Belanghebbende verwijst onder andere de brief van 7 januari 2014 aan het Gerechtshof waarin de in dit cassatieberoepschrift weergegeven inhoud van de Draaiboeken en nieuwsbrieven wordt weergegeven en besproken en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 juni 2014.
HR, 06-11-2015, nr. 14/06535
ECLI:NL:HR:2015:3228, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-11-2015
- Zaaknummer
14/06535
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 06‑11‑2015
ECLI:NL:HR:2015:3228, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑11‑2015; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2014:9135, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Vindplaatsen
NTFR 2016/236
NTFR 2015/2971 met annotatie van mr. P.G.J. Tiemessen
FutD 2015-2699
Viditax (FutD) 2015110605
Beroepschrift 06‑11‑2015
Aangetekend
Hoge Raad der Nederlanden
t.a.v de Fiscale sectoradministratie
Postbus 20303
2500 EH DEN HAAG
Eveneens per telefax: (070) 753 03 54
Edelhoogachtbaar College,
Namens belanghebbende, [X], is op 29 december 2014 pro forma cassatie aangetekend tegen de uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 november 2014.
Bij brief van 5 januari 2015 heeft u belanghebbende in de gelegenheid gesteld de motivering van het cassatieberoepschrift uiterlijk binnen 6 weken in te dienen. Naar aanleiding daarvan dient het volgende.
Inleiding
Belanghebbende is in beroep gekomen bij de Rechtbank Leeuwarden tegen de belissing op het bezwaar tegen de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 1996 tot en met 2002 en vermogensbelasting (VB) 1997 tot en met 2000. Deze navorderingsaanslagen houden verband met vermogen dat belanghebbende in deze jaren aanhield bij Duitse en Luxemburgse banken, maar dat niet in de aangifte IB/PVV en VB is vermeld.
De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 28 februari 2012 gegrond verklaard, de uitspraken van de inspecteur vernietigd, de navorderingsaanslagen, de daarin begrepen verhogingen en de beschikkingen heffingsrente vernietigd.
In hoger beroep was in geschil of het de inspecteur is toegestaan om, met toepassing van artikel 16, lid 4 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) de navorderingsaanslagen op te leggen. Tevens was in geschil of de inspecteur terecht en tot de juiste bedragen de verhogingen heeft opgelegd en kwijtschelding daarvan heeft verleend.
Het Gerechtshof heeft geoordeeld dat de inspecteur bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen voldoende voortvarend heeft gehandeld, waardoor de inspecteur bevoegd was om de navorderingsaanslagen met gebruik van de verlengde navorderingstermijn vast te stellen.
Ten slotte oordeelt het. Gerechtshof dat de boete wordt verminderd met 20% in verband met overschrijding van de redelijke termijn.
Cassatiemiddel I
Schending, althans verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van de artikelen 16, lid 4 AWR en 56 en 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (artikel 49 en 56 EG), en verzuim van vormen, in het bijzonder de motiveringseis, doordat het Gerechtshof ten onrechte, respectievelijk op gronden die dit oordeel niet kunnen dragen, heeft geoordeeld dat het door de inspecteur betoogde onderscheid in makkelijk en moeilijk identificeerbare rekeninghouders is gemaakt en dat belanghebbende behoort tot de groep van moeilijk identificeerbaar geachte belastingplichtigen die na 1 mei 2003 werden geïdentificeerd. 's Hofs beslissing is te dezer zake onbegrijpelijk, althans onvoldoende naar de wet met redenen omkleed.
