Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/12.4.5.6
12.4.5.6 De gelaedeerde heeft pech
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS366064:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Croiset van Uchelen (2010A, par. 12) stelt dat verzoeker waarschijnlijk niet aansprakelijk is en laat in het midden wie dan wel aansprakelijk is. Dat zou kunnen impliceren dat hij meent dat niemand aansprakelijk is.
Zie par. 5.3.
Zie par. 5.5.
Zie par. 5.5.3.
EHRM 7 november 2002, JOR 2005/111 m.nt. Vossestein (Sovtransavto). Zie voor een samenvatting van de daarop volgende rechtspraak EHRM 3 april 2012, application nr. 54522/00 (Kotov).
EHRM 14 oktober 2008, application nr. 70930/01 (Blumberga).
Aldus Asser/Hartkamp en Sieburgh 6-II, nr. 19.
Op grond van hetgeen in de voorgaande paragrafen is uiteengezet, kan men zich afvragen of er wel iemand aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die is geleden als gevolg van een beschikking waarin ten onrechte (onmiddellijke) voorzieningen zijn getroffen (ten onrechte omdat deze beschikking vervolgens wordt vernietigd).1 Er lijkt alleen een grote mate van zekerheid te zijn dat iemand aansprakelijk kan worden gehouden, indien de vennootschap zelf verzoekt om bij (onmiddellijke) voorzieningen het voor haar mogelijk te maken om bepaalde aandeelhoudersrechten te negeren, de ondernemingskamer dat verzoek toewijst (op enkel door de vennootschap aangedragen gronden) en de desbetreffende aandeelhoudersrechten vervolgens worden genegeerd door de vennootschap, maar na cassatie komt vast te staan dat de desbetreffende rechten hadden moeten worden geëerbiedigd. In dat geval lijkt mij lastig te verdedigen dat de vennootschap niet aansprakelijk is. In alle andere gevallen is er steeds een goede kans dat aansprakelijkheidsvorderingen afketsen op vragen rond toerekening en de vraag of het onrechtmatige daadsleerstuk überhaupt wel van toepassing is. Aldus is denkbaar dat als gevolg van ten onrechte getroffen (onmiddellijke) voorzieningen schade wordt geleden door de vennootschap of één of meer van de bij haar organisatie betrokkenen en zij deze schade op niemand kunnen verhalen, ondanks een evidente inbreuk op hun rechten.
Het is de vraag of dat verenigbaar is met art. 1 EP, althans in die gevallen dat de desbetreffende (onmiddellijke) voorziening een inmenging in art. 1 EP vormt.2 Indien in cassatie komt vast te staan dat deze (onmiddellijke) voorzieningen niet hadden mogen worden getroffen, kan betoogd worden dat deze inmenging niet is voorzien bij wet of niet proportioneel is en dus is sprake van een inbreuk op art. 1 EP. Indien het Nederlandse recht slechts partieel redres biedt in een dergelijke situatie, kan het EHRM een billijke genoegdoening toekennen aan de gelaedeerde indien dat nodig is. Ergo, indien het Nederlandse privaatrecht meebrengt dat degene die schade heeft geleden door ten onrechte getroffen (onmiddellijke) voorzieningen daarvoor niemand aansprakelijk kan houden, zou via de band van art. 41 EVRM de Staat wel eens voor de schade kunnen opdraaien. Dat komt in het bijzonder overtuigend voor, indien naar Nederlands privaatrecht zou gelden de Nederlandse Staat aansprakelijk zou zijn op grond van onrechtmatige daad, ware het niet dat het onrechtmatige daadsleerstuk niet van toepassing is op onrechtmatige rechtspraak.
Een dergelijke aansprakelijkheid lijkt ook voort te vloeien uit art. 1 EP. Onder omstandigheden kan op EVRM-lidstaten een positieve verplichting rusten positieve maatregelen te nemen die nodig zijn om het recht van ongestoord genot van eigendom te beschermen.3 Dergelijke maatregelen kunnen bestaan uit het invoeren van wetgeving die houders van een eigendomsrecht in de zin van art. 1 EP beschermt en de handhaving daarvan. Bij het aannemen van dergelijke positieve verplichtingen put het EHRM inspiratie uit andere EVRM bepalingen.4 De gelaedeerde dient toegang te hebben tot een procedure die voldoet aan art. 6 EVRM.5 In deze procedure moet de gelaedeerde een beroep kunnen doen op bepalingen van privaatrecht die zijn eigendomsrecht beschermen. Indien dit passend is, dient de gelaedeerde ook een schadevergoeding te kunnen vorderen.6 Indien in een dergelijk geval geen schadevergoeding kan worden gevorderd van een private partij, is de billijke genoegdoening door de Staat het alternatief. In de navolgende paragraaf zal worden besproken in hoeverre het passend is dat een schadevergoeding van een private partij kan worden gevorderd.
Eerst wordt nog gewezen op het EU-recht. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat het nationale recht een adequate schadevergoeding moet bieden bij een schending van een regel van Unierecht die commerciële belangen beschermt.7 Dat zou kunnen leiden tot staatsaansprakelijkheid, in het geval het Nederlandse recht geen adequate schadevergoeding biedt met betrekking tot een schending van een uit een EU-richtlijn voortvloeiend recht in een beschikking van de ondernemingskamer die later wordt vernietigd.