Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/9.4.2.1
4.2.1 Overeenkomstige toepassing van artikel 3:213 lid 1 BW
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948006:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In paragraaf 2.4.2 is reeds gebleken dat dit niet geldt voor het tweetrapslegaat en de tweetrapsschenking.
Vgl. S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/41; Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk 2014, p. 108; Spath, Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/45; Asser/Perrick 4 2021/203 en L.C.A. Verstappen, in: Handboek erfrecht 2020, p. 311-312. Zie tevens R.E. Brinkman, ‘Reactie op “Over de voorwaardelijke making, mede in verband met andere aandachtspunten rond de wettelijke verdeling” van mr. J.B. Vegter, WPNR 2021/7335’, WPNR 2022/7371, p. 405-408.
Zie in die zin J.B. Vegter, ‘Over de voorwaardelijke making, mede in verband met andere aandachtspunten rond de wettelijke verdeling’, WPNR 2021/7335, p. 592.
Vgl. S.Perrick, Zaaksvervanging 2016/41; Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk 2014, p. 108; Spath, Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/45; Asser/Perrick 4 2021/203 en L.C.A. Verstappen, in: Handboek erfrecht 2020, p. 311-312. A.
Als de bezwaarde niet bevoegd is tot onvoorwaardelijke vervreemding en hij een tweetrapsgoed aan een derde overdraagt, verkrijgt die derde dat goed in beginsel alleen maar voorwaardelijk. De bezwaarde is in dat geval immers absoluut onbevoegd om het betreffende goed onvoorwaardelijk aan die derde over te dragen (zie paragraaf 3.2.1 hiervóór). In dat geval is er dus geen reden om de verwachter middels zaaksvervanging te beschermen. Hij raakt de voorwaardelijke eigendom van het tweetrapsgoed niet kwijt, er dreigt dus geen ongerechtvaardigde vermogensverschuiving te ontstaan, en er dus hoeft ook niet middels zaaksvervanging ingegrepen te worden. Vgl. Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk 2014, p. 78 en S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/41.
Zie Spath, Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/45; Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk 2014, p. 108; S. Perrick, ‘Zaaksvervanging en de regels van het goederenrecht’, WPNR 2008/6753, p. 352 en S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/42.
561. In paragraaf 2.3 is de regeling van zaaksvervanging van artikel 3:213 lid 1 BW al kort aan de orde gekomen. Op grond van artikel 4:138 lid 2 BW is deze regeling van overeenkomstige toepassing op de tweetrapserfstelling.1 Artikel 3:213 lid 1 BW bepaalt dat hetgeen in de plaats treedt van aan vruchtgebruik onderworpen goederen doordat daarover bevoegdelijk wordt beschikt, aan de hoofdgerechtigde toebehoort en eveneens aan het vruchtgebruik is onderworpen. Hetzelfde is het geval met hetgeen door inning van een aan vruchtgebruik onderworpen vordering wordt ontvangen, en met vorderingen tot vergoeding die in de plaats van aan vruchtgebruik onderworpen goederen treden, waaronder begrepen vorderingen ter zake van waardevermindering van die goederen. In paragraaf 2.3 is reeds uiteengezet dat deze regeling óók bij de tweetrapserfstelling goederenrechtelijke werking heeft. De op grond van artikel 4:138 lid 2 BW van overeenkomstige toepassing verklaarde regels van vruchtgebruik bepalen immers in absolute zin de positie van de bezwaarde en de verwachter, zodat ook de van-overeenkomstige-toepassingsverklaring van artikel 3:213 lid 1 BW goederenrechtelijke werking heeft.2 Toepassing van artikel 3:213 lid 1 BW geeft aan de verwachter dus niet slechts een obligatoir recht op levering van het vervangende goed jegens de bezwaarde,3 maar maakt hem van rechtswege voorwaardelijk eigenaar van het aan de bezwaarde geleverde vervangende goed. Wanneer artikel 3:213 lid 1 BW aldus wordt ‘vertaald’ ten behoeve van de tweetrapserfstelling houdt dit in dat hetgeen in de plaats treedt van een voorwaardelijk verkregen goed, doordat de bezwaarde daar bevoegdelijk en onvoorwaardelijk over beschikt, aan die bezwaarde toebehoort en eveneens voorwaardelijk door de verwachter wordt verkregen, ook al is dit niet aan hem geleverd.4, 5 Naar geldend recht betekent dit dat het voorwaardelijke recht van eigendom van de verwachter dat eerst op het verloren goed rustte (het goed waarover de bezwaarde bevoegdelijk heeft beschikt) van rechtswege op het daarvoor in de plaats getreden goed gaat rusten, dus ook als dit alleen aan de bezwaarde is geleverd.6 In de alternatieve opvatting over de structuur van het goederenrecht betekent dit dat het vervangende goed krachtens zaaksvervanging van rechtswege voorwaardelijk door de verwachter wordt verkregen. Daardoor wordt bij de bezwaarde het op basis van de levering tot stand gekomen onvoorwaardelijke effect van de verkrijging van het vervangende goed ‘omgezet’ in een voorwaardelijk effect, en wel onder dezelfde ontbindende voorwaarde als waaronder de bezwaarde het ‘verloren’ goed had verkregen. De zaaksvervanging heeft dus niet alleen tot gevolg dat de verwachter het vervangende goed van rechtswege verkrijgt, maar heeft ook gevolgen voor het effect van de verkrijging van dat goed door de bezwaarde. Dat effect wordt van rechtswege ‘afgezwakt’ van onvoorwaardelijk naar voorwaardelijk, waardoor dit niet meer absoluut is. Die inbreuk op het effect van de verkrijging wordt dan weer gereguleerd door analoge toepassing van de bepaling van Titel 3.8 BW, zoals dat ook voor de andere goederen van het tweetrapsvermogen geldt.