspraak.
2. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak vastgesteld dat eiser geen gronden heeft aangevoerd tegen het besluit in die zin dat het stuk met als titel “aanvullende gronden” een letterlijke en identieke weergave van de zienwijze is en eiser dus niet heeft aangegeven waarom het besluit ontoereikend is gemotiveerd of inhoudelijk onjuist is.
3. De rechtbank heeft gelet op haar verplichting om het refoulementbeginsel te eerbiedigen, ook al heeft eiser geen beroepsgronden ingediend, ter zitting met partijen besproken dat eiser ook heeft verklaard dat hij Oezbeek is en dat dit tevens is vermeld in zijn paspoort en dat de tolk dit heeft bevestigd. Eiser heeft verklaard dat hij vanwege zijn etnische afkomst discriminatie heeft ondervonden, maar dat dit voor hem niet de reden van vertrek is geweest omdat hij vanwege studie is vertrokken. De rechtbank heeft overwogen dat verweerder alle relevante elementen geloofwaardig heeft geacht en het eerste relevante element ook de nationaliteit en herkomst van eiser omvat. Bij de duiding van de nationaliteit heeft verweerder evenwel nagelaten om te vermelden dat eiser ook de Oezbeekse nationaliteit heeft. Gelet op de verklaringen van eiser heeft verweerder dit eerste relevante element onvoldoende zorgvuldig benoemd en had verweerder moeten nagaan of de verklaringen van eiser over de door hem ondervonden discriminatie in verband met zijn Oezbeekse nationaliteit en etniciteit, bezien tegen de achtergrond van de relevante landeninformatie in de weg staan aan het opleggen van een terugkeerbesluit. Ook indien een vreemdeling feiten en omstandigheden niet als asielmotief benoemt, is verweerder immers gehouden om alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang en in samenwerking met de vreemdeling vast te stellen en te onderzoeken om vervolgens de beschermingsbehoefte grondig te (kunnen) onderzoeken. Verweerder dient dus uit het gehele relaas alle feiten en omstandigheden te destilleren die raakvlakken hebben met vluchtelingschap en/of ernstige schade en de verklaringen van de vreemdeling hierbij te plaatsen tegen de achtergrond van wat verweerder bekend is of bekend moet zijn uit algemene bronnen over het land of gebied van herkomst. De rechtbank merkt hierbij op dat er geen indicaties zijn dat eiser moet worden uitgesloten van internationale bescherming. Indien het beginsel van non-refoulement aan het opleggen en/of uitvoeren van een terugkeerbesluit in de weg zou staan, zal dit dan ook met grote mate van waarschijnlijkheid leiden tot de verlening van een internationale beschermingsstatus.
4. In het nader gehoor zijn meerdere vragen aan eiser gesteld om zijn verklaringen dat hij werd gediscrimineerd vanwege zijn Oezbeekse etniciteit en nationaliteit toe te lichten. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat de hoormedewerker terecht aanleiding heeft gezien om hier nadere vragen over te stellen ondanks dat eiser stelt vanwege studie zijn land van herkomst te hebben verlaten. De rechtbank heeft verweerder ter zitting gewezen op het ontbreken van een motivering in het besluit ten aanzien van een mogelijk risico bij terugkeer van eiser naar Turkmenistan vanwege zijn Oezbeekse nationaliteit en etniciteit. Gezien deze vragen en de daarop gegeven antwoorden is de vraag gerezen of de Oezbeekse nationaliteit en etniciteit in de weg staan aan het opleggen van een terugkeerbesluit. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om hier een standpunt over in te nemen.
5. Verweerder heeft in zijn standpunt na de tussenuitspraak allereerst aangegeven dat de rechtbank een onjuist toetsingskader zou hebben gehanteerd omdat de rechtbank de jurisprudentie van de Afdeling over de Bahaddar-exceptie moet volgen. Verweerder heeft vervolgens de beoordelingen van eiser over discriminatie onderzocht en gemotiveerd waarom deze verklaringen niet nopen tot het verlenen van bescherming. Verweerder heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat het arrest Ararat niet van toepassing is in de onderhavige procedure omdat niet eerder een asielprocedure is doorlopen en dat -volgens verweerder- in zo een situatie wel mag worden verlangd dat vreemdelingen bij een beroep op vrees voor refoulement een verzoek om internationale bescherming indienen. Verweerder acht het beroep primair niet-ontvankelijk, subsidiair ongegrond, meer subsidiair ongegrond met in stand lating van de rechtsgevolgen.
