Executele
Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/VII.G.7.1:VII.G.7.1 Art. 18 SW 1956 als kapstok
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/VII.G.7.1
VII.G.7.1 Art. 18 SW 1956 als kapstok
Documentgegevens:
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS403791:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 11 mei 1984, NJ 1985, 374 (Verhoeven-Peeters).
Zie hierover niet alleen art. 4:201 BW, maar ook de uitspraak van Hof Arnhem van 24 januari 2002, Notafax 2002, 104.
Aan de mogelijkheid dat artikel 30 SW 1956 bij verwerping aan de orde kan komen, wordt hier voorbijgegaan.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vertrekpunt bij de 'quasi-wettelijke verdeling' is (de verwijzing) naar het basismodel wettelijke verdeling. Deze wettelijke verdeling kenmerkt zich door het feit dat de langstlevende echtgenoot wordt overbedeeld. Immers, alle goederen van de nalatenschap worden door de wetgever rechtstreeks aan de langstlevende toebedeeld. In verband met deze overbedeling krijgen de kinderen een vordering wegens onderbedeling. Op het eerste gezicht correspondeert deze vordering met hun erfdeel. Er is echter meer aan de hand. Allereerst is deze vordering niet direct bij het overlijden van de eerststervende opeisbaar. De kinderen gaan in beginsel de wachtkamer in tot het overlijden van de langstlevende. De contante waarde van deze vordering zou met hun erfdeel kunnen corresponderen als de wetgever van een zakelijke rente zou zijn uitgegaan. Dit is echter niet het geval. Art. 4:13 lid4 BW boekt, zoals bekend, van de wettelijke rente maar liefst 6 procentpunten af. In de regel is de betreffende vordering derhalve renteloos of nagenoeg renteloos. Het is in dat geval duidelijk dat de contante waarde van de vordering niet correspondeert met de waarde van de erfdelen van de kinderen. De kinderen krijgen derhalve 'minder erfdeel' en de langstlevende 'meer', althans in economische zin. De 'quasi-wettelijke verdeling' gaat als hoofdregel van hetzelfde principe uit.
Hoe kan het voordeel dat in deze manier van verdelen opgesloten zit, of het nu goederenrechtelijk of verbintenisrechtelijk is, in ons successierechtelijk systeem verwerkt worden? Allereerst zal het duidelijk zijn dat er bij een 'qua-si-wettelijke verdeling' met een in eerste instantie renteloze vordering voor de kinderen, sprake is van een onechteTeilungsanordnung. De kinderen krijgen immers minder in waarde dan waar zij, op grond van hun erfdeel, recht op hebben.
Ook lijkt dit voordeel op een 'Vorausvermachtnis', een legaat aan een erfgenaam en wel aan de langstlevende echtgenoot, zij het dat dit voordeel wellicht niet als een civielrechtelijk legaat gekwalificeerdkan worden. Dit is voor de Successiewet 1956 echter niet relevant, aangezien daar naar de waarde van de verkrijging in economische zin gekeken wordt. In het systeem van de Successiewet wordt voor deze gedachte in art. 18 een wettelijke basis geschapen.
Art. 18 SW 1956 luidt als volgt:
'Onder vruchtgebruik worden, voor de toepassing van deze wet, mede verstaan vruchtgenot, gebruik en bewoning, vruchten en inkomsten, jaarlijkse opbrengst en soortgelijke uitkeringen uit daartoe aangewezen goederen.'
Een heel ruim, economisch benaderd, begrip vruchtgebruik. In ieder geval zo ruim toe te passen dat de Hoge Raad op 10 juli 1989, BNB 1989/260 van mening was dat als er geen zakelijke rente vergoed werd over de niet-opeis-bare onderbedelingsvorderingen van de kinderen terzake van een ouderlijke boedelverdeling, de langstlevende dan een voordeel genoot dat successie-rechtelijk bestempeldkon worden als een fictief vruchtgebruik, oftewel een vruchtgebruik als bedoeld in art. 18 SW 1956. Onze Oosterburen zouden spreken van een 'unechterTeilungsanordnung'. Een verdeling met een inge-bouwd(fictief) 'Vorausvermachtnis'.
Om een 'wertverschiebend' fictief vruchtgebruik aan te nemen, volstaat een economische gerechtigdheid per overlijdensdatum. De goederenrechtelijke effectuering van de uiterste wil per overlijdensdatum is geen must. In de Successiewet 1956 is geen enkele basis te vinden voor de gedachte dat reeds een afwikkeling in goederenrechtelijke zin plaats dient te hebben gevonden per overlijdensdatum. Dit is ook bijvoorbeeld de reden waarom een legataris successierecht is verschuldigd over hetgeen de erflater aan hem/haar heeft toebedacht. Het legaat levert slechts een verbintenis op tot afgifte van een be-paaldgoed.1 Of het legaat goederenrechtelijk wordt geeffectueerdis voor de successieheffing niet relevant2 (tenzij het legaat wordt verworpen).3