Toelichting
Het Gerechtshof stelt in r.o. 4.8 het volgende:
‘Zoals ook blijkt uit de in 2.4 opgenomen passages uit de ‘Nieuwsbrieven’ heeft de identificatie van de KB-Lux rekeninghouders plaatsgevonden in een aantal tranches. Daartoe heeft de Belastingdienst van alle op de fiches vermelde rekeninghouders beoordeeld hoe moeilijk het naar verwachting zou zijn deze aan de hand van de beschikbare gegevens te identificeren. Nadat tot en met met mei 2003 de eenvoudige identificaties (veelal rekening op naam man en vrouw, daarbij ook de meisjesnaam van de vrouw) (4.600 personen) hebben plaatsgevonden zijn, aldus de Inspecteur, nadien de moeilijker te identificeren personen ter hand genomen. Belanghebbende behoorde volgens de Inspecteur tot die laatste categorie omdat het in 2.3 vermelde microfiche slechts één achternaam betrof. Belanghebbende bestrijdt in wezen dat hij tot de moeilijk te identificeren personen behoort, met als gevolg dat hij eerder geïdentificeerd had moeten worden.
Gezien de massaliteit van het aantal te identificeren personen en de organisatie van het ‘Rekeningen Project’ acht het Hof het alleszins redelijk dat de identificatie van de rekeninghouders in een aantal tranches is verlopen. De tijd die is gebruikt om eenvoudig identificeerbaar geachte rekeninghouders te identificeren heeft geduurd van 7 november 2000 tot 1 mei 2003. De Inspecteur heeft met hetgeen hij heeft aangedragen aannemelijk gemaakt dat de Belastingdienst/FIOD in deze periode voldoende voortvarend heeft behandeld. Gelet op het in 4.6 geformuleerde uitgangspunt bestaan er geen bezwaren om moeilijk identificeerbaar geachte personen op een later moment te identificeren dan de eenvoudig geachte gevallen. (…) Dat de identificatie van belanghebbende, naar achteraf bleek, minder moeilijk was dan de Inspecteur bij de indeling van belanghebbende tot de categorie moeilijk identificeerbare personen had ingeschat, hetgeen belanghebbende stelt en de Inspecteur overigens weerspreekt, doet hier niet aan af. Het Hof acht aannemelijk dat ook voor de ‘moeilijke gevallen’ de Inspecteur voldoende voortvarend heeft gehandeld (in dit geval vanaf 1 mei 2003 tot en met 10 september 2004.’
Het Gerechtshof volgt in haar oordeel de ongemotiveerde stelling van de inspecteur dat belanghebbende tot de moeilijk identificeerbare belastingplichtigen zou behoren waarvan de identificatie na mei 2003 startte, omdat er sprake was van een rekening op één naam. Dit standpunt is door belanghebbende in de procedure gemotiveerd betwist en daarmee onjuist gebleken.1. Vast staat derhalve dat belanghebbende niet moeilijk identificeerbaar was. Het Gerechtshof laat na te motiveren waarom zij zich toch baseert op dit onjuiste standpunt van de inspecteur, alsmede waarom zij de gemotiveerde betwisting zijdens belanghebbende passeert. De uitspraak wordt hiermee onbegrijpelijk, althans niet onvoldoende gemotiveerd.
Belanghebbende verwijst voor wat betreft zijn betwisting naar paragraaf 3.1.2. van de Amsterdamse versie van het Draaiboek Rekeningenproject, met als titel ‘Het identificatietraject’, waarin wordt omschreven hoe identificatie van een belastingplichtige in het Rekeningenproject plaatsvindt:
‘Van een groot aantal rekeninghouders is op de microfiches de eigen naam vermeld, dat wil zeggen 1' voornaam c.q. doopnaam en achternaam van de rekeninghouder en evt. (onderstreping MPW) achternaam van 2' rekeninghouder (meestal echtgenote van 1e rekeninghouder), dan wel namen van mederekeninghouders. Adresgegevens en geboortedata zijn niet bekend. (…)
Dit cliëntenbestand KB Lux is op verzoek van de FIOD Opsporingsinformatie Haarlem door B/KIR gematcht met het BvR-bestand (Beheer van Relaties), een bestand van de Belastingdienst, waarin alle Nederlandse natuurlijke- en rechtspersonen zijn opgenomen. Het BvR-bestand wordt voor wat betreft de natuurlijke personen gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie.