6. Eiser heeft in zijn reactie op het briefverweer aangegeven dat indien de rechtbank twijfelt over de toepasselijkheid van het arrest Ararat, de rechtbank hierover prejudiciële vragen moet stellen. Eiser vindt overigens dat verweerder ten onrechte zonder concrete onderbouwing of verwijzing naar actuele rapportages heeft volstaan met de stelling dat uit openbare bronnen niet is gebleken van discriminatie van Oezbeken in Turkmenistan. Eiser heeft verwezen naar landeninformatie over Turkmenistan om te onderbouwen dat sprake is van discriminatie van etnische minderheden, waaronder Oezbeken, en vindt dat in het besluit een op de persoon van eiser toegespitste motivering over de risico’s bij terugkeer ontbreekt.
7. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het briefverweer genoegzaam is ingegaan op de verklaringen die eiser heeft afgelegd over de door hem ondervonden discriminatie vanwege zijn Oezbeekse nationaliteit en etniciteit. Verweerder heeft benoemd wat eiser hierover heeft verklaard en verweerder heeft deugdelijk gemotiveerd dat hieruit niet blijkt dat eiser “zich niet maatschappelijk heeft kunnen handhaven (…) en dat hieruit niet volgt dat “eiser bij terugkeer onmiskenbaar een risico in de zin van artikel 3 van het EVRM zal lopen”. De rechtbank gaat er van uit dat verweerder hiermee heeft willen motiveren dat de door eiser ondervonden discriminatie niet zwaarwegend genoeg is om hem als vluchteling aan te merken en er geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging omdat niet is gebleken dat eiser vanwege de ondervonden discriminatie zo ernstig in zijn bestaansmogelijkheden beperkt is geweest of zal worden dat hij niet op maatschappelijk en sociaal gebied heeft kunnen functioneren en dat er overigens geen refoulementrisico is indien eiser dient terug te keren naar zijn land van herkomst. De rechtbank overweegt dat eiser weliswaar terecht heeft aangegeven dat minderheden in Turkmenistan worden gediscrimineerd, maar dat eiser niet heeft onderkend dat de mate waarin dit geschiedt bepalend is voor de beoordeling of internationale bescherming moet worden geboden. Eiser heeft ook met de door hem aangedragen landeninformatie niet onderbouwd dat Oezbeken in Turkmenistan dermate worden gediscrimineerd dat aan hem internationale bescherming moet worden geboden.
8. De rechtbank acht het niet nodig om in te gaan op de opmerkingen van verweerder over het door de rechtbank gehanteerde beoordelingskader. De rechtbank achtte het noodzakelijk dat verweerder zou nagaan of de Oezbeekse nationaliteit en etniciteit van eiser in de weg staan aan het opleggen van een terugkeerbesluit en dus dat verweerder zou onderzoeken of sprake is van een refoulementrisico en verweerder heeft dit (alsnog) genoegzaam gedaan. De rechtbank acht het niet noodzakelijk om een nadere prejudiciële vraag aan het Hof te stellen over het arrest Ararat. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak reeds overwogen dat de rechtbank uit artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 5 van deze richtlijn en met artikel 19, lid 2, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten en de uitleg van het Unierecht in het arrest Ararat afleidt dat de verplichting voor de rechter om ambtshalve een eventuele schending van het beginsel van non-refoulement vast te stellen die voortvloeit uit de uitvoering van een terugkeerbesluit ziet op de beoordeling van elk terugkeerbesluit en -in voorkomend geval- ook op de rechtmatigheidsbeoordeling van op een grond van een terugkeerbesluit gestoelde bewaringsmaatregel.
9. De rechtbank stelt vast dat het besluit een motiveringsgebrek kent en daarom moet worden vernietigd, maar dat met de aanvullende in het verweerschrift gegeven motivering alsnog voldoende zorgvuldig is onderzocht of aan eiser internationale bescherming moet worden verleend en voldoende is gemotiveerd dat de asielaanvraag niet hoeft te worden ingewilligd. Dit betekent ook dat verweerder terecht een terugkeerbesluit heeft vastgesteld omdat verweerder daartoe verplicht is op grond van richtlijn 2008/115. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren maar omdat er inmiddels een deugdelijke inhoudelijke beoordeling van het refoulementrisico heeft plaatsgevonden, bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven.
10. Omdat het besluit een motiveringsgebrek kent en wordt vernietigd, spreekt de rechtbank een proceskostenveroordeling uit. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.267,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na de bestuurlijke lus, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.) Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
11. Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 30 januari 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 30 januari 2024 in stand blijven.
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.267,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.A.E. van de Venne, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 30 mei 2025.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitspraak 17‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak asiel Turkmenistan – de argumenten van eiser worden niet gekwalificeerd als beroepsgronden – de rechtbank beoordeelt ambtshalve het refoulementrisico – anders dan bij Ararat is geen sprake van een eerder genomen TKB, maar de rechtbank leidt uit het Unierecht en de uitleg door het Hof in Ararat af dat de verplichting voor de rechter om ambtshalve een eventuele schending van het beginsel van non-refoulement vast te stellen die voortvloeit uit de uitvoering van een terugkeerbesluit ziet op de beoordeling van elk terugkeerbesluit en -in voorkomend geval- ook op de rechtmatigheidsbeoordeling van op een grond van een terugkeerbesluit gestoelde bewaringsmaatregel. – de rechtbank stelt verweerder in de gelegenheid om een aanvullend standpunt in te nemen over de verklaringen van eiser over zijn Oezbeekse nationaliteit en etniciteit – eiser heeft dit niet ten grondslag gelegd aan zijn asielaanvraag. - Ook indien een vreemdeling feiten en omstandigheden niet als asielmotief benoemt, is verweerder echter gehouden om alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang en in samenwerking met de vreemdeling vast te stellen en te onderzoeken om vervolgens de beschermingsbehoefte grondig te (kunnen) onderzoeken. Verweerder dient dus uit het gehele relaas alle feiten en omstandigheden te destilleren die raakvlakken hebben met vluchtelingschap en/of ernstige schade en de verklaringen van de vreemdeling hierbij dus te plaatsen tegen de achtergrond van wat verweerder bekend is of bekend moet zijn uit algemene bronnen over het land of gebied van herkomst.
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.4582 T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] (V-nummer: [V-nummer]),
geboren op [geboortedatum] 1988, Turkmeense nationaliteit, eiser,
(gemachtigde: mr. [advocaat]),
en
de Minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verweerder,
(gemachtigde: mr. S. van der Steen-Jhinnoe).
Procesverloop
Eiser heeft op 27 augustus 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
Bij brief van 13 december 2022 heeft verweerder eiser medegedeeld dat zijn asielaanvraag in de nationale procedure wordt behandeld omdat niet tijdig een claimverzoek is ingediend bij de autoriteiten van Polen.
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 30 januari 2024 de asielaanvraag van eiser in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Aan eiser wordt geen reguliere vergunning voor bepaalde tijd of uitstel van vertrek op medische gronden verleend. Dit besluit omvat een terugkeerbesluit, waarin aan eiser een vertrektermijn van vier weken is verleend en waarin is vermeld dat de terugkeerverplichting ziet op Turkmenistan.
Eiser heeft op 7 februari 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft op 21 februari 2024 aanvullende gronden van beroep ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 april 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. De gemachtigde van verweerder is ook verschenen.
