Parketnummer 21-003354-23.
HR, 27-01-2026, nr. 24/01481
ECLI:NL:HR:2026:114
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-01-2026
- Zaaknummer
24/01481
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:114, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑01‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:990
ECLI:NL:PHR:2025:990, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:114
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑07‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0031
NTS 2026/11
Uitspraak 27‑01‑2026
Inhoudsindicatie
OM-cassatie en cassatie verdachte. Vrijspraak t.z.v. rijden terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat rijbewijs ongeldig was verklaard (art. 9.2 WVW 1994) en veroordeling t.z.v. rijden onder invloed (art. 8.2.a WVW 1994). 1. Cassatie verdachte. Geen schriftuur. 2. OM-cassatie. Kan uit omstandigheid dat hof heeft vastgesteld dat verdachte 22 dagen vóór dit feit ook staande is gehouden voor rijden met ongeldig verklaard rijbewijs en dat politieambtenaar tijdens verhoor aan verdachte heeft medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig was, worden afgeleid dat verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard? Ad 1. Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:1146 m.b.t. vereisten om tot bewezenverklaring van een op art. 9.2 WVW 1994 toegesneden tll. te komen. Hof heeft vastgesteld dat verdachte op 7-5-2022 (22 dagen vóór tlgd. feit) is staande gehouden wegens rijden met ongeldig verklaard rijbewijs en dat hem toen tijdens politieverhoor in persoon is medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Hof heeft niettemin geoordeeld dat verdachte moet worden vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van wetenschap dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Daarbij heeft hof in aanmerking genomen dat verdachte zich in verhoor van 7-5-2022 steeds op zijn zwijgrecht heeft beroepen, en dat verdachte heeft verklaard dat hij zich dit verhoor niet kan herinneren, hij geen brief heeft ontvangen waarin staat dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard en hij op 29-5-2022 niet ervan op de hoogte was dat zijn rijbewijs ongeldig was. Op zichzelf heeft hof bij beantwoording van vraag of tlgd. kan worden bewezenverklaard, terecht tot uitgangspunt genomen dat bewijs van (redelijkerwijs moeten) weten o.m. kan worden ontleend aan (i) verklaring van verdachte die is afgelegd “bij gelegenheid van verhoor van verdachte na eerdere constatering van overtreding van art. 9 WVW 1994”, mits die verklaring “voldoende ondubbelzinnig” is, of (ii) “mededeling ter zake ongeldigheid door verhorende opsporingsambtenaar” bij gelegenheid van zo’n verhoor. In ’s hofs overwegingen ligt echter besloten dat hof ook is uitgegaan van opvatting dat bewijs van (redelijkerwijs moeten) weten pas kan worden ontleend aan hiervoor genoemde mededeling van opsporingsambtenaar als verdachte daarop heeft gereageerd met verklaring waaruit ondubbelzinnig blijkt dat hij die mededeling heeft begrepen. Die opvatting is onjuist. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01481
Datum 27 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 april 2024, nummer 21-003354-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
De beroepen zijn ingesteld door de verdachte en het openbaar ministerie.
Cassatiemiddelen zijn namens de verdachte niet voorgesteld. Het openbaar ministerie heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van de verdachte en – naar aanleiding van het door het openbaar ministerie voorgestelde middel – tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de vrijspraak ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep van de verdachte
De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de verdachte een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering).
3. Beoordeling van het cassatiemiddel dat door het openbaar ministerie is voorgesteld
3.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de door het hof gegeven vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde. Het voert daartoe onder meer aan dat het oordeel van het hof dat niet kan worden bewezenverklaard dat de verdachte ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, op een onjuiste rechtsopvatting berust, althans ontoereikend is gemotiveerd.
3.2.1
Aan de verdachte is onder 2 tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 29 mei 2022 te [plaats] terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, [a-straat] , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.”
3.2.2
Het hof heeft de verdachte van dit tenlastegelegde vrijgesproken. Deze vrijspraak is als volgt gemotiveerd:
“Aan de jurisprudentie van de Hoge Raad over het bestanddeel ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ kunnen de volgende gezichtspunten worden ontleend.
Uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en dat die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, kan niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De enkele omstandigheid dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor rijden tijdens ongeldigheid van het rijbewijs en de daarvoor opgelegde straffen, waaronder gevangenisstraffen, zijn geëxecuteerd, is onvoldoende voor het bewijs van het redelijkerwijs moeten weten dat het rijbewijs ongeldig was verklaard. Het bewijs van ‘wetenschap’ kan onder omstandigheden geleverd worden op basis van de inhoud van de verklaring van verdachte. Die verklaring van verdachte moet dan wel ‘voldoende ondubbelzinnig zijn’. Bewijs van wetenschap of het redelijkerwijs moeten weten kan eveneens ontleend worden aan de verklaring van verdachte of de mededeling ter zake de ongeldigheid door de verhorend politieambtenaar bij gelegenheid van het verhoor van verdachte na een eerdere constatering van overtreding van artikel 9 van de Wegenverkeerswet. Ook in die gevallen zal de eerder afgelegde verklaring van verdachte voldoende ondubbelzinnig moeten zijn.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof het volgende gebleken. Uit de stukken van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (verder: CBR) blijkt dat het rijbewijs van verdachte op 3 maart 2022 door het CBR ongeldig is verklaard. Het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs is op 3 maart 2022 zowel per aangetekende brief als gewone brief naar het BRP-adres van de verdachte verzonden met de mededeling dat het rijbewijs per 10 maart 2022 ongeldig zou zijn. Deze brieven zijn niet onbestelbaar retour gekomen. Voorts blijkt uit het uittreksel van de Justitiële Documentatie van 26 februari 2024 dat verdachte eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het rijden tijdens een ongeldigheid van het rijbewijs en dat hij de daarvoor opgelegde gevangenisstraffen heeft uitgezeten. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij al langere tijd met het CBR bezig is zijn rijbewijs terug te krijgen en dat hij heeft deelgenomen aan rijvaardigheidsonderzoeken waarvoor hij is gezakt.
Ten slotte is door het openbaar ministerie aan het dossier toegevoegd een proces-verbaal van 7 mei 2022. Hieruit blijkt dat verdachte op 7 mei 2022, zijnde zestien dagen voorafgaand aan de staande houding voor onderhavig feit, eveneens staande is gehouden wegens het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs en dat de verhorend politieambtenaar tijdens het verhoor van verdachte aan de verdachte heeft medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig was. Verdachte heeft zich in dit verhoor steeds op zijn zwijgrecht beroepen. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat hij een brief van het CBR over het onderzoek had ontvangen, maar dat hij geen brief heeft ontvangen waarin stond dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Verdachte kan zich het verhoor op 7 mei 2022 niet herinneren. Verdachte heeft verder verklaard dat hij er op 29 mei 2022 niet van op de hoogte was dat zijn rijbewijs ongeldig was.
Deze feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof, gelet op de hiervoor weergegeven jurisprudentie van de Hoge Raad, onvoldoende voor het bewijs dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde feit.”
3.3
Overtreding van artikel 9 lid 2, eerste volzin, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) is op grond van artikel 176 lid 2 en artikel 178 lid 1 WVW 1994 een misdrijf dat kan worden bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vierde categorie.Om tot een bewezenverklaring van een op artikel 9 lid 2, eerste volzin, WVW 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, moet uit de bewijsvoering onder meer kunnen worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dit vereiste hangt ermee samen dat artikel 9 WVW 1994 een misdrijf oplevert; zo’n vereiste geldt bijvoorbeeld niet bij de overtreding van artikel 107 WVW 1994. De vraag of aan dit vereiste is voldaan kan bijzondere aandacht verdienen, in het bijzonder in die gevallen waarin daarover niets blijkt uit de verklaringen van de verdachte, en ook niet uit gedragingen zoals het voldoen aan de verplichting het ongeldig verklaarde rijbewijs in te leveren (vgl. artikel 124 lid 4 en artikel 132 lid 5 WVW 1994). In dat verband is van belang dat in de rechtspraak van de Hoge Raad meermalen is beslist dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (vgl. bijvoorbeeld HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6762). Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Opmerking verdient dat de bewijsmotivering in dit opzicht wel toereikend is wanneer uit de bewijsvoering volgt dat een uitreiking van het besluit tot ongeldigverklaring in persoon heeft plaatsgevonden. (Vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146.)
3.4.1
Het hof heeft onder meer vastgesteld dat de verdachte op 7 mei 2022, dus 22 dagen vóór het tenlastegelegde feit, is staande gehouden wegens rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs en dat hem toen tijdens een politieverhoor in persoon is medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het hof heeft niettemin geoordeeld dat de verdachte moet worden vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van de wetenschap dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte zich in het verhoor van 7 mei 2022 steeds op zijn zwijgrecht heeft beroepen, en dat de verdachte heeft verklaard dat hij zich dit verhoor niet kan herinneren, hij geen brief heeft ontvangen waarin staat dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard, en hij op 29 mei 2022 niet ervan op de hoogte was dat zijn rijbewijs ongeldig was.
