HR, 28-06-2013, nr. 13/01697
ECLI:NL:HR:2013:53
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
28-06-2013
- Zaaknummer
13/01697
- Conclusie
Mr. Wuisman
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:53, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 28‑06‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:CA1231, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2013:CA1231, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 17‑05‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:53, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 28‑06‑2013
Partij(en)
28 juni 2013
Eerste Kamer
nr. 13/01697
RM/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster],wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. R.P.A. Pohlkamp.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
het vonnis in de zaak 11/52 R van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 juli 2012;
het arrest in de zaak 200.110.202/01 van het gerechtshof Den Haag van 28 maart 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van hetcassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 2.2).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 28 juni 2013.
Conclusie 17‑05‑2013
Mr. Wuisman
Partij(en)
CONCLUSIE inzake:
[verzoekster],
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. R.P.A. Pohlkamp.
1. Voorgeschiedenis
1.1
Bij beschikking d.d. 13 juli 2012 heeft de rechtbank 's‑Gravenhage de schuldsaneringsregeling, waartoe verzoekster bij vonnis d.d. 25 januari 2011 was toegelaten, op voordracht van de rechter-commissaris voortijdig beëindigd. Het hof 's‑Gravenhage heeft deze beschikking bekrachtigd bij beschikking van 28 maart 2013. Het hof is van oordeel dat verzoekster tot cassatie in de nakoming van de volgende voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten:
- 1.
de afdrachtverplichting waardoor een boedelachterstand van € 1.514,50 is ontstaan;
- 2.
de sollicitatieverplichting teneinde tot een voltijdbaan of een aanvullende baan te komen;
- 3.
de verplichting om geen nieuwe schulden te doen ontstaan;
- 4.
de verplichting om niet buiten de bewindvoerder om zelf op enkele onder de schuldsaneringsregeling vallende schulden af te lossen.
Omtrent de schending van de onder 4. genoemde verplichting overweegt het hof in rov. 5 onder meer: ‘Dit is gelet op het gedurende de schuldsaneringsregeling geldende fixatiebeginsel niet toegestaan en leidt tot benadeling van de overige schuldeisers. Gesteld noch gebleken is dat de bewindvoerder hierin is gekend. Ook dit rechtvaardigt beëindiging van de regeling.’
1.2
Verzoekster tot cassatie is van de beschikking van het hof in cassatie gekomen met een op 2 april 2013 en daarmee tijdig bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift.
2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1
Er wordt een algemene motiveringsklacht aangevoerd die in de toelichting nader wordt uitgewerkt.
2.2
Zoals blijkt uit het hierboven onder 1.1 weergegeven citaat met betrekking tot de schending van de onder 4 genoemde verplichting, beschouwt het hof die schending als een zelfstandige grond voor de voortijdige beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Hoewel die grond als ten overvloede wordt aangevoerd, kan zij toch de voortijdige beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten volle dragen. In cassatie wordt deze grond niet bestreden. Dit brengt mee dat, ook indien de andere door het hof aangevoerde gronden voor de bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank in cassatie terecht zouden worden bestreden, de beschikking van het hof in stand blijft. Dit betekent dat het cassatieberoep klaarblijkelijk geen doel treft en derhalve niet-ontvankelijk is te achten op grond van artikel 80 RO.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden