Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/5.3.c
5.3.c Nader over ‘middelen’ in cassatie
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS609525:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 13 maart 2001, NJ 2001/296.
Als niet alle middelen ondeugdelijk zijn, worden de ondeugdelijke middelen buiten beschouwing gelaten of blijven zij onbesproken, zie bijv. HR 1 januari 2011, NJ 2012/ 130, m.nt. Reijntjes.
Van Dorst 2015, p. 207-216; zie daarnaast HR 22 oktober 2002, NJ 2003/154 en HR 22 oktober 2002, NJ 2003/155, beide m.nt. Buruma inzake middelen over overschrijding van de redelijke termijn; zie over deze ‘inwendige’ eisen aan de schriftuur voorts Mout 1989; Koster 1998 en Elzinga 1999, p. 193-197.
Zie algemeen hierover paragraaf 5.2c.
Kamerstukken II 1997/98, 26027, nr. 3, p. 11; Handelingen II 1998/99, 48, p. 3281; Handelingen I 1999/2000, 2, p. 55.
Handelingen II 1998/99, 48, p. 3278.
Nadrukkelijk in HR 2 maart 1999, NJ 1999/739, m.nt. De Hullu.
HR 1 januari 2011, NJ 2012/130, m.nt. Reijntjes.
HR 21 oktober 2008, NJ 2008/610, m.nt. Mevis; HR 29 september 2009, NJ 2009/541, m.nt. Reijntjes; hierover Mevis 2010, par. 4.
Van Dorst 2015, p. 130; zie bijv. HR 21 oktober 2008, NJ 2008/610, m.nt. Mevis.
Van Dorst 2015, p. 210-211, met vele voorbeelden.
HR 3 oktober 2006, NJ 2006/549.
Zie bijv. HR 7 september 2004, NJ 2005/99, m.nt. Mevis.
Zie een voorbeeld daarvan in HR 19 april 2005, NJ 2005/263.
Van Dorst 2015, p. 93.
Hoofdstuk 7.3.
Van Dorst 2015, p. 216; als niet de gehele schriftuur uit ondeugdelijke middelen bestaat – en de schriftuureis dus niet als toegangsvoorwaarde functioneert – kunnen de ondeugdelijke middelen eventueel op voet van de 80a-gronden met art. 81 RO verkort gemotiveerd worden afgewezen. Niet onderzocht is of in de rechtspraak ten aanzien van enkele ondeugdelijke middelen daaraan hogere eisen worden gesteld, nu het hierbij niet gaat om toegangsvoorwaarden in de zin van dit onderzoek.
Deze gevallen komen volgens mij niet vaak voor en leiden evengoed tot niet-ontvankelijkverklaring. Het is daarom begrijpelijk dat de Hoge Raad álle klachten die niet kunnen gelden als middel van cassatie als in de wet bedoeld beschouwt als klachten die klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden in de zin van artikel 80a RO, zie HR 11 september 2012, NJ 2013/241, m.nt. Bleichrodt, en als voorbeeld HR 8 juli 2014, ECLI: 1693.
In cassatie stelt de Hoge Raad strengere eisen aan de ‘middelen’ in de zin van artikel 437 Sv dan dat in hoger beroep gebeurt. Het moet in cassatie gaan om een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.1 Indien geen enkel middel aan die eisen voldoet, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard.2 Van Dorst vermeldt een groot aantal uitspraken waarin bezwaren om diverse redenen niet als ‘middel’ in de zin van de wet waren aan te merken. Zijn uiteenzetting onthult onder meer eisen aan: de aanduiding van bestreden onderdelen van de uitspraak, specificatie van de rechtsregel die zou zijn geschonden of de vorm die zou zijn verzuimd, en de ontoelaatbaarheid van verwijzing naar eerder gevoerde pleidooien of andere stukken.3 Anders dan in hoger beroep worden aan bezwaren in cassatie dus de nodige inhoudelijke eisen gesteld. Hier rijst daarom de specifieke vraag of de vereisten aan een cassatiemiddel de Hoge Raad de gelegenheid geven tot inhoudelijke of vrije toegangsbeoordeling.
