Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/3.4.4
3.4.4 Mate van harmonisatie
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS501150:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Europees financieel recht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Barents/Brinkhorst, Grondlijnen van Europees recht (2006), p. 424-425.
Zie § 3.6 voor de betekenis van de begrippen 'lidstaat van herkomst' en 'lidstaat van ontvangst'.
Zie Kamerstukken H, 2004-2005, 29 827, nr. 3, p. 15. In dezelfde zin Grundmann-van de Krol/ Kristen, Serie OO&R, deel 34(2008), p. 43. Dat met art. 6 leden 1 tot en met 3 van de Richtlijn marktmisbruik volledige harmonisatie is beoogd, blijkt eveneens uit de Transparantierichtlijn. Zo wordt in art. 3 lid 2 onderdeel a van de Transparantierichtlijn bepaald dat het de lidstaat van ontvangst niet is toegestaan aan een uitgevende instelling strengere informatieverplichtingen op te leggen dan die uit hoofde van art. 6 van de Richtlijn marktmisbruik. Weliswaar bepaalt art. 3 lid 1 van de Transparantierichtlijn dat het de lidstaat van herkomst wel is toegestaan om een uitgevende instelling strengere verplichtingen op te leggen, maar deze vrijheid is beperkt tot strengere verplichtingen dan uit hoofde van de Transparantierichtlijn. Gelijk bekend, is de openbaarmakingsplicht niet geregeld in de Transparantierichtlijn, maar in de Richtlijn marktmisbruik.
Zie overweging 11 uit de preambule van de Richtlijn marktmisbruik.
Volgens art. 95 EG-Verdrag gold voor de harmonisatie die nodig is om de interne markt als bedoeld in art. 14 EG-Verdrag te realiseren — in afwijking van de unanimiteitseis van art. 94 EG-Verdrag besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid door de Raad en het volgen van de medebeslissingspmcedure van art. 251 EG-Verdrag. Art. 14 lid 2 EG-Verdrag omschreef de interne markt als 'een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd volgens de bepalingen van dit Verdrag'. Zie Barents/Brinkhorst, Grondlijnen van Europees recht (2006), p. 306-309 en 420-429.
Hoewel Moloney van oordeel is dat de Richtlijn marktmisbruik vorm is gegeven als een 'minimumstandards measure', leidt het toepassen van de Lamfalussy-procedure er feitelijk toe dat een resultaat wordt bereikt dat met volledige harmonisatie overeenkomt. Zo bevatten de technische uitvoeringsmaatregelen van het tweede niveau een grote mate van detaillering waardoor voor de lidstaten (vrijwel) geen 'vrije ruimte' meer overblijft. Daar komt de vijandigheid van de markt tegen goldplating dan nog bij. Wordt op het tweede niveau voor het rechtsinstrument van de verordening gekozen, dan is die 'vrije ruimte' voor de lidstaten geheel uitgesloten. Ten slotte leidt de op het derde niveau van de Lamfalussy-procedure gegeven guidance eveneens tot meer duidelijkheid over en convergentie van de wet- en regelgeving in de lidstaten. Zie Moloney, EC Securities Regulation (2008), p. 34-37.
Een caleidoscopisch overzicht van de wijze waarop de lidstaten gebruik hebben gemaakt van de vrijheid om een eigen invulling te geven aan de Richtlijn marktmisbruik is te vinden in een rapport dat door het Review Panel van CESR is opgesteld. Zie Review Panel Report, MAD Options and Discretions, 29 maart 2010, CESR/09-1120. Voor zover relevant voor deze studie, blijken grote verschillen tussen de lidstaten te bestaan ten aanzien van onderwerpen zoals: (i) de bevoegdheid van de lidstaten om te verlangen dat uitgevende instellingen de bevoegde autoriteit in kennis stelt van een besluit om de openbaarmaking van voorwetenschap uit te stellen (art. 6 lid 2, tweede zin), (ii) de openbaarmaking door de bevoegde autoriteit van opgelegde maatregelen en sancties (art. 14 lid 4) en (iii) de bevoegdheid van de bevoegde autoriteit met betrekking tot de naleving van de openbaarmakingsplicht alle maatregelen te nemen die nodig zijn opdat het publiek juist wordt geïnformeerd (art. 6 lid 7). Met het oog op de wenselijk geachte toezichtconvergentie beveelt CESR aan dat met deze bevindingen rekening wordt gehouden bij de voorgenomen herziening van de Richtlijn marktmisbruik (zie het persbericht van CESR van 6 april 2010 (CESR/10-262)).
Bij de omzetting van een richtlijn in nationale voorschriften dient de wetgever zich goed rekenschap te geven van de mate van harmonisatie die met de richtlijn wordt beoogd. De mate (of intensiteit) van harmonisatie is bepalend voor de speelruimte die de lidstaten al dan niet wordt gelaten om eigen, van de richtlijn afwijkende of aanvullende voorschriften op te stellen. Te onderscheiden zijn daarbij minimumharmonisatie en volledige harmonisatie.1 In het geval van minimumharmonisatie schrijft een richtlijn een zeker minimum aan regulering voor. Van die minimumregeling mogen de lidstaten naar beneden toe niet afwijken. De lidstaten zijn daarentegen wel bevoegd om aanvullende of strengere voorschriften vast te stellen en daarmee een hoger niveau van regulering tot stand te brengen. Strekt een richtlijn daarentegen tot volledige harmonisatie, dan ontbreekt de bevoegdheid van de lidstaten om afwijkende voorschriften vast te stellen zowel naar boven als naar beneden. De wetgever moet in dat geval zowel de ondergrens als de bovengrens van de regulering respecteren. Dit betekent dat de omzettingsvoorschriften gelijkwaardig moeten zijn aan de bepalingen uit de richtlijn. Hiermee is overigens niet gezegd dat de omzettingsvoorschriften ook woordelijk gelijk zouden moeten zijn aan de richtlijnbepalingen.