Op deze manier zijn ruim 2000 rekeninghouders vrijwel zeker geïdentificeerd en is voornoemd cliëntenbestand KB Lux onder meer aangevuld met de sofinummers van de vermoedelijke rekeninghouders. Opgemerkt wordt dat in het BvR-bestand de natuurlijke personen zijn opgenomen met voorletters en niet met voornamen. Tot slot zijn de gevonden sofinummers gekoppeld aan het bestand van het Centrale Rijbewijzen- en Bromfietsencertificatenregister (CRB). In dit bestand zijn de sofinummers, de voornaam en de geslachtsnaam opgenomen van alle natuurlijke personen met een rijbewijs of een bromfietscertificaat. Dit bestand is aangekocht van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna genoemd: RDW-bestand). De wijze van identificatie heeft geleid tot een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid van de juistheid daarvan.’
Uit de nieuwsbrieven in het Rekeningenproject (zie r.o. 2.4) volgt dat belastingplichtigen worden opgenomen in Zoeklicht2. indien een belastingplichtige uniek is. Uit de feitelijke vaststelling van het Gerechtshof in r.o. 2.5 volgt dat er maar één [X] in het BvR en de RDW-systemen was. Belanghebbende was derhalve uniek en kon dus in de eerste tranches tot mei 2003 worden geïdentificeerd. Uit de nieuwsbrieven of andere informatiebronnen blijkt niet dat rekeninghouders met een rekening op één naam werden uitgesloten van identificatie in de tranches tot uiterlijk september 2002. De uitspraak van het Gerechtshof is op dit punt daarom onbegrijpelijk.
Onbegrijpelijk is verder het oordeel van het Gerechtshof dat belanghebbende enkel zou hebben betwist dat hij tot de moeilijk te identificeren personen behoorde. Immers, ook de onderliggende door de inspecteur genoemde criteria voor onderverdeling in moeilijk en makkelijk te identificeren rekeninghouders is door belanghebbende gemotiveerd betwist. Belanghebbende hoort, gelet op de inhoud van de nieuwsbrieven en het Draaiboek, tot de groep rekeninghouders die vóór september 2002 zijn geïdentificeerd.
Overigens blijkt uit nieuwsbrief nummer 8 van 22 november 2002 (geciteerd in de brief van 7 januari 2014 aan het Gerechtshof) duidelijk dat belanghebbende niet tot de 1.600 bijzonder en moeilijkere gevallen behoorde die vanaf mei 2003 zijn geïdentificeerd:
‘Ook wordt voorgesteld met ingang van 1 mei 2003 een doorstart te maken van het rekeningenproject met hoofdzakelijk posten die een intensieve behandeling vragen (rekeningenproject 2). Dat zijn posten, waarbij bezwaar- en beroepsprocedures spelen en posten die in het strafrechtelijk traject zijn opgenomen.’
Belanghebbende heeft hiermee bewezen dat hij niet tot de groep rekeninghouders behoorde die na 1 mei 200-3 zijn geïdentificeerd. De inspecteur heeft niet gesteld, laat staan bewezen dat belanghebbende een post was die intensieve behandeling vroeg en dus na mei 2003 moest worden geïdentificeerd. Toch oordeelt het Gerechtshof dat belanghebbende een moeilijk identificeerbare rekeninghouder is, echter zonder dit oordeel te motiveren dan wel te onderbouwen waarom belanghebbende een post was die intensieve behandeling vroeg. De uitspraak is hiermee onbegrijpelijk.
Het Gerechtshof oordeelt vervolgens dat het feit dat achteraf is gebleken dat belanghebbende eenvoudiger te identificeren was dan was ingeschat, niet afdoet aan de voortvarendheid. Dit oordeel is onjuist en onbegrijpelijk; gesteld noch gebleken is dat er ten aanzien van belanghebbende een eerste inschatting is gemaakt dat er een intensieve behandeling noodzakelijk was. De FIOD heeft belanghebbende blijkbaar over het hoofd gezien, bij de identificatierondes tot aan september 2002 c.q. mei 2003 en heeft, toen de rekening van belanghebbende naar voren kwam, alsnog een identificatie uitgevoerd. Van voortvarend handelen is alsdan geen sprake meer. Het Gerechtshof heeft nagelaten haar oordeel op dit punt te motiveren of onderbouwen, waardoor de uitspraak onbegrijpelijk is en onvoldoende gemotiveerd.
