HR, 18-06-2024, nr. 22/03789
ECLI:NL:HR:2024:849
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-06-2024
- Zaaknummer
22/03789
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:849, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑06‑2024; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:501
- Vindplaatsen
Uitspraak 18‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Ontucht met 15-jarig meisje door 53-jarige verdachte (art. 245 Sr). 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. betrouwbaarheid van verklaringen van aangeefster en getuige, art. 359.2 Sv. 2. Uos m.b.t. betrouwbaarheid van de in p-v van aanhouding opgenomen verklaring van verdachte, art. 359.2 Sv. 3. Toelaatbaarheid bijzondere voorwaarde m.b.t. “openheid over relaties/seksualiteit”, art. 14c.2.14 Sr. HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03789
Datum 18 juni 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 29 september 2022, nummer 22-002727-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben C.W. Noorduyn en N.J.B. Vegelien, beiden advocaat in 's‑Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2024.