De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.4.1:4.4.1 Inleiding
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.4.1
4.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS369712:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op het meest basale niveau is een rechtspersoon een combinatie van regels en personen. Daaruit volgt dat (on)wenselijk gedrag van de rechtspersoon altijd kan worden teruggebracht tot deze twee factoren, of een combinatie daarvan.1 Eén van deze factoren – namelijk de regels – kan deels door de gebruikers van rechtspersonen zelf worden ingevuld, maar is deels dwingendrechtelijk door de wetgever bepaald.2 Door de desbetreffende dwingendrechtelijke bepalingen wordt het gedrag (van de organen) van vennootschappen in een bepaald keurslijf gedwongen. Op de punten waar dit keurslijf ontbreekt, kunnen partijen er zelf voor kiezen om door middel van regels het gedrag (van de organen) van vennootschappen in een bepaalde richting te duwen, of juist geen regels te introduceren en dus alle opties open te houden. In deze paragraaf wordt besproken welke gedachten hierachter schuil gaan.3
Deze bespreking vormt de opmaat naar het derde luik. Daar wordt onderzocht welke implicaties het voor het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen heeft dat op een bepaald punt is gekozen voor dwingend recht, dan wel (beperkte) partij autonomie. Anders gezegd: wat moet de ondernemingskamer met het feit dat de wetgever heeft bepaald dat private partijen niet kunnen afwijken van een bepaalde wettelijke bepaling? Geldt dat ook onverkort voor de ondernemingskamer, of kan de reden dat de wetgever koos voor dwingend recht niet onverkort worden toegepast op het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen door de ondernemingskamer? En hoe zit het met het feit dat de wetgever willens en wetens op bepaalde punten private partijen de mogelijkheid biedt om zelf een regeling te treffen? Betekent dit dat de ondernemingskamer deze regeling reeds bij de minste aanleiding kan passeren, of dient zij zich juist daar waar de partijautonomie het grootst is terughoudend op te stellen?