Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/19.2.2.1:19.2.2.1 Aanbevelingen voor het EHRM
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/19.2.2.1
19.2.2.1 Aanbevelingen voor het EHRM
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS455791:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 15.3.3.
Zij het dat het Hof van Justitie in elk geval voor wat betreft overlevering in geval van gebrekkige detentieomstandigheden eenzelfde benadering kiest als het EHRM, HvJ 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het startpunt voorde belangrijkste aanbeveling aan het adres van het EHRM is de vaststelling dat de bestaande lijn in de rechtspraak van het Straatsburgse hof grenzen stelt aan de werking van het vertrouwensbeginsel. Deze zijn eerder uitgebreid onderzocht en worden daarom niet in detail herhaald, maar kort en goed komt het erop neer dat elke verdragsstaat een eigen verantwoordelijkheid heeft de mensenrechten van een justitiabele in haar jurisdictie te waarborgen. Deze verantwoordelijkheid kan onder omstandigheden in de weg staan aan strafrechtelijke samenwerking met een andere staat, ook indien die andere staat eveneens partij is bij het EVRM, hetgeen in de EU per definitie het geval is. Eerder werd duidelijk dat het Hof van Justitie deze verantwoordelijkheid in algemene zin anders ziet.1 In het algemeen echter meent het Luxemburgse hof dat de samenwerking op basis van onderling vertrouwen dient te prevaleren en ziet aldus geen ruimte voor een belemmerende werking van het EVRM.2
In mijn optiek stelt het EHRM evenwel terecht grenzen aan deze samenwerking op basis van onderling vertrouwen. Het doet dat genuanceerd en biedt verdragsstaten wel degelijk ruimte om onder omstandigheden van onderling vertrouwen uit te gaan, maar in bijzondere, concreet te beoordelen gevallen is dat anders. Een belangrijk voorbeeld is het voorkomen van een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Daarbij kunnen garanties een belangrijke rol spelen en op concreet verleende garanties kan de uitvoerende verdragspartij vertrouwen. De vraag is dan echter nog steeds of de garanties toereikend zijn om een reëel risico van een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling weg te nemen. Is dat niet zo, dan staat het EVRM aan de samenwerking, bijvoorbeeld overlevering, in de weg. Mijns inziens doet het EHRM er goed aan om aan die rechtspraak vast te houden. Niet alleen door de stellingname van het Hof van Justitie, maar vooral ook door de opstelling van meer Eurosceptisch ingestelde lidstaten van de EU, is te verwachten dat deze lijn in de rechtspraak onder druk komt te staan. Zeker in een tijd waarin sprake is van een actuele terreurdreiging en terreurverdachten worden aangehouden en overgeleverd, is het risico van mensenrechtenschendingen reëel. Het is aan te bevelen dat het EHRM ook bij samenwerking binnen de EU vasthoudt aan zijn rechtspraak gebaseerd op de territoriale aansprakelijkheid van elke verdragspartij.