Overwegingen
1. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is op 11 september 2019 uit Turkmenistan vertrokken om in Oekraïne te gaan studeren. Tijdens zijn studie brak de oorlog uit in Oekraïne. Onderweg naar Polen raakte eiser gewond aan zijn been door een kogel afgevuurd door een Russische soldaat. Na in een Oekraïens ziekenhuis te hebben gelegen, heeft hij Oekraïne verlaten en is hij naar Roemenië gereisd. In een Roemeens ziekenhuis is eiser ondervraagd door de Roemeense autoriteiten en het Turkmeense consulaat. Ook zijn de ouders en echtgenote van eiser drie tot vier keer benaderd door de Turkmeense autoriteiten met de vraag waar hij verbleef. Na een verblijf in Roemenië is eiser onder meer via Polen naar Nederland gereisd. Eiser vreest dat de Turkmeense autoriteiten hem als opposant zien omdat hij asiel heeft aangevraagd in het buitenland, langdurig buiten Turkmenistan heeft verbleven en gewond is geraakt door een Russische kogel in Oekraïne. Eiser vreest dat hij hiervoor strafrechtelijk wordt vervolgd en een gevangenisstraf krijgt. Tot slot stelt eiser een heupprothese nodig te hebben. De daarmee gepaard gaande behandeling zou in Turkmenistan echter niet mogelijk zijn.
2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
-Identiteit, nationaliteit en herkomst.
-Het indienen van een asielaanvraag in het buitenland.
-Gewond raken door Russische kogel in Oekraïne.
-Langdurig verblijf buiten Turkmenistan.
3. Verweerder vindt de relevante elementen geloofwaardig, maar deze elementen zijn volgens verweerder niet zwaarwegend genoeg om te concluderen dat eiser vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Verweerder concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
4. Volgens verweerder heeft eiser zijn vrees om bij terugkeer naar Turkmenistan als opposant te worden gezien en daarvoor een gevangenisstraf zal krijgen, niet aannemelijk gemaakt. Eiser baseert zijn vrees enkel op zijn eigen vermoedens en kan dit niet met concrete aanknopingspunten onderbouwen. Bovendien heeft eiser al eerder langdurig buiten Turkmenistan verbleven zonder te voldoen aan het door eiser gestelde terugkeervereiste, hij heeft namelijk van december 2011 tot februari 2014 in Turkije verbleven. Het enkele feit dat eiser en zijn familie zijn benaderd door de Turkmeense autoriteiten is onvoldoende om ervan uit te gaan dat eiser in de negatieve belangstelling staat. Bovendien is gebleken dat eisers paspoort nadien op 2 augustus 2022 door de Turkmeense ambassade in Duitsland is verlengd tot 31 december 2024 en niet is gesteld of gebleken dat eiser hierbij problemen heeft ondervonden. De (onvertaalde) informatie over de algemene situatie in Turkmenistan waar eiser naar verwijst heeft geen betrekking op eiser in persoon of op vergelijkbare situaties. Tot slot heeft eiser in het kader van een mogelijke Dublinoverdracht aan Polen verklaard dat hij beter naar huis of, zodra de oorlog voorbij zou zijn, naar Oekraïne kon terugkeren als zou blijken dat Polen verantwoordelijk was voor zijn asielaanvraag. Niet wordt ingezien dat eiser zelf liever terugkeert naar Turkmenistan dan naar een andere Europese lidstaat, indien de door hem gestelde vrees reëel zou zijn geweest. Eisers verklaring doet daarom afbreuk aan de aannemelijkheid van de door hem gestelde vrees.
5. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Verder vindt eiser dat er wel sprake is van een gegronde vrees voor vervolging. Hij zal door de Turkmeense autoriteiten als opposant worden gezien. Zij zullen denken dat hij aan de zijde van Oekraïne heeft gevochten, hetgeen niet alleen is gebaseerd op eisers verklaringen maar ook objectief kan worden vastgesteld. Eiser is beschoten en de autoriteiten zullen daardoor denken dat hij actief heeft deelgenomen aan de oorlog. Het kan niet worden uitgesloten dat eiser een gevangenisstraf zal krijgen, omdat hij langdurig in het buitenland heeft verbleven en omdat de autoriteiten zullen denken dat hij heeft deelgenomen aan de oorlog tegen Rusland. Daardoor wordt eiser blootgesteld aan een situatie zoals bedoeld in artikel 3 EVRM. Eiser zal in de negatieve belangstelling van zijn land van herkomst komen te staan. Eisers asielrelaas dient als geloofwaardig te worden beschouwd. Verweerder heeft dit miskend en daarom is het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen en niet voldoende gemotiveerd.