Gelet op de gemotiveerde betwisting door belanghebbende had het Gerechtshof moeten motiveren op grond van welke feiten en omstandigheden zij tot haar oordeel is gekomen dat het door de inspecteur betoogde onderscheid in het identificatieproces wel is gemaakt én waarom belanghebbende zou behoren tot de groep van moeilijk identificeerbare belastingplichtigen. De overwegingen van het Gerechtshof in dit verband zijn gelet op het voorgaande onbegrijpelijk, dan wel niet naar de eisen der wet met afdoende redenen omkleed.
Cassatiemiddel II
Schending, althans verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van de artikelen 16, lid 4 AWR en 56 en 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (artikel 49 en 56 EG), en verzuim van vormen, in het bijzonder de motiveringseis, doordat het Gerechtshof ten onrechte, respectievelijk op gronden die dit oordeel niet kunnen dragen, heeft geoordeeld dat de inspecteur voldoende voortvarend heeft gehandeld bij de identificatie van belanghebbende. 's Hofs beslissing is te dezer zake onbegrijpelijk, althans onvoldoende naar de wet met redenen omkleed.
Toelichting
Het Gerechtshof stelt in r.o. 4.9 het volgende:
‘De tijd die is gebruikt om eenvoudig identificeerbaar geachte rekeninghouders te identificeren heeft geduurd van 7 november 2000 tot 1 mei 2003. De Inspecteur heeft met hetgeen hij heeft aangedragen aannemelijk gemaakt dat de Belastingdienst/FIOD in deze periode voldoende voortvarend heeft behandeld. (…) Vanaf 1 mei 2003 dienden 1600 nog moeilijk te identificeren, personen te worden behandeld. In verband met deze identificatie werd veelal bij gemeenten informatie opgevraagd die niet bij de Belastingdienst, maar wel in de Gemeentelijke Basisadministratie beschikbaar was. Ook werd de inzet van het aantal personen dat zich met de identificatie bezig hield afgebouwd naar drie medewerkers. Zowel de communicatie met de gemeenten als de verminderde inzet van de identificatiemedewerkers leidt per definitie tot vertraging van het identificatieproces indien dat vergeleken wordt met de tijd die werd besteed aan het identificeren van de eenvoudig geachte gevallen.’
Waarom het identificatietraject tussen 7 november 2000 en 1 mei 2003 voldoende voortvarend is verlopen ten aanzien van belanghebbende, motiveert het Gerechtshof niet. Feit is dat de identificatie heeft geduurd vanaf 7 november 2000 tot september 2004, oftewel 3 jaren en en 1 maand. Dat kan niet worden aangemerkt als voortvarend handelen, en de overwegingen en feitelijke vaststellingen van het Gerechtshof bieden voor dit tijdsverloop ook geen rechtvaardiging. De uitspraak is daarmee onbegrijpelijk.
Op basis van het in de processtukken geschetste identificatietraject3. is belanghebbende van oordeel dat hij tot de 2.000 rekeninghouders behoorde die direct konden worden geïdentificeerd, dan wel subsidiair tot de groep van 3.165 rekeninghouders die per april 2002 konden worden geïdentificeerd, dan wel meer subsidiair tot de groep van 4.451 rekeninghouders die in september 2002 zijn geïdentificeerd.4. De identificatie had derhalve uiterlijk in september 2002 kunnen zijn afgerond, waarna een zorgvuldig handelen van de Belastingdienst vereist dat belanghebbende zo spoedig mogelijk werd aangeschreven.
