De geschillenregeling ten gronde
Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VII.6:VII.6 Synthese
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VII.6
VII.6 Synthese
Documentgegevens:
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS379790:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze synthese is hoofdzakelijk gebaseerd op de bevindingen die aan het eind van iedere paragraaf in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Omwille van de eenheid in dit boek (ieder hoofdstuk sluit af met een synthese) beëindig ik ook dit hoofdstuk, waarin dus meer op zichzelf staande paragrafen zijn opgenomen, niettemin met een synthese.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Omdat de geschillenregeling voor de praktijk niet de gewenste (snelle) uitkomst biedt voor geschillen tussen partijen, kiezen de aandeelhouders voor alternatieve procedures. Daarnaast zorgen de geschillen ook voor samenloop met aan de uitstoting en de uittreding verwante vorderingen.1
Naar het eerste alternatief dat ik in dit hoofdstuk bespreek, wordt uitdrukkelijk verwezen in art. 2:337 BW. De geschillenregeling is subsidiair van aard. De eigen regeling, vervat in de statuten of een overeenkomst, gaat voor op de wettelijke uitstoting of uittreding. Het wetsartikel is echter niet duidelijk geformuleerd. In de literatuur is kritiek op de woorden 'kan niet worden toegepast'. Ik ondersteun de gedachte van de wetgever dat het mogelijk moet zijn om een eigen regeling voor de geschillen af te spreken. De verduidelijkte verwijzing naar zo'n afspraak kan als volgt luiden:
Art. 2:337 BW (subsidiaire karakter)
(1) De statuten of een overeenkomst kunnen voorzien in een regeling voor de geschillen tussen aandeelhouders, waarbij de regeling uitmondt in een overdracht van de aandelen.
(2) De eiser is niet ontvankelijk, indien een dergelijke oplossing voorhanden is.
Met een eigen regeling zijn veel variaties op de geschillenregeling denkbaar. Diverse afwijkingen van materiële en formele aard zijn mogelijk. Voor een statutaire bepaling geldt wel dat een aandeelhouder in verband met art. 2:81/192 BW moet instemmen met de uit de statuten voortvloeiende verplichting.
De eigen oplossing kan gevonden worden in een overeenkomst tot arbitrage. Het criterium voor arbitrabiliteit (art. 1020 lid 3 Rv) staat hieraan niet in de weg. De blokkeringsregeling vormt wel een dwingendwettelijke belemmering. Indien alle betrokkenen partij zijn bij de arbitrage, wordt dit probleem ondervangen. Er zijn twee mogelijkheden voor een arbitraal beding. De eerste is de wettelijke geschillen-regeling in arbitrage toe te passen. De tweede optie is een regeling te ontwerpen met eigen criteria die uiteindelijk leidt tot aandelenoverdracht. Deze arbitrageprocedures gaan ingevolge art. 2:337 BW voor op de wettelijke geschillenregeling.
Naast het alternatief van de eigen regeling, tracht men in de praktijk met een enquêteprocedure tot een oplossing te komen. Met een onmiddellijke voorziening ex art. 2:349a BW komt er in ieder geval tijdelijk een einde aan de impasse die de verstoorde verhouding veroorzaakt. Het blijkt dat partijen ter zitting of met behulp van een door de OK benoemde persoon niet zelden een minnelijke regeling bestaande uit een aandelenoverdracht tegen een bepaalde prijs — weten te bereiken.
De enquêteprocedure leidt helaas niet tot een definitieve oplossing. De OK kan ex art. 2:356 sub e BW de tijdelijke overdracht van de aandelen ten titel van beheer bevelen, in afwachting van de uitkomst van een te starten uitstotings- of uittredingsprocedure. Zo'n dubbele procedure acht ik ongewenst. De gedwongen overdracht van aandelen moet als voorziening na gebleken wanbeleid bevolen kunnen worden. Het treffen van zo'n voorziening vraagt om extra (procedurele) waarborgen. Het artikel kan als volgt luiden:
Art. 356 (definitieve voorzieningen) f)
gedwongen overdracht van aandelen; (het huidige sub f verlettert naar sub g)
Art. 356a (procedure bij gedwongen overdracht)
1) Slechts op verzoek van de in artikel 355 genoemde verzoekers kan de ondernemingskamer de voorziening van artikel 356 sub f treffen.
2) De ondernemingskamer stelt de voor het wanbeleid verantwoordelijke aandeelhouder in de gelegenheid zich te verweren, indien zij overweegt een voorziening als bedoeld in artikel 356 sub f te treffen.
Naast de twee besproken alternatieven kunnen de aandeelhoudersgedragingen ook aanleiding geven tot het instellen van een schadevergoedingsvordering. Het leerstuk van de afgeleide schade brengt mee dat afwijzing van de vordering in beginsel geboden is. Bij de uittreding is een uitzondering mogelijk, indien aan bijzondere voorwaarden wordt voldaan. Ter voorkoming van procedurele complicaties, stel ik voor de procedures te concentreren bij dezelfde rechterlijke instanties. Het wetsvoorstel Flex-BV kiest voor deze route. Een andere, mijns inziens aantrekkelijkere, optie is het gebruik van de flexibele peildatum. De waardevermindering is dan verdisconteerd in de prijs.
Tot slot is in de praktijk met wisselend succes een enkele keer getracht de gedwongen aandelenoverdracht bij wijze van voorziening in kort geding te bewerkstelligen. Ik betoog dat de geschillenregeling zich leent voor analoge toepassing in kort geding. De voorziening van art. 254 Rv kan een bevel tot gedwongen overdracht van de aandelen behelzen. Voor toewijzing van een dergelijke speciale voorziening moet aan een aantal voorwaarden voldaan zijn. Deze voorwaarden (elf in totaal) zijn zowel ontleend aan de eisen die aan een kort geding worden gesteld, als de eisen die gelden voor uitstoting.