Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/2.6.2
2.6.2 De bestuurlijke boetebepalingen, het karakter van de boeten
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS464462:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Feteris, M.W.C., 2002, p. 14.
Te weten hoofdstuk IV met als titel ‘Boete en kosten’.
De vaste boetebedragen zijn ƒ 10 (artikel 84 registratiewet 1917), ƒ 25 en ƒ 50 (artikel 83 Registratiewet 1917).
Het tweevoud (artikel 86 Registratiewet 1917) of het vijfvoud (artt, 87, 88, 89, 90 en 91 Registratiewet 1917).
Van ƒ 100 (artikel 88 Registratiewet 1917), ƒ 200 (artt. 89 en 90 Registratiewet 1917) of ƒ 1.000 (artikel 87 Registratiewet 1917).
Zie bijvoorbeeld Hazewinkel-Suringa, p. 311.
Zie onderdeel 2.4.2.
Dit deel I ging over de registratiewetgeving en lag aan de basis van de Registratiewetgeving van 1917. Deel II van het verslag zag op het onroerende goederenrecht en verscheen in 1916(zie H. Schuttevâer en M.P. Bongard, ‘Kort begrip van rechtsverkeersbelastingen en registratie’, Gouda Quint, Arnhem, 1987, 4e druk).
Zie Van der Poel 1942, p. 271.
Waaronder ‘op straffe van boete’ (p. 15) en ‘hare strafbaarheid’ (p.16), zie de Memorie van Toelichting (TK, vergaderjaar 1915/1916, 211, nr. 3).
Zie ook Feteris, M.W.C., 2002, p. 14.
De oude Frimaire-wet kende verschillende boetebepalingen, zowel vaste als van de verschuldigde belasting afhankelijke boeten. Ook deze boeten waren van rechtswege verschuldigd, ongeacht de mate van schuld van de overtreder. Volgens Feteris was in deze boeten toch een strafelement aanwezig, omdat in de praktijk bleek dat achteraf vaak kwijtschelding werd verleend bij verzachtende omstandigheden.1
De opvolger van de Frimaire-wet, de Registratiewet 1917, wijdt een afzonderlijk hoofdstuk aan boeten en kosten ter zake van overtredingen.2 Dit hoofdstuk vermeldt verschillende vaste en variabele boeten. De vaste boeten (artikelen 83 en 84 Registratiewet 1917) worden geheven naar een wettelijk vastgesteld bedrag per overtreding.3 De variabele boeten worden bepaald naar tijdsevenredigheid (ƒ 10 per week verzuim: artikel 85 Registratiewet 1917) dan wel naar een veelvoud van het ter zake verschuldigde recht,4 waarbij in enkele gevallen minimumboeten worden voorgeschreven.5 De wet biedt derhalve een vrij genuanceerd boete- arsenaal, ondanks dat de mate van verwijtbaarheid nog geen expliciet onderdeel hiervan uitmaakt.
Onderscheid tussen ‘normadressaten’ bij beboeting, strafverzwaring
Bij het verrichten van de voorgeschreven formaliteiten van de Registratiewet 1917 vervult de notaris veelal een cruciale rol. De notaris is niet slechts een verplichte intermediair, maar hij beschikt ook over specifieke kennis en deskundigheid. Dit maakt dat de notaris, de ‘normadressaat’ in kwestie, ten aanzien van verplichtingen die zich bevinden op zijn werkterrein een hogere zorgplicht heeft te betrachten dan de doorsnee belastingplichtige. In het strafrecht wordt dit ook wel ‘Garantenstellung’ genoemd.6 Dat de Registratiewet 1917 deze specifieke zorgplicht, en daarmee een verhoogde verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid, mede ten aanzien van de boeten heeft willen vormgeven, blijkt onder meer uit artikel 83 Registratie wet 1917. Dit artikel schrijft voor dat ten aanzien van hetzelfde registratieverzuim de notaris aanmerkelijk zwaarder wordt beboet (ƒ 50) dan een griffier of deurwaarder (ƒ 25). Zo werd toch in enige mate door de wetgever ‘straf naar mate van schuld’ mogelijk gemaakt en wel in strafverzwarende zin.
Ook wordt opgemerkt dat de zwaarste boete van artikel 87 Registratiewet 1917 (vijfvoudige verhoging met een minimum van ƒ 1.000) is voorbehouden voor overtredingen die begaan zijn door rechtspersonen. Blijkbaar was de wetgever van mening dat deze categorie ‘normadressaten’ zwaarder beboet moesten kunnen worden.
Vrijwillig verbeteren; strafuitsluiting
De hoogte van het verschuldigde registratierecht is onder meer afhankelijk van de (subjectieve) waardering van goederen en zaken. In sommige gevallen wordt de werkelijke waarde van de aan te geven goederen en zaken pas bekend ná het verstrijken van de aangiftetermijn. Artikel 91 Registratiewet 1917 bevat voor die gevallen een strafuitsluitingsgrond, wanneer er alsnog een verbeterde aangifte werd gedaan vóórdat de vordering tot waardering door de belastingadministratie werd ingesteld én de uiteindelijke waarde niet meer dan een achtste hoger was dan de eerder aangegeven waarde (zie artikel 73 Registratiewet 1917). Deze strafuitsluitingsgrond met betrekking latere verbeteringen ten aanzien van waarderingskwesties lijkt overigens op eenzelfde eerdere regeling in de Successiewet van 1859.7
Visie Staatscommissie en regering ten aanzien van het karakter van de boeten
Het eerste deel van het verslag van de staatscommissie verscheen in 1913.8 In dit verslag gaf de staatscommissie aan dat de boeten van de Registratiewetgeving gezien moesten worden als een straf op het overtreden van de fiscale voorschriften. Volgens Van der Poel bepleitte de staatscommissie echter dergelijke boetezaken niet door de strafrechter maar door de administratieve rechter te laten behandelen vanwege het verband tussen de hoogte van het belastingbedrag en de boete.9
Dat de regering de mening van de staatscommissie onderschrijft, blijkt onder meer uit de bewoordingen die worden gehanteerd in de Memorie van Toelichting.10 Ook valt het strafkarakter van de bestuurlijke boete af te leiden uit de bepaling dat de boete niet zal worden gevorderd van een overledene (artikel 93 Registratiewet 1917).11