Het Gerechtshof rekent belanghebbende vervolgens tot de moeilijk identificeerbare rekeninghouders die pas na mei 2003 konden worden geïdentificeerd. Uit de toelichting bij cassatiemiddel I volgt dat dit oordeel onbegrijpelijk en onjuist is. Voor de vertraging in de identificatie vanaf september 2002 t/m september 2004 bestaat gelet hierop geen rechtvaardiging en kwalificeert daarom als onvoortvarend handelen. Het andersluidende oordeel van het Gerechtshof is onbegrijpelijk en leidt tot een verkeerde toepassing van het recht.
Het Gerechtshof oordeelt verder dat het feit dat achteraf is gebleken dat belanghebbende eenvoudiger te identificeren was dan was ingeschat, niet afdoet aan de voortvarendheid. Uit cassatiemiddel I volgt dat ook dit oordeel onjuist is. Ook hierin kan derhalve geen rechtvaardiging worden gevonden voor het onvoortvarend handelen. Het andersluidende oordeel van het Gerechtshof is onbegrijpelijk en leidt tot een verkeerde toepassing van het recht.
Ter rechtvaardiging van deze vertragingen neemt het Gerechtshof in haar oordeel de omstandigheden mee die worden genoemd in de door [A], medewerker opsporing FIOD/kantoor Haarlem, schriftelijk verstrekte verklaring (zie r.o. 2.6). Deze verklaring ziet niet op belanghebbende, doch schetst enkel een algemeen beeld. De inspecteur heeft gesteld noch bewezen dat in de situatie van belanghebbende de door [A] beschreven handelwijze is gehanteerd. Belanghebbende heeft dit tijdens de mondelinge behandeling (zo blijkt ook uit het proces-verbaal) ook expliciet betwist; er heeft in zijn zaak geen overleg met Gemeenten, of controle van de Gemeentelijke Basisadministratie plaatsgevonden. Daarvan is ook niets gebleken. Deze feiten kunnen daarom geen rechtvaardiging vormen voor de ontstane vertraging in de zaak van de belanghebbende. Het andersluidende oordeel van het Gerechtshof is onbegrijpelijk, ongemotiveerd en leidt tot een verkeerde toepassing van het recht.
De vertraging die gepaard gaat met de verminderde personele inzet na mei 2003, biedt eveneens geen rechtvaardiging. Immers, belanghebbende had uiterlijk september 2002 moeten worden geïdentificeerd. Dat er voor is gekozen om belanghebbende ten onrechte later te identificeren, is op zich al te beoordelen als onvoldoende voortvarend handelen, waarbij de vermindering van personele inzet het gebrek aan voortvarend handelen enkel versterkt. Het andersluidende oordeel van het Gerechtshof is onbegrijpelijk en leidt tot een verkeerde toepassing van het recht.
Op basis van voorgaande feiten en omstandigheden kon het Gerechtshof niet c.q. niet zonder nadere motivering tot het oordeel komen dat er ten aanzien van belanghebbende voldoende voortvarend is gehandeld. De uitspraak van het Gerechtshof is op dit punt onbegrijpelijk, onvoldoende gemotiveerd en leidt tot een verkeerde toepassing van het recht.
Cassatiemiddel III
Schending, althans verkeerde, toepassing van het recht, in het bijzonder van de artikelen 16, lid 4 AWR en 56 en 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (artikel 49 en 56 EG), en verzuim van vormen, in het bijzonder de motiveringseis, doordat het Gerechtshof ten onrechte, respectievelijk op gronden die dit oordeel niet kunnen dragen, heeft geoordeeld dat de inspecteur voldoende voortvarend heeft gehandeld bij het verkrijgen van inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, 's Hofs beslissing is te dezer zake onbegrijpelijk, althans onvoldoende naar de wet met redenen omkleed.