6. De rechtbank overweegt dat de beroepsgronden gelijkluidend zijn aan de zienswijze en dat in beroep uitsluitend is toegevoegd dat “ook de nevenbesluiten terugkeerbesluit en inreisverbod moeten worden vernietigd” en verzocht wordt om een proceskostenveroordeling. De rechtbank heeft gemachtigde van eiser ter zitting in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren en heeft daarbij aangegeven dat in het besluit is ingegaan op al de aangedragen argumenten van eiser en dat overigens is opgemerkt in het besluit dat in de zienswijze nagenoeg niet is ingegaan op de motivering in het voornemen. Gemachtigde heeft zich op het standpunt gesteld dat hij geen andere argumenten dan de in de zienwijze aangedragen argumenten heeft en dat hij meent dat het wel voldoende is om een inhoudelijke beoordeling van deze argumenten door de rechtbank te verkrijgen.
7. De rechtbank volgt dit niet en stelt vast dat er in de beroepsgronden niet is aangegeven waarom het besluit ontoereikend is gemotiveerd of inhoudelijk onjuist is. De rechtbank stelt niet alleen vast dat de strekking van de beroepsgronden vergelijkbaar is met de strekking van de in de zienswijze argumenten, maar dat exact dezelfde bewoordingen zijn gebezigd. Het stuk met als titel “aanvullende gronden” is eenvoudigweg een letterlijke en identieke weergave van de zienwijze. De toevoeging aan de afsluitende zin dat het beroep gegrond moet worden verklaard en “dat ook de nevenbesluiten moeten worden vernietigd” leiden niet tot een andere conclusie. Eiser heeft geen inhoudelijke argumenten aangedragen tegen het terugkeerbesluit. Eiser vindt dat het inreisverbod moet worden vernietigd. Verweerder heeft echter geen inreisverbod uitgevaardigd, zodat de rechtbank dit ook niet als beroepsgrond kwalificeert.
8. De enkele herhaling van de zienswijze in beroep kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in vaste jurisprudentie van de Afdeling. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van 4 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2169), waarnaar de Afdeling heeft verwezen in bijvoorbeeld de uitspraak van 7 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1028).
9. De rechtbank zal evenwel het beroep niet niet-ontvankelijk verklaren omdat de rechtbank altijd een inhoudelijke beoordeling zal moeten maken van het refoulementrisico en het beroep dan, als het niet gegrond is, ongegrond zal moeten worden verklaard. Uit richtlijn 2008/115 volgt dat de lidstaten het beginsel van non-refoulement moeten eerbiedigen en deze verplichting geldt ook voor de rechterlijke autoriteit. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van het Hof van 17 oktober 2024 in de zaak Ararat (arrest van het Hof van 17 oktober 2024 in de zaak Ararat, K.L.M.N. tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-156/23, ECLI:EU:C:2024:892). Het Hof heeft in dit arrest onder meer voor recht verklaard dat artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 5 van deze richtlijn en met artikel 19, lid 2, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, aldus moet worden uitgelegd dat het een nationale rechter die wordt aangezocht om de rechtmatigheid te toetsen van een handeling waarbij de bevoegde nationale autoriteit een aanvraag voor een verblijfsvergunning waarin het nationale recht voorziet heeft afgewezen en daarmee de opschorting van de uitvoering van een eerder in het kader van een internationale beschermingsprocedure genomen terugkeerbesluit heeft beëindigd, verplicht om ambtshalve een eventuele schending van het beginsel van non-refoulement vast te stellen die voortvloeit uit de uitvoering van dit besluit, op basis van de hem ter kennis gebrachte elementen van het dossier, zoals aangevuld of toegelicht na een procedure op tegenspraak.
