De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland
Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/3.9:3.9 Conclusie
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/3.9
3.9 Conclusie
Documentgegevens:
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS397273:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk is ingegaan op een aantal algemene Unierechtelijke leerstukken en beginselen dat betekenis heeft voor het gedeeld of gemengd bestuur door de Europese instellingen en nationale uitvoeringsorganen. Deze leerstukken en beginselen zijn derhalve ook relevant voor de uitvoering van de Europese subsidieregelgeving door nationale uitvoeringsorganen. De gemeenschappelijk noemer van de besproken algemene Unierechtelijke leerstukken en beginselen is dat zij bepalend zijn voor de doorwerking van het Eu-recht in de nationale rechtsorde dan wel deze doorwerking normeren. De leerstukken en beginselen zijn zoveel mogelijk besproken in de context van de uitvoering van de Europese subsidieregelgeving door nationale uitvoeringsorganen.
Het beginsel van voorrang betekent dat het nationale recht dat ter uitvoering van de Europese subsidieregelgeving wordt vastgesteld, waaronder besluiten in het concrete en individuele geval, in overeenstemming dient te zijn met het gehele Unierecht. Indien nationale uitvoeringsorganen bij de uitvoering van de Europese subsidieregelgeving worden geconfronteerd met nationaal recht dat met het Unierecht in strijd is, dienen zij dat nationaal recht buiten toepassing te laten. Om het Eu-recht daadwerkelijk te effectueren zal het nationaal uitvoeringsorgaan, afhankelijk of het gaat om een Eu-bepaling in een verordening, richtlijn of besluit, een Europese bepaling rechtstreeks moeten toepassen dan wel het nationale recht conform de Europese bepaling moeten interpreteren. Uiterste redmiddel vormt het beginsel van lidstaataansprakelijkheid op grond waarvan de lidstaat aansprakelijk kan worden gesteld voor de schade als gevolg van een schending van het Europese recht. Verder kan worden geconcludeerd dat bij de uitvoering van de Europese subsidie-regelgeving door nationale uitvoeringsorganen het beginsel van loyale samenwerking en de doctrine van nuttig effect een grote betekenis toekomen. Zo vormt het beginsel van partnerschap, dat in veel Europese subsidieregelingen is terug te vinden, een uitvloeisel van het beginsel van loyale samenwerking en zijn op de nationale uitvoeringsorganen rustende verplichtingen tot informatie-uitwisseling en het uitvoeren van controles op dit beginsel gebaseerd. Voorts worden uit laatstgenoemd beginsel in combinatie met in Europese verordeningen neergelegde ruim geformuleerde verplichtingen voor de lidstaten allerlei concrete handhavingsverplichtingen afgeleid, waaronder het opleggen van doeltreffende en afschrikwekkende sancties. De doctrine van nuttig effect heeft tot gevolg dat de uitvoering van de Europese subsidieregelgeving door nationale uitvoeringsorganen niet tot gevolg mag hebben dat deze regelgeving haar nuttige werking verliest.
Het subsidiariteitsbeginsel is met name relevant in relatie tot de beginselen van institutionele en procedurele autonomie. Omdat laatstgenoemde beginselen alleen van toepassing zijn voor zover de Europese subsidieregelgeving geen gemeenschappelijke regels kent, vormt het subsidiariteitsbeginsel — samen met het beginsel van bevoegdheidstoedeling — de enige bescherming tegen inbreuken op de soevereiniteit van de lidstaten. Het beginsel van subsidiariteit is echter met name een politiek beginsel dat zich lastig laat toetsen door de Europese rechter. Vast staat echter dat de Europese instellingen bij de vaststelling van de Europese subsidieregelgeving zijn gebonden aan voormeld beginsel.
De beginselen van institutionele en procedurele autonomie hebben slechts betekenis voor zover het Europese recht niet anders bepaalt. Hoewel het in de Europese subsidieregelgeving niet voorkomt dat met naam genoemde bestaande nationale uitvoeringsorganen worden belast met bevoegdheden en taken, wordt wel steeds vaker de opdracht gegeven ervoor zorg te dragen dat nationale uitvoeringsorganen worden aangewezen of opgericht die aan bepaalde, vaak zeer specifieke, eisen voldoen. In de Europese subsidieregelgeving zijn voorts veel procedureregels te vinden. De betekenis van de beginselen van institutionele en procedurele autonomie is dan ook beperkt. Voor zover ruimte bestaat voor nationale procedureregels geldt weliswaar wel het beginsel van procedurele autonomie, doch dit beginsel wordt ingeperkt door de beginselen van gelijkwaardigheid, effectiviteit en effectieve rechtsbescherming. Deze beginselen worden ingezet om indirecte botsingen tussen het Europese en nationale recht te 'repareren' en kunnen tot gevolg hebben dat de nationale procedureregels Eu-conform moeten worden geïnterpreteerd.
Ten slotte zijn ook de algemene Europese rechtsbeginselen van groot belang voor de uitvoering van de Europese subsidieregelgeving door nationale uitvoeringsorganen. Over de toepasselijkheid van het gelijkheidsbeginsel, de beginselen van rechtszekerheid en vertrouwen, het evenredigheidsbeginsel, het verdedigingsbeginsel en de fundamentele rechten bestaat geen enkele twijfel. De betekenis van het transparantiebeginsel is minder uitgekristalliseerd; hierop wordt in hoofdstuk 5 verder ingegaan bij de bespreking van de Europese subsidieregelgeving zelf. Voorts is niet geheel duidelijk in hoeverre ruimte bestaat voor toepassing van nationale rechtsbeginselen, voor zover de Europese subsidieregelgeving wordt uitgevoerd met behulp van het nationale recht. Dit is met name relevant indien de Europese beginselen door het Hof van Justitie anders worden ingevuld dan de nationale equivalenten. In dit hoofdstuk is de voorzichtige conclusie getrokken dat het Hof van Justitie in bepaalde gevallen ruimte laat voor de toepassing van nationale rechtsbeginselen. Ook hierop wordt in hoofdstuk 5 verder ingegaan.
Eerst wordt in hoofdstuk 4 ingegaan op de aard van de uit te voeren Europese subsidieregelgeving door nationale uitvoeringsorganen en de noodzaak tot gebruik van nationaal recht.