Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/2.3.2
2.3.2 Voorbeelden van bestuurlijke boetebepalingen, het karakter van de boeten
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS463239:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Onder een vaste boete versta ik een vaststaand, absoluut boetebedrag dat opgelegd wordt per afzonderlijke overtreding. Variabele boeten zijn alle overige niet-vaste boeten.
Van deze boete kon men zich bevrijden als men zich binnen acht dagen na de (ambtshalve) beschrijving bij de ontvanger meldde en om een aangiftebiljet verzocht.
Overigens twijfel ik over het leedtoevoegende karakter van de boete van artikel 27 Wet PB 1806. Dit artikel bepaalt dat een boete van vijfentwintig gulden zal worden geheven voor elke maand dat de belastingplichtige in verzuim is bepaalde bescheiden zoals (kopieën van) huurcontracten in te dienen. Een dergelijke boetebepaling heeft naar mijn mening aardig wat weg van een dwangsom, wat niet wegneemt dat ook zo’n dwangsom door de toenmalige overheidsinstantie als leedtoevoegend kon zijn bedoeld.
De aanhef van artikel 24 Wet PB 1806 luidt nota bene “straffen der fraudateurs”.
Zie onderdeel 2.1.
In de Wet op de Personeele Belasting van 1806 (hierna: Wet PB 1806) komen verschillende bepalingen voor met betrekking tot vaste en variabele boeten.1 Vaste boeten werden onder meer belopen voor het niet meewerken bij het beschrijven van het onroerende goed (boete van honderd gulden, artikel 3 Wet PB 1806), in geval van afwezigheid bij het beschrijven van het onroerende goed (boete van twaalf gulden, artikel 4 Wet PB 1806)2 en bij het niet-afgeven van een extract (boete van honderd gulden, artikel 26 Wet PB 1806). De variabele boeten waren afhankelijk van de hoogte van de extra verschuldigde belastingen als gevolg van waarderingsverschillen (artikel 18 Wet PB 1806), de hoogte van de niet-aangegeven jaarhuur (artikel 24 Wet PB 1806) en het aantal maanden waarmee de termijn voor het aanleveren van de noodzakelijke informatie werd overschreden (artikel 27 Wet PB 1806).
De bestuurlijke boeten in de Wet PB 1806 hebben mijns inziens over het algemeen3 een duidelijk leedtoevoegend strafkarakter. Dit blijkt uit onder meer de gehanteerde termen, zoals ‘boete’ en ‘straffen’,4 maar ook uit het feit dat boeten waren verschuldigd terzake van formaliteiten, zonder dat direct sprake was van een belastingnadeel; men kwam daardoor ‘in de min’.5 Ook de variabele boeten betroffen vaak een veelvoud van het belastingnadeel, zodat ook deze boeten een leedtoevoegende, punitieve werking hadden.