In één en dezelfde richtlijn zijn ook mengvormen denkbaar. Zo is het mogelijk dat binnen één richtlijn sommige bepalingen gericht zijn op volledige harmonisatie, terwijl andere bepalingen slechts minimumharmonisatie beogen. Een bijzondere mengvorm laat de Transparantierichtlijn zien. Een onderscheid wordt daarbij gemaakt tussen de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst van een uitgevende instelling.2 In dit geval houdt de mengvorm in dat het de lidstaat van ontvangst verboden is om aanvullende of strengere voorschriften — in dit geval voor uitgevende instellingen geldende informatieverplichtingen — op te leggen. De lidstaat van herkomst van een uitgevende instelling mag dat wel.3
Uit een analyse van de Richtlijn marktmisbruik volgt dat met de voorschriften aangaande de openbaarmakingsplicht van uitgevende instellingen onmiskenbaar volledige harmonisatie is beoogd.4 Steun kan daarvoor worden geput uit de doelstelling, de rechtsgrondslag en de bewoordingen van de Richtlijn marktmisbruik. Zo hebben wij in § 3.2 gezien dat de door de Europese Unie ondernomen initiatieven om de wet- en regelgeving van de lidstaten op het terrein van het effectenverkeer te harmoniseren onvoldoende vruchten hebben afgeworpen. Met behulp van het Actieplan Financiële Diensten werd beoogd de tekortkomingen van eerdere richtlijnen die voorzien in minimumharmonisatie te ondervangen door een rigoureus andere koers in te zetten. In de preambule van de Richtlijn marktmisbruik5 lezen we dan ook:
"Het bestaande rechtskader van de Gemeenschap om de marktintegriteit te beschermen is onvolledig. De voorschriften lopen per lidstaat uiteen, waardoor er bij de marktdeelnemers dikwijls onzekerheid heerst over begrippen, definities en wetshandhaving."
Verder geldt dat de Richtlijn marktmisbruik is uitgevaardigd op basis van art. 95 EG-Verdrag. Deze rechtsgrondslag verschaft de bevoegdheid om bij richtlijn te voorzien in volledige harmonisatie.6 Ten slotte zijn de in art. 6 leden 1 tot en met 3 van de Richtlijn marktmisbruik opgenomen instructienormen voor de lidstaten eenduidig en bevatten die ook geen keuzevrijheid om van de voorgeschreven inhoud en vorm van de openbaarmakingsplicht van uitgevende instellingen af te wijken. In de door de Europese Commissie vastgestelde technische uitvoeringsmaatregelen is verder concreet uitgewerkt wat de inhoud en vormgeving van de voor uitgevende instellingen geldende openbaarmakingsplicht van voorwetenschap dient te zijn (zie verder § 3.3.5).7 Al deze normen lenen zich bovendien voor wat hun vormgeving betreft voor een woordelijke omzetting in nationale voorschriften.
Overigens geldt de conclusie dat met de voorschriften aangaande de openbaarmakingsplicht van uitgevende instellingen onmiskenbaar volledige harmonisatie is beoogd niet voor andere voorschriften van de Richtlijn marktmisbruik die mede relevant zijn voor deze openbaarmakingsplicht. Zo laat een aantal van de gebodsnormen de lidstaten ruimte voor het opstellen van eigen voorschriften.8 Een eerste voorbeeld daarvan is de lidstaatoptie van art. 6 lid 2, tweede zin:
"De lidstaten kunnen verlangen dat de emittent de bevoegde autoriteit onverwijld in kennis stelt van zijn besluit om de openbaarmaking van voorwetenschap uit te stellen."
Een ander voorbeeld is het voorschrift van art. 6 lid 7:
"Om te zorgen voor naleving van de leden 1 tot en met 5 kan de bevoegde autoriteit alle maatregelen nemen die nodig zijn opdat het publiek juist geïnformeerd wordt"
Ten slotte kan worden gewezen op art. 12 waarin de toezichts- en onderzoeksbevoegdheden van de bevoegde autoriteit zijn opgenomen. In de eerste plaats worden in het eerste lid van art. 12 vier verschillende wijzen aangegeven waarop de bevoegde autoriteit toezichts- en onderzoeksbevoegdheden moet kunnen aanwenden. Het wordt verder aan de lidstaten overgelaten om uit deze alternatieve mogelijkheden een keuze te maken. In de tweede plaats bevat art. 12, tweede lid, een opsomming van de toezichts- en onderzoeksbevoegdheden waarover de bevoegde autoriteit moet beschikken Blijkens de aanhef van deze bepaling is deze opsomming enuntiatief. Het wordt aan de lidstaten overgelaten om eventueel verderstrekkende toezichts- en onderzoeksbevoegdheden aan de bevoegde autoriteit toe te kennen.