Het antwoord op deze vraag begint bij algemene invoering van het schriftuurvereiste in cassatie in 2000.4 Kwaad werd gesproken van de cassatiemiddelen die verdachten zelf in cassatie indienden, omdat deze niet afgestemd waren op de beperkte juridische gronden die de cassatietoetsing kenmerkt.5 Gepleit werd daarom voor verplichte procesvertegenwoordiging omdat dit zou leiden tot schrifturen van “hogere kwaliteit”.6 Voorgesteld werd ook om de mogelijkheid van ambtshalve cassatie af te schaffen. Het bestaan van deze mogelijkheid zou advocaten namelijk kunnen uitlokken een “pro-forma-middel” op te geven.7 Daarbij dacht men waarschijnlijk aan middelen die inhoudelijk niet veel om het lijf hebben maar wel de gehele bestreden uitspraak blootleggen voor ambtshalve controle. Intussen werd meer algemeen opgemerkt: “de mate waarin genoemde voordelen [werklastverlichting en kwaliteitsverbetering, GP] zullen worden gerealiseerd, hangt voor een belangrijk deel af van de wijze waarop de advocatuur haar rol zal vervullen en de deskundigheid waarmee dit zal gebeuren”.8 Deze passage mondde uit in de wens dat advocaten aan sommige verdachten zouden weigeren een schriftuur op te stellen, maar de passage kan evengoed betrokken worden op de situatie waarin een advocaat wel een schriftuur met middelen opstelt. Wil de beoogde kwaliteitsverbetering en werklastverlichting in cassatie worden gerealiseerd, dan moet een advocaat de middelen precies formuleren.
Dit algemene streven van de wetgever is als ik het goed zie voor de Hoge Raad toentertijd geen aanleiding geweest zijn vaste ‘stellige en duidelijke klachten’-rechtspraak aan te scherpen. Weliswaar eist de Hoge Raad dat een middel duidelijk wordt gemotiveerd,9 maar inhoudelijke beoordeling van de motivering lijkt in dat verband niet plaats te vinden. Het gaat er vooral om dat algemene beweringen over onjuiste rechtstoepassing, de schending van wettelijke bepalingen of de enkele verwijzing naar rechtspraak onvoldoende zijn.10 Zoals opgemerkt kan dit motiveringsvereiste worden toegepast als inhoudelijke toegangsvoorwaarde, namelijk indien niet alleen wordt gecontroleerd of (voldoende concreet) is gemotiveerd, maar ook of die motivering relevant is en ter zake doet. De jurisprudentie wijst mijns inziens niet op dergelijk gebruik van de motiveringseis.
Vermelding verdient daarnaast de rechtspraak van de Hoge Raad over klachten die niet eerst in cassatie kunnen worden aangevoerd omdat de beoordeling ervan samenhangt met waarderingen van feitelijke aard en de rechtspraak over klachten die feitelijke grondslag ontberen.11 Dit soort klachten miskent het typische karakter van de juridische toetsing die in cassatie wordt uitgevoerd. De toelichting op de wetten-Haak bevat aanknopingspunten om dit soort klachten niet als cassatiemiddelen te beschouwen, maar de jurisprudentie laat zien dat de Hoge Raad op deze klachten steeds inhoudelijk beslist, zij het dat dergelijke klachten soms veelzeggend als “ondeugdelijk” worden afgekeurd.12 Anders dan een schriftuur met alleen algemene of ongemotiveerde klachten, staat een schriftuur met louter ‘feitelijke’ klachten dus niet aan ontvankelijkheid van het beroep in de weg.
Hetzelfde geldt voor de jurisprudentiële eis dat de insteller van het beroep bij zijn middelen een rechtens te respecteren belang moet hebben. Als ‘rechtens te respecteren’ zeer beperkt en gericht zou worden uitgelegd, bijvoorbeeld als relevant voor de rechtsvorming, dan zou de Hoge Raad daarmee beschikken over een vrije toegangsvoorwaarde. Uit de rechtspraak blijkt echter ten eerste dat de voorwaarde neerkomt op een Schutznorm-vereiste: er bestaat geen belang bij een middel als dat middel klaagt over de schending van regels die niet het belang van de insteller van het beroep beschermen.13 Zo kan de verdachte niet klagen dat niet is gereageerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van het openbaar ministerie.14 Het vereiste van belang bij een middel heeft dus een specifieke betekenis en geeft de Hoge Raad in elk geval niet de gelegenheid tot vrije toegangsbeoordeling. Daar komt ten tweede bij dat, indien belang bij het middel ontbreekt, het middel wel inhoudelijk wordt afgedaan in plaats van dat dit gevolgen voor de ontvankelijkheid van het beroep zou kunnen hebben.15 Ambtshalve cassatie staat dus open.16
Deze rechtspraak over feitelijke klachten of klachten zonder belang, die dus niet deugen maar wel inhoudelijk worden afgedaan, kan worden opgevat als signaal dat de Hoge Raad de middeleneis als toegangsvoorwaarde uiteindelijk niet te inhoudelijk wil invullen. Dat (minimum)eisen worden gesteld aan duidelijkheid, specificiteit en motivering van een middel, maakt nog niet dat de ontvankelijkheidseis dat middelen van cassatie worden ingediend voor inhoudelijk of vrije toegangsbeoordeling wordt ingezet.