10. De rechtbank overweegt dat anders dan in de procedure die ten grondslag lag aan het bovengenoemde arrest, in de onderhavige procedure geen sprake is van de opschorting van de uitvoering van een eerder in het kader van een internationale beschermingsprocedure genomen terugkeerbesluit, omdat er eenvoudigweg niet eerder een terugkeerbesluit jegens eiser is genomen. De rechtbank leidt echter uit artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 5 van deze richtlijn en met artikel 19, lid 2, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten en de uitleg van het Unierecht in het arrest Ararat af dat de verplichting voor de rechter om ambtshalve een eventuele schending van het beginsel van non-refoulement vast te stellen die voortvloeit uit de uitvoering van een terugkeerbesluit ziet op de beoordeling van elk terugkeerbesluit en -in voorkomend geval- ook op de rechtmatigheidsbeoordeling van op een grond van een terugkeerbesluit gestoelde bewaringsmaatregel.
11. De rechtbank heeft gelet op haar verplichting om het refoulementbeginsel te eerbiedigen, ook al heeft eiser geen beroepsgronden ingediend, aan verweerder voorgehouden dat eiser ook heeft verklaard dat hij Oezbeek is. Dat is tevens vermeld in zijn paspoort en de tolk heeft dit bevestigd (nader gehoor, pag. 9). Eiser heeft verklaard dat hij vanwege zijn etnische afkomst discriminatie heeft ondervonden, maar dat dit voor hem niet de reden van vertrek is geweest omdat hij vanwege studie is vertrokken. De rechtbank overweegt dat verweerder alle relevante elementen geloofwaardig geacht en het eerste relevante element ook de nationaliteit en herkomst van eiser omvat. Bij de duiding van de nationaliteit heeft verweerder evenwel nagelaten om te vermelden dat eiser ook de Oezbeekse nationaliteit heeft. Gelet op de verklaringen van eiser heeft verweerder dit eerste relevante element onvoldoende zorgvuldig benoemd en had verweerder moeten nagaan of de verklaringen van eiser over zijn Oezbeekse nationaliteit en etniciteit, bezien tegen de achtergrond van de relevante landeninformatie in de weg staan aan het opleggen van een terugkeerbesluit. Ook indien een vreemdeling feiten en omstandigheden niet als asielmotief benoemt, is verweerder gehouden om alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang en in samenwerking met de vreemdeling vast te stellen en te onderzoeken om vervolgens de beschermingsbehoefte grondig te (kunnen) onderzoeken. Verweerder dient dus uit het gehele relaas alle feiten en omstandigheden te destilleren die raakvlakken hebben met vluchtelingschap en/of ernstige schade en de verklaringen van de vreemdeling hierbij dus te plaatsen tegen de achtergrond van wat verweerder bekend is of bekend moet zijn uit algemene bronnen over het land of gebied van herkomst.
12. In het nader gehoor zijn wel meerdere vragen aan eiser gesteld om zijn verklaringen dat hij werd gediscrimineerd vanwege zijn Oezbeekse etniciteit en nationaliteit toe te lichten. De rechtbank overweegt dat de hoormedewerker terecht aanleiding heeft gezien om hier nadere vragen over te stellen ondanks dat eiser stelt vanwege studie zijn land van herkomst te hebben verlaten.
13. De rechtbank heeft verweerder ter zitting gewezen op het ontbreken van een motivering in het besluit ten aanzien van een mogelijk risico bij terugkeer van eiser naar Turkmenistan vanwege zijn Oezbeekse nationaliteit. Gezien deze vragen en de daarop gegeven antwoorden rijst de vraag of de Oezbeekse nationaliteit en etniciteit in de weg staan aan het opleggen van een terugkeerbesluit. Omdat verweerder deze vraag ter zitting niet heeft kunnen beantwoorden, stelt de rechtbank verweerder in de gelegenheid om hierover binnen vier weken na verzending van deze uitspraak schriftelijk een aanvullend standpunt in te nemen. Verweerder wordt ook verzocht aan te geven of dit aanvullende standpunt aanleiding is voor handhaving, wijziging of intrekking van het bestreden besluit. De rechtbank zal eiser in de gelegenheid stellen om te reageren op het door verweerder aanvullend in te nemen standpunt.
14. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen vier weken na plaatsing van deze tussenuitspraak in het digitale dossier de onder punt 13 geformuleerde vraag schriftelijk te beantwoorden;
-zal eiser in de gelegenheid stellen om te reageren op de reactie van verweerder;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.A.E. van de Venne, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 17 april 2025.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.