Toelichting
Belanghebbende is van oordeel dat de inspecteur in de periode tussen 8 april/17 mei 2005 en 7 februari 2006 onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, doordat de inspecteur gedurende lange tijd zonder rechtvaardiging stil heeft gezeten. Het Gerechtshof komt tot een andersluidend oordeel, waarbij zij in r.o. 4.12 en 4.13 een aantal omstandigheden stelt ter rechtvaardiging van het tijdsverloop. Zo oordeelt het Hof in r.o. 4.12:
‘Nadat op 17 mei 2005 een groot aantal bankafschriften met betrekking tot de onderhavige KBL-bankrekening door de Inspecteur zijn ontvangen heeft hij op 8 juni 2005 gedurende een periode van circa één week alle gegevens met betrekking tot alle bankrekeningen gedurende een periode van van 12 jaren in een excel-bestand ingevoerd. Het Hof acht aannemelijk dat het analyseren van deze gegevens een geruime tijd in beslag heeft genomen nu de KBL-bankrekening één zichtrekening met 14 onderliggende andere bankrekeningen betrof.’
Ten eerste is door belanghebbende gemotiveerd gesteld dat de analyse van de rekeningen pas na 7 februari 2006 heeft plaatsgevonden. Belanghebbende verwijst ter onderbouwing naar de brief van 28 december 2005 (de mededeling navordering over IB 1993 en VB 1994):
‘De materiële belastingschuld voor de onderhavige jaren kan thans nog niet worden vastgesteld, omdat een aantal essentiële bankgegevens nog niet door u zijn aangeleverd.’
Pas op 16 juni 2006 ontvangt belanghebbende een nadeelberekening van de inspecteur, waarin de buitenlandse bankrekeningen van belanghebbende zijn geanalyseerd. De inspecteur beschikt alsdan niet over extra informatie ten opzichte van 8 april 2005/17 mei 2005, behalve de rekeningafschriften van de Commerzbank. De inspecteur had dus bij de brief van 28 december 2005 de nadeelsberekening kunnen voegen. Hiermee staat vast dat de inspecteur pas op of na 7 februari 2006 met de analyse van de rekeningen gestart. Gelet hierop kan de tijd die gemoeid is geweest met de analyse van de rekeningen niet dienen ter rechtvaardiging van de vertraging die is opgetreden in de periode tussen 8 april 2005/17 mei 2005 en 7 februari 2006. Het andersluidende oordeel van het Gerechtshof is onbegrijpelijk, dan wel niet (voldoende) met redenen omkleed.
Zou de analyse wel in de periode tot 7 februari 20.06 hebben plaatsgevonden, dan geldt dat Het Gerechtshof nalaat te motiveren waarom het analyseren van de bankrekeningen zoveel tijd in beslag mocht nemen. In r.o. 4.12 overweegt het Gerechtshof welke werkzaamheden moesten worden verricht om de rekeningen te analyseren. Daartoe wordt onder meer verwezen naar het bestaan van buitenlandse beleggingsfondsen en de daarmee samenhangende problematiek van fictief rendement. Hoe het Gerechtshof tot deze feitelijke vaststelling komt, is voor belanghebbende een raadsel en maakt de uitspraak onbegrijpelijk. Daarnaast waren er interne overboekingen tussen de rekeningen van belanghebbende, maar dit betrof slechts een handvol overboekingen. Waarom dit tot een vertraging als de onderhavige zou mogen leiden, wordt door het Gerechtshof niet onderbouwd of toegelicht en maakt dat de uitspraak onvoldoende gemotiveerd.
Ook wordt niet gemotiveerd hoe lang een geruime tijd zou mogen zijn. Zoals belanghebbende in zijn verweerschrift in hoger beroep reeds heeft gesteld, had de inspecteur ten tijde van het onderzoek naar belanghebbende ruime ervaring in het Rekeningenproject met vele andere belastingplichtigen en het analyseren van de KB Lux rekeningen. Het Gerechtshof overweegt zulks ook in r.o. 4.14. Dat de analyse bij belanghebbende, met een dergelijke reeds opgedane kennis, alsnog 9 à 10 maanden zou mogen duren, past niet bij het ervaringsniveau van de belastingmedewerkers. Dit oordeel van het Gerechtshof is daarom onbegrijpelijk.