De Wet versterking cassatierechtspraak uit 2012 is in twee – enigszins tegenstrijdige – opzichten voor deze tussenconclusies van betekenis. Enerzijds vormt de wet een argument voor het stellen van hogere eisen aan middelen van cassatie. De wet opent namelijk de mogelijkheid ook in het strafrecht speciale eisen te stellen aan advocaten die in cassatie bijstand verlenen. “Niet alleen zal de advocaat geverseerd moeten zijn in de cassatietechniek, hij zal ook meer dan gemiddeld moeten beschikken over een diepgaande kennis van het materiële recht, het procesrecht, als ook over een ruime proceservaring”, aldus de toelichting.17 Indien de verplichte specialisatie ook in het strafrecht daadwerkelijk wordt ingevoerd, is het volgens Van Dorst “niet te stout om te veronderstellen dat de teugels zullen worden aangetrokken” wat betreft de welwillende uitleg van middelen en de toelichting daarop.18 Gelet op de wetsgeschiedenis geldt mogelijk hetzelfde voor de eisen die aan middelen zelf worden gesteld. In de memorie van toelichting worden bijvoorbeeld als ondermaats beschouwd: middelen van cassatie waarin de aard van de toetsing in cassatie miskend wordt, bijvoorbeeld omdat in wezen een nieuwe vaststelling van de feiten wordt gevraagd, middelen waarin de duidelijke strekking van de wet of vaste rechtspraak wordt miskend of middelen waarmee wordt geklaagd over kennelijke misslagen van ondergeschikt belang.19 Niet alleen kan dit soort middelen in cassatie natuurlijk niet slagen, de Hoge Raad zou gelet op de wetsgeschiedenis dergelijke klachten voorts niet meer als middelen in de zin van de wet kunnen beschouwen, met eventuele toegangsweigering als gevolg.
Anderzijds heeft de Wet versterking cassatierechtspraak deze lijn van denken overbodig heeft gemaakt door de introductie van artikel 80a RO. Dat artikel geeft aan de Hoge Raad de mogelijkheid tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep indien de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden of de insteller van het beroep klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het beroep. Hierbij moet gedacht worden aan dezelfde klachten als die hiervoor uit de memorie van toelichting zijn aangehaald: geen feitelijke grondslag, in strijd met vaste rechtspraak of duidelijke wetgeving, etc.20 Voor zover met een beroep op de Wet versterking cassatierechtspraak dus inhoudelijke eisen aan middelen van cassatie kunnen worden gesteld, liggen deze eisen al besloten in artikel 80a RO.21 Het is bij die stand van zaken onnodig om ook het middelenvereiste als inhoudelijke toegangsvoorwaarde op te tuigen. Voor inhoudelijke toegangsbeoordeling bestaat immers een daarop toegespitste wettelijke bepaling.
Dit betekent dat de rechtspraak over stellige en duidelijke klachten voor de toegang tot beroep alleen nog zelfstandig relevant is – want niet door artikel 80a RO geabsorbeerd – in de situatie dat een schriftuur onbeholpen geformuleerde klachten bevat die wél tot cassatie zouden kunnen leiden als deze deugdelijk waren opgesteld. Het gaat dus om gevallen waarin een ondeugdelijk middel is gericht op een evengoed ondeugdelijk onderdeel van het bestreden arrest, bij de vernietiging waarvan de insteller van het beroep voorts belang heeft.22 Het gaat concreet om middelen die bijvoorbeeld niet voldoen aan eisen van ondubbelzinnigheid, specificiteit en consistentie. Dit soort voor de hand liggende en klassieke eisen aan een cassatiemiddel biedt intussen weinig ruimte voor inhoudelijke of vrije toegangsbeoordeling. Overigens bevat de gepubliceerde rechtspraak – als ik het goed zie – sinds de inwerkingtreding van artikel 80a RO geen arresten meer waarin op grond van het middelenvereiste het gehele cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Dergelijke beroepen worden kennelijk thans met behulp van artikel 80a RO niet-ontvankelijk verklaard.
Kortom, het middelen- of schriftuurvereiste uit artikel 437 Sv zou op grond van de toelichting op de Wetten-Haak en Wet versterking cassatierechtspraak weliswaar kunnen worden uitgelegd en gebruikt voor inhoudelijke of zelfs vrije toegangsbeoordeling, maar deze uitleg is door de introductie van artikel 80a RO overbodig gemaakt.