3.4.2
Op zichzelf heeft het hof bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard, terecht tot uitgangspunt genomen dat het bewijs van het (redelijkerwijs moeten) weten onder meer kan worden ontleend aan (i) een verklaring van de verdachte die is afgelegd “bij gelegenheid van het verhoor van verdachte na een eerdere constatering van overtreding van artikel 9 van de Wegenverkeerswet”, mits die verklaring “voldoende ondubbelzinnig” is, of (ii) “de mededeling ter zake de ongeldigheid door de verhorende opsporingsambtenaar” bij gelegenheid van zo’n verhoor.
3.4.3
In de overwegingen van het hof ligt echter besloten dat het hof ook is uitgegaan van de opvatting dat het bewijs van het (redelijkerwijs moeten) weten pas kan worden ontleend aan de onder 3.4.2 genoemde mededeling van de opsporingsambtenaar als de verdachte daarop heeft gereageerd met een verklaring waaruit ondubbelzinnig blijkt dat hij die mededeling heeft begrepen. Die opvatting is onjuist.
3.5
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk;
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep van het openbaar ministerie voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2026.
Conclusie 16‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. OM-cassatie. Vrijspraak art. 9 lid 2 WVW 1994, omdat de verdachte heeft verklaard zich het verhoor waarin hem is medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard (en dat plaatsvond enkele weken voorafgaand aan het in deze zaak tenlastegelegde feit) niet kan herinneren. De AG stelt zich op het standpunt dat – nu een ondubbelzinnige mededeling van een politieambtenaar in een pv in beginsel voldoende is voor een bewezenverklaring van het ‘weten dan wel redelijkerwijs moeten weten’ – van de feitenrechter kan worden gevergd dat hij, indien de verdachte (slechts) verklaart zich de mededeling niet te kunnen herinneren, uitlegt waarom aan die verklaring een zodanig gewicht moet worden toegekend dat maakt dat de mededeling van de opsporingsambtenaar niet langer voldoende is voor een bewezenverklaring. Een dergelijke uitleg ontbreekt in onderhavige zaak, zodat het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk is. De conclusie strekt in zoverre tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01481
Zitting 16 september 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
1.1
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 12 april 20241.wegens “overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (845 microgram)” veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,00 en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van negen maanden. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde, zijnde de overtreding van art. 9 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). Verder heeft het hof de tenuitvoerlegging van een drietal eerder voorwaardelijk opgelegde straffen bevolen.
1.2
Namens de verdachte is op 16 april 2024 cassatieberoep ingesteld. De advocaat van de verdachte, mr. E. van Reydt, heeft op een later moment kenbaar gemaakt dat wordt afgezien van het indienen van een schriftuur. Namens het openbaar ministerie is op 25 april 2024 cassatieberoep ingesteld door [naam 1], advocaat-generaal bij het ressortsparket Arnhem-Leeuwarden. [naam 2], advocaat-generaal bij het ressortsparket Den Haag, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.3
Het cassatieberoep van het openbaar ministerie is – blijkens de schriftuur – gericht tegen de vrijspraak ten aanzien van feit 2. Het middel houdt in dat het oordeel van het hof dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, niet begrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep van de verdachte
2.1
Binnen de bij de wet gestelde termijn is bij de Hoge Raad namens de verdachte geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. Daarmee is het voorschrift van art. 437 lid 2 Sv niet in acht genomen en kan de verdachte niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
3. De tenlastelegging van feit 2 en vrijspraak door het hof
3.1
Onder 2 is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 29 mei 2022 te [plaats] terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, [a-straat] , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.”
3.2
Het hof heeft de verdachte van voornoemd feit vrijgesproken. Deze vrijspraak is door het hof als volgt gemotiveerd:
“Aan de jurisprudentie van de Hoge Raad over het bestanddeel ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ kunnen de volgende gezichtspunten worden ontleend.
Uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en dat die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, kan niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De enkele omstandigheid dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor rijden tijdens ongeldigheid van het rijbewijs en de daarvoor opgelegde straffen, waaronder gevangenisstraffen, zijn geëxecuteerd, is onvoldoende voor het bewijs van het redelijkerwijs moeten weten dat het rijbewijs ongeldig was verklaard. Het bewijs van ’wetenschap’ kan onder omstandigheden geleverd worden op basis van de inhoud van de verklaring van verdachte. Die verklaring van verdachte moet dan wel ‘voldoende ondubbelzinnig zijn’. Bewijs van wetenschap of het redelijkerwijs moeten weten kan eveneens ontleend worden aan de verklaring van verdachte of de mededeling ter zake de ongeldigheid door de verhorend politieambtenaar bij gelegenheid van het verhoor van verdachte na een eerdere constatering van overtreding van artikel 9 van de Wegenverkeerswet. Ook in die gevallen zal de eerder afgelegde verklaring van verdachte voldoende ondubbelzinnig moeten zijn.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof het volgende gebleken. Uit de stukken van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (verder: CBR) blijkt dat het rijbewijs van verdachte op 3 maart 2022 door het CBR ongeldig is verklaard. Het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs is op 3 maart 2022 zowel per aangetekende brief als gewone brief naar het BRP-adres van de verdachte verzonden met de mededeling dat het rijbewijs per 10 maart 2022 ongeldig zou zijn. Deze brieven zijn niet onbestelbaar retour gekomen. Voorts blijkt uit het uittreksel van de Justitiële Documentatie van 26 februari 2024 dat verdachte eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het rijden tijdens een ongeldigheid van het rijbewijs en dat hij de daarvoor opgelegde gevangenisstraffen heeft uitgezeten. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij al langere tijd met het CBR bezig is zijn rijbewijs terug te krijgen en dat hij heeft deelgenomen aan rijvaardigheidsonderzoeken waarvoor hij is gezakt.
Ten slotte is door het openbaar ministerie aan het dossier toegevoegd een proces-verbaal van 7 mei 2022. Hieruit blijkt dat verdachte op 7 mei 2022, zijnde zestien dagen voorafgaand aan de staande houding voor onderhavig feit, eveneens staande is gehouden wegens het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs en dat de verhorend politieambtenaar tijdens het verhoor van verdachte aan de verdachte heeft medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig was. Verdachte heeft zich in dit verhoor steeds op zijn zwijgrecht beroepen. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat hij een brief van het CBR over het onderzoek had ontvangen, maar dat hij geen brief heeft ontvangen waarin stond dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Verdachte kan zich het verhoor op 7 mei 2022 niet herinneren. Verdachte heeft verder verklaard dat hij er op 29 mei 2022 niet van op de hoogte was dat zijn rijbewijs ongeldig was.
Deze feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof, gelet op de hiervoor weergegeven jurisprudentie van de Hoge Raad, onvoldoende voor het bewijs dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde feit.”
4. Het door het openbaar ministerie voorgestelde middel
4.1
Het middel houdt in dat het oordeel van het hof dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard onbegrijpelijk is, omdat tijdens een verhoor van de verdachte op 7 mei 2022 – en dus voorafgaand aan de staandehouding voor het feit dat in deze zaak centraal staat – aan de verdachte is medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dat de verdachte zich tijdens dit verhoor heeft beroepen op zijn zwijgrecht en later heeft verklaard dat hij zich het verhoor niet kan herinneren, doet er volgens de steller van het middel niet aan af dat de verdachte wist van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs. Voor een bewezenverklaring van het “weten of redelijkerwijs moeten weten” in de zin van art. 9 lid 2 WVW 1994 is de in een proces-verbaal vervatte mededeling van een politieambtenaar voldoende, zo betoogt de steller van het middel: voor het bewijs van wetenschap omtrent de ongeldigheid van het rijbewijs is niet noodzakelijk dat uit de stukken blijkt dat de verdachte de mededeling ook heeft begrepen, of daarop een reactie heeft gegeven.
4.2
Art. 9 lid 2, eerste volzin, WVW 1994 luidt:
“Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, indien aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van die categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte van de geldigheidsduur te besturen of als bestuurder te doen besturen.”
4.3
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:826, zijn overzichtsarrest van 9 juli 20192.aangevuld en uiteengezet welke eisen gelden ten aanzien de bewijsvoering van een bewezenverklaring op grond van art. 9 lid 2 WVW 1994. Ten aanzien van het bewijs dat de verdachte “weet of redelijkerwijs moet weten” dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard, overweegt de Hoge Raad:
“In de derde plaats moet uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dit vereiste hangt ermee samen dat artikel 9 WVW 1994 een misdrijf oplevert; zo’n vereiste geldt bijvoorbeeld niet bij de overtreding van artikel 107 WVW 1994. De vraag of aan dit vereiste is voldaan kan bijzondere aandacht verdienen, in het bijzonder in die gevallen waarin daarover niets blijkt uit de verklaringen van de verdachte, en ook niet uit gedragingen zoals het voldoen aan de verplichting het ongeldig verklaarde rijbewijs in te leveren (vgl. artikel 124 lid 4 en artikel 132 lid 5 WVW 1994). In dat verband is van belang dat in de rechtspraak van de Hoge Raad meermalen is beslist dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (vgl. bijvoorbeeld HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6762). Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Opmerking verdient dat de bewijsmotivering in dit opzicht wel toereikend is wanneer uit de bewijsvoering volgt dat een uitreiking van het besluit tot ongeldigverklaring in persoon heeft plaatsgevonden. (Vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146.)”3.
4.4
In de schriftuur stelt het openbaar ministerie zich op het standpunt dat de mededeling van een politieambtenaar tijdens een verhoor kan gelden als een omstandigheid waaruit volgt dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard. Wanneer zo’n – in een op ambtseed/-belofte opgemaakt proces-verbaal vastgelegde – mededeling over de ongeldigheid van het rijbewijs ondubbelzinnig is gedaan, lijkt mij dat daaruit doorgaans inderdaad de wetenschap van de verdachte omtrent de ongeldigheid van zijn rijbewijs kan worden afgeleid. Steun voor deze opvatting vind ik in het arrest van de Hoge Raad van 7 januari 2025, waarin de Hoge Raad overweegt dat het oordeel van het hof dat de verdachte ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend is gemotiveerd, in aanmerking genomen dat het hof heeft vastgesteld dat aan de verdachte in persoon door een politieambtenaar was medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard.4.Soortgelijk is de conclusie van A-G Frielink van 21 januari 2025, waarin hij schrijft dat de wetenschap van de verdachte kon volgen uit een proces-verbaal ter zake art. 9 WVW 1994, waarin was opgenomen dat de verdachte is medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard.5.De Hoge Raad deed deze zaak af met de aan art. 81 RO ontleende motivering.6.
4.5
De steller van het middel lijkt ervan uit te gaan dat in het geval aan de verdachte ondubbelzinnig is medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard, dit automatisch leidt tot een bewezenverklaring van het bestanddeel “weet of redelijkerwijs moet weten”. Die conclusie kan meen ik niet altijd worden getrokken. In sommige gevallen kan sprake zijn van omstandigheden die erop wijzen dat de verdachte de mededeling niet heeft begrepen: zo zou de vaststelling dat de verdachte psychisch kwetsbaar is of de taal onvoldoende machtig is, een contra-indicatie kunnen opleveren voor het ‘weten of redelijkerwijs moeten weten’.
4.6
In onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat de politieambtenaar de verdachte heeft ingelicht over de ongeldigheid van zijn rijbewijs. Het hof wijst er echter eveneens op dat de verdachte zich gedurende dat verhoor heeft beroepen op zijn zwijgrecht, en dat de verdachte heeft verklaard zich het verhoor niet te kunnen herinneren. Kennelijk heeft het hof geloof gehecht aan laatstgenoemde verklaring van de verdachte en uit deze omstandigheden afgeleid dat de verdachte niet wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
4.7
Het hof heeft aan dit oordeel het volgende toetsingskader ten grondslag gelegd (reeds weergegeven onder randnummer 3.2, maar hier voor het lezersgemak herhaald):
“Het bewijs van ’wetenschap’ kan onder omstandigheden geleverd worden op basis van de inhoud van de verklaring van verdachte. Die verklaring van verdachte moet dan wel ‘voldoende ondubbelzinnig zijn’. Bewijs van wetenschap of het redelijkerwijs moeten weten kan eveneens ontleend worden aan de verklaring van verdachte of de mededeling ter zake de ongeldigheid door de verhorend politieambtenaar bij gelegenheid van het verhoor van verdachte na een eerdere constatering van overtreding van artikel 9 van de Wegenverkeerswet. Ook in die gevallen zal de eerder afgelegde verklaring van verdachte voldoende ondubbelzinnig moeten zijn.”
4.8
De steller van het middel schrijft dat “indien het Hof met deze overweging tot uitdrukking zou hebben willen brengen dat slechts dan sprake is van een ondubbelzinnige mededeling dat het rijbewijs ongeldig is verklaard als de verdachte daarop zou hebben laten weten dat hij dit begrijpt of iets dergelijks, [dit] getuigt […] van een onjuiste rechtsopvatting.”
4.9
Het is mij op basis van de overweging van het hof niet helemaal duidelijk of het hof heeft willen uitdrukken dat de wetenschap van de verdachte ten aanzien van de ongeldigheid van het rijbewijs niet kan worden bewezen zonder een daarover door de verdachte afgelegde verklaring. Zou het hof inderdaad hebben bedoeld een dergelijke eis te stellen, dan getuigt dit van een onjuiste rechtsopvatting: hoewel een verklaring van de verdachte veelal van belang is voor het bewijs van het ‘weten of redelijkerwijs moeten weten’, is zo’n verklaring – onder verwijzing naar de onder randnummer 4.4 besproken jurisprudentie – niet noodzakelijk.
4.10
Het is eveneens mogelijk dat het hof niet heeft bedoeld uit te drukken dat een ondubbelzinnige verklaring van de verdachte (in reactie op de mededeling van de verbalisant) vereist is. Immers schrijft het hof dat het “[b]ewijs van wetenschap of het redelijkerwijs moeten weten […] ontleend [kan] worden aan de […] mededeling ter zake de ongeldigheid door de verhorend politieambtenaar bij gelegenheid van het verhoor van verdachte na een eerdere constatering van overtreding van artikel 9 van de Wegenverkeerswet”. Zou het hof – met de Hoge Raad – van deze opvatting zijn uitgegaan, dan kunnen de door het hof vastgestelde feiten in beginsel aanleiding geven tot een bewezenverklaring ter zake van art. 9 lid 2 WVW 1994.
4.11
Het hof heeft in de vaststelling dat de verdachte zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen en in de verklaring van de verdachte dat hij zich het verweer van 7 mei 2022 niet kan herinneren, echter aanleiding gezien om de verdachte vrij te spreken. De motivering van de vrijspraak op basis van voornoemde omstandigheden roept, ook wanneer ik in aanmerking neem dat de feitenrechter een grote vrijheid toekomt in de selectie en waardering van het bewijs, vragen op. Want wat heeft nu gemaakt dat het hof deze verklaring van de verdachte doorslaggevend heeft geacht? Het enkele zwijgen tijdens een verhoor en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting zich het verhoor niet te kunnen herinneren, kunnen op zichzelf bezwaarlijk worden beschouwd als contra-indicaties die aan een bewezenverklaring van het ‘weten of redelijkerwijs moeten weten’ in de weg staan. Immers zou dan iedere verdachte die verklaart zich de mededeling over de ongeldigheid van zijn rijbewijs niet te kunnen herinneren, gevrijwaard zijn van strafbaarheid. En heeft hetzelfde dan te gelden voor de verdachte die later verklaart zich de uitreiking in persoon van een ongeldigverklaring niet te kunnen herinneren? Dat lijkt me een onwenselijke situatie. Nu een ondubbelzinnige mededeling van een politieambtenaar in beginsel voldoende is voor een bewezenverklaring van het ‘weten dan wel redelijkerwijs moeten weten’, kan mijns inziens van de feitenrechter worden gevergd dat hij, indien de verdachte (slechts) verklaart zich de mededeling niet te herinneren, uitlegt waarom aan die verklaring een zodanig gewicht moet worden toegekend dat maakt dat de mededeling van de opsporingsambtenaar niet langer voldoende is voor een bewezenverklaring. Een dergelijke uitleg ontbreekt in onderhavige zaak. Het oordeel van het hof is daarom niet zonder meer begrijpelijk.
5. Slotsom
5.1
Het door het openbaar ministerie voorgestelde middel slaagt.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van de verdachte en – naar aanleiding van het door het openbaar ministerie voorgestelde middel – tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de vrijspraak ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑09‑2025
HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146, NJ 2019/454, m.nt. W.H. Vellinga.
HR 3 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:826, rov. 2.3.1.
HR 7 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:27, rov. 2.4.
Concl. A-G Frielink voor HR 1 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:468 (ECLI:NL:PHR:2025:66), randnr. 2.10-2.12.
HR 1 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:468.
Beroepschrift 18‑07‑2024
CASSATIESCHRIFTUUR
Rolnummer: 21-003354-23
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 12 april 2024, waarbij het Hof in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats]
de verdachte, voor zover thans in cassatie van belang, heeft vrijgesproken van de tenlastelegging onder 2., waarin aan verdachte werd verweten dat hij — kort gezegd — heeft gereden met een ongeldig verklaard rijbewijs.
Rekwirant kan zich met die vrijspraak niet verenigen en stelt daarom het volgende middel van cassatie voor.
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in art. 79 lid 1 Wet RO, meer in het bijzonder schending van art. 9 WVW 1994, aangezien, zoals hierna nader zal worden toegelicht, het oordeel van het Hof dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, niet begrijpelijk is, althans in het licht van de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden ontoereikend is gemotiveerd.
Toelichting
1.
Aan verdachte is onder 2. tenlastegelegd dat:
‘hij op of omstreeks 29 mei 2022 te [a-plaats] terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, Dovenetel, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.’
2.
Het Hof heeft de verdachte van dit feit vrijgesproken en daartoe overwogen:
‘Aan de jurisprudentie van de Hoge Raad over het bestanddeel ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ kunnen de volgende gezichtspunten worden ontleend.
Uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en dat die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, kan niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De enkele omstandigheid dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor rijden tijdens ongeldigheid van het rijbewijs en de daarvoor opgelegde straffen, waaronder gevangenisstraffen, zijn geëxecuteerd, is onvoldoende voor het bewijs van het redelijkerwijs moeten weten dat het rijbewijs ongeldig was verklaard. Het bewijs van ‘wetenschap’ kan onder omstandigheden geleverd worden op basis van de inhoud van de verklaring van verdachte. Die verklaring van verdachte moet dan wel ‘voldoende ondubbelzinnig zijn’. Bewijs van wetenschap of het redelijkerwijs moeten weten kan eveneens ontleend worden aan de verklaring van verdachte of de mededeling ter zake de ongeldigheid door de verhorend politieambtenaar bij gelegenheid van het verhoor van verdachte na een eerdere constatering van overtreding van artikel 9 van de Wegenverkeerswet. Ook in die gevallen zal de eerder afgelegde verklaring van verdachte voldoende ondubbelzinnig moeten zijn.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof het volgende gebleken. Uit de stukken van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (verder: CBR) blijkt dat het rijbewijs van verdachte op 3 maart 2022 door het CBR ongeldig is verklaard. Het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs is op 3 maart 2022 zowel per aangetekende brief als gewone brief naar het BRP-adres van de verdachte verzonden met de mededeling dat het rijbewijs per 10 maart 2022 ongeldig zou zijn. Deze brieven zijn niet onbestelbaar retour gekomen. Voorts blijkt uit het uittreksel van de Justitiële Documentatie van 26 februari 2024 dat verdachte eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het rijden tijdens een ongeldigheid van het rijbewijs en dat hij de daarvoor opgelegde gevangenisstraffen heeft uitgezeten. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij al langere tijd met het CBR bezig is zijn rijbewijs terug te krijgen en dat hij heeft deelgenomen aan rijvaardigheidsonderzoeken waarvoor hij is gezakt.
Ten slotte is door het openbaar ministerie aan het dossier toegevoegd een proces-verbaal van 7 mei 2022. Hieruit blijkt dat verdachte op 7 mei 2022, zijnde zestien dagen voorafgaand aan de staande houding voor onderhavig feit, eveneens staande is gehouden wegens het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs en dat de verhorend politieambtenaar tijdens het verhoor van verdachte aan de verdachte heeft medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig was. Verdachte heeft zich in dit verhoor steeds op zijn zwijgrecht beroepen. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat hij een brief van het CBR over het onderzoek had ontvangen, maar dat hij geen brief heeft ontvangen waarin stond dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Verdachte kan zich het verhoor op 7 mei 2022 niet herinneren. Verdachte heeft verder verklaard dat hij er op 29 mei 2022 niet van op de hoogte was dat zijn rijbewijs ongeldig was.
Deze feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof, gelet op de hiervoor weergegeven jurisprudentie van de Hoge Raad, onvoldoende voor het bewijs dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde feit.’
3.
In zijn overzichtsarrest van 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146, NJ 2019/454, heeft de Hoge Raad ten aanzien van de vraag of bewezenverklaard kan worden dat de verdachte ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, het volgende overwogen:
‘2.4.4.
In de derde plaats moet uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dit vereiste hangt ermee samen dat art. 9 WVW 1994 een misdrijf oplevert; een dergelijk vereiste geldt bijvoorbeeld niet bij de overtreding van art. 107 WVW 1994. De vraag of aan dit vereiste is voldaan kan bijzondere aandacht verdienen, in het bijzonder in die gevallen waarin daaromtrent niets blijkt uit de verklaringen van de verdachte, noch uit gedragingen zoals het voldoen aan de verplichting het ongeldig verklaarde rijbewijs in te leveren (vgl. art. 124, vierde lid, onderscheidenlijk art. 132, vijfde lid, WVW 1994). In dat verband is van belang dat in de rechtspraak van de Hoge Raad meermalen is beslist dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (vgl. bijvoorbeeld HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6762). Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Dat wordt geïllustreerd door het overzicht van de rechtspraak in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 10.1 tot en met 10.6. Opmerking verdient dat de bewijsmotivering in dit opzicht wel toereikend is wanneer uit de bewijsvoering volgt dat een uitreiking van het besluit tot ongeldigverklaring in persoon heeft plaatsgevonden.’
4.1
Gelet op de hiervoor weergegeven uitspraak van de Hoge Raad heeft het Hof in zijn overwegingen dan ook het juiste toetsingskader vooropgesteld. Dit geldt ook voor de overweging van het Hof dat het bewijs ook ontleend kan worden aan de verklaring van verdachte of de mededeling ter zake de ongeldigheid door de verhorend politieambtenaar bij gelegenheid van het verhoor van verdachte na een eerdere constatering van overtreding van art. 9 WVW 1994. Rekwirant kan zich ook vinden in de overweging van het Hof dat die verklaring van verdachte dan voldoende ondubbelzinnig moet zijn. Het Hof stelt ten aanzien van de mededeling door de verhorend ambtenaar ter zake de ongeldigheid van het rijbewijs verder geen nadere eisen, maar aangenomen moet worden dat ook een dergelijke mededeling ondubbelzinnig moet zijn, wil die het bewijs kunnen opleveren dat verdachte op het latere moment wist, of op zijn minst redelijkerwijs moest weten, dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
Het Hof heeft vastgesteld dat verdachte op 7 mei 2022, zijnde zestien dagen (het Hof zal bedoeld hebben: 22 dagen, rekw.) voorafgaand aan de staandehouding voor het onderhavige feit, eveneens is staande gehouden wegens het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs en dat tijdens het verhoor in die zaak de verhorend politieambtenaar aan verdachte heeft meegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig was.
4.2
Uit de gedingstukken, waaronder de appelmemorie van de officier van justitie, blijkt dat het proces-verbaal van dit verhoor van 7 mei 2022 — voor zover thans van belang — inhoudt:
‘P (= verhoorder, rekw.): Ik heb je meegedeeld dat de volgende rijbewijsmaatregel van kracht is, ongeldig verklaard rijbewijs. Wist je van deze rijbewijsmaatregel?
V (= verdachte, rekw.); ‘Zwijgrecht
P : Wist je dat je met deze rijbewijsmaatregel niet mag rijden met een motorrijtuig van de categorie waarop die maatregel van toepassing is?
V : ‘Zwijgrecht’’
Dit proces-verbaal kan niet anders worden begrepen dan als een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal, waarin wordt gerelateerd dat aan verdachte op. mei 2022 ondubbelzinnig is medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard en, in het verlengde daarvan, dat hij met deze rijbewijsmaatregel niet mag rijden met een motorrijtuig van de categorie waarop die maatregel van toepassing is. Niet valt in te zien dat het feit dat verdachte zich tijdens dit verhoor op zijn zwijgrecht heeft beroepen zou meebrengen dat geen sprake zou zijn van een ondubbelzinnige mededeling. Indien het Hof met deze overweging tot uitdrukking zou hebben willen brengen dat slechts dan sprake is van een ondubbelzinnige mededeling dat het rijbewijs ongeldig is verklaard als de verdachte daarop zou hebben laten weten dat hij dit begrijpt of iets dergelijks, getuigt dit van een onjuiste rechtsopvatting. Een mededeling is immers geen vraag waarop een (bevestigend) antwoord vereist is. Het enkele feit dat het Hof heeft overwogen dat verdachte heeft verklaard zich het verhoor van 7 mei 2022 niet te kunnen herinneren, maakt dit niet anders. Dit is immers een omstandigheid die voor rekening van verdachte dient te komen. Gelet hierop is het oordeel van het Hof dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, niet begrijpelijk, althans in het licht van de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden ontoereikend gemotiveerd.
4.3
De verdediging heeft ter zitting in hoger beroep nog een beroep gedaan op HR 22 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:290. Weliswaar had het Hof in die zaak overwogen dat uit door de advocaat-generaal in het dossier gevoegde stukken bleek dat aan de verdachte bij eerdere aanhoudingen op 5 februari 2016 en 17 juni 2016 was meegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, maar het Hof had die omstandigheden niet opgenomen onder de bewijsmiddelen. Uit de conclusie van AG Harteveld voor dit arrest van de Hoge Raad blijkt verder dat die mededeling niet ondubbelzinnig was, nu slechts sprake was van het zetten van een kruisje op een formulier met een voorgedrukte tekst (ECLI:NL:PHR:2022:1, onder 3.10). Zoals hiervoor aangegeven was in de onderhavige zaak de door de politieambtenaar gedane mededeling ondubbelzinnig en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar.
Indien dit cassatiemiddel doel treft, zal het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 12 april 2024 voor wat betreft de vrijspraak van het onder 2. tenlastegelegde niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook dit arrest in zoverre te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 18 juli 2024
mr. H.H.J. Knol
advocaat-generaal bij het ressortsparket