Het Gerechtshof oordeelt dat aan de voortvarende behandeling in deze periode niet afdoet dat de zaak door een interne verhuizing en vakantieperioden enige tijd stil heeft gelegen. Dit oordeel leidt tot een onjuiste toepassing van het recht. Een interne verhuizing en een vakantie die er toe leiden dat het dossier van belanghebbende maanden buiten behandeling blijft, kan niet worden aangemerkt als voortvarend handelen. Het oordeel van het Gerechtshof is op dit punt derhalve onjuist en ongemotiveerd. Nu voor deze resterende periode de inspecteur niet heeft kunnen onderbouwen welke werkzaamheden hij heeft verricht, en het Gerechtshof daarvoor ook geen verklaring geeft, moet het er voor worden gehouden dat de inspecteur stil heeft gezeten. Dat het Gerechtshof desondanks van oordeel is dat de inspecteur voortvarend heeft gehandeld, is onbegrijpelijk en leidt tot een onjuiste toepassing van het recht.
Ter rechtvaardiging voor het tijdsverloop tussen 5 november 2007 en 10 april 2008 geldt dat de inspecteur voornemens zou zijn geweest om deze kwestie en het privé-gebruik van de auto in één keer op te lossen. Het Hof acht de daartoe door de inspecteur tijdens de mondelinge behandeling van 14 november 2013 gegeven verklaringen geloofwaardig. Dit oordeel van het: Hof is onvoldoende met redenen omkleed, gelet op de gemotiveerde betwisting zijdens belanghebbende.
Uit. niets — behalve de verklaring van de inspecteur — blijkt dat de inspecteur de discussie over het privé-gebruik in één keer heeft willen oplossen. Belanghebbende is in dit voornemen van de inspecteur niet gekend, hetgeen op zijn minst voor de hand had gelegen. In de brief van 10 april 2008 aan belanghebbende wordt ook geen melding gemaakt van de fiscale implicaties van de geleasede auto. Bovendien betrof de correctie die zou voortvloeien uit privé-gebruik van de auto een ander belastingjaar. Voor het vaststellen van de verschuldigde belasting over de in het geding zijnde jaren speelde deze kwestie dus geen rol. Gelet op deze gemotiveerde betwisting5. had het Gerechtshof moeten motiveren op grond waarvan zij van oordeel is dat de correctie privé-gebruik auto toch een rechtvaardiging is voor het stil zitten van de inspecteur.
Daarnaast dient volgens het Gerechtshof ter rechtvaardiging van het tijdsverloop tussen 5 november 2007 en. 10 april 2008 het compromisvoorstel van 5 november 2007 (zie r.o. 4.16). Dit compromisvoorstel hield het volgende in:
‘Ter vermijding van verdere discussies op dit punt stel ik namens cliënt voor de correcties ter zake van de Crédit Lyonnais Luxembourg buiten beschouwing te laten en die ter zake van de Commerz Bank en Crédit Bank Luxembourg S.A. voor de helft als belastbare inkomsten in 1998 respectievelijk 1999 In aanmerking te nemen. De overige correcties heeft de accountant van cliënt nog niet tot in detail gecontroleerd, maar cliënt is bereid aan te nemen dat deze rente-/dividendcorrecties rechtstreeks zijn af te leiden uit de bankstukken.’
Een simpel en overzichtelijk voorstel, waarvan met een eenvoudige rekenexercitie de consequenties konden worden overzien. Onbegrijpelijk is waarom beoordeling van dit voorstel desondanks een tijdsverloop van 5 maanden rechtvaardigt. De uitspraak van het Gerechtshof is op dit punt niet c.q. onvoldoende gemotiveerd.
Belanghebbende is bovendien subsidiair van oordeel dat de periodes van stil zitten niet los van elkaar moeten worden gezien, maar tezamen moeten worden geteld. Immers, bepalend is volgens het Hof van Justitie EG dat de inspecteur op voortvarende wijze de verschuldigde belasting vaststelt. Zulks wordt als één fase beschouwd binnen het navorderingsproces. Alsdan dienen de periodes van stil zitten binnen deze fase ook tezamen worden genomen. Gelet op de hiervoor weergegeven totale periodes van stil zitten, is onbegrijpelijk het oordeel van het Gerechtshof dat toch sprake is van voortvarend handelen.
Cassatiemiddel IV
Schending, althans verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van de artikelen 16, lid 4 AWR en 56 en 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (artikel 49 en 56 EG), en verzuim van vormen, in het bijzonder de motiveringseis, doordat het Gerechtshof ten onrechte, respectievelijk op gronden die dit oordeel niet kunnen dragen, heeft geoordeeld dat de inspecteur voldoende voortvarend heeft gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslagen. 's Hofs beslissing is te dezer zake onbegrijpelijk, althans onvoldoende naar de wet met redenen omkleed.
Toelichting
Het Gerechtshof stelt in r.o. 4.18 vast dat de inspecteur 4 maanden heeft laten verstrijken voordat hij met belanghebbende contact opnam over de voorgenomen correcties. Dit is volgens het Gerechtshof onvoldoende om te concluderen dat de navorderingsaanslagen dienen te worden vernietigd. Dit oordeel leidt tot een onjuiste toepassing van het recht. Immers, uit het arrest van Uw Raad van 7 mei 2010, nr. 42 511 bis (NTFR 2010/1246) blijkt dat Uw Raad een tijdsverloop van drie maanden voor het voorbereiden en opleggen van de aanslag heeft gesanctioneerd. Deze termijn moet daarmee ook worden beschouwd als de maximale termijn voor het opleggen van een aanslag, waarmee de uitspraak van het Gerechtshof op dit punt in strijd is met het recht.
Het oordeel van het Gerechtshof dat belanghebbende geen 6 maar 4 maanden stil zou hebben gezeten in de periode tussen 17 juni 2008 en 17 december 2008 is onjuist en niet gemotiveerd. Ten onrechte heeft het Gerechtshof nagelaten te motiveren waarom de correspondentie een gerechtvaardigde vertraging in het opleggen van de aanslag zou vormen. Het Gerechtshof was hiertoe, gelet op de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, wel gehouden. De inspecteur beschikt namelijk op 17 juni 2008 over alle relevante informatie beschikt om de aanslag op te kunnen leggen. De brief van 5 augustus 2008 van belanghebbende aan de inspecteur betreft enkel een bewijs dat de rekening daadwerkelijk in 1991 is geopend, wat voor de onderhavige aanslagen geen verschil maakt. Uit de brief van 19 augustus 2008 aan de inspecteur volgt dat KB Lux een bewaartermijn van 10 jaren hanteert, wat voor de Belastingdienst geen verrassing kan zijn, gelet op haar ervaringen in het Rekeningenproject (deze bewaartermijn geldt immers voor alle buitenlandse banken). Beide brieven hebben derhalve geen invloed op de onderhavige aanslagen, wat betekent dat de inspecteur vanaf 17 juni 2008 aanslagen had kunnen opleggen. Er is derhalve sprake van een periode van 6 maanden stil zitten, wat geen voortvarend handelen is. Het andersluidende oordeel van het Gerechtshof is in strijd met het recht.
Cassatiemiddel V
Schending, althans verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van de artikelen 8:74 en 8:75 Algemene wet bestuursrecht, en verzuim van vormen, in het bijzonder de motiveringseis, doordat het Gerechtshof ten onrechte, respectievelijk op gronden die dit oordeel niet kunnen dragen, heeft geoordeeld dat aan belanghebbende geen proceskostenvergoeding en vergoeding van griffierechten toekomt. 's Hofs beslissing is te dezer zake onbegrijpelijk, althans onvoldoende naar de wet met redenen omkleed.
Toelichting
Uit de uitspraak van het Gerechtshof volgt dat de boeten en verhogingen met 20% worden verminderd in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende tegen de boetebeschikkingen en kwijtscheldingsbesluiten deels gegrond is verklaard en de beschikkingen en besluiten worden vernietigd. Tevens wordt aan belanghebbende een schadevergoeding toegekend van € 1.000.
Gelet op het voorgaande is onbegrijpelijk waarom aan belanghebbende, als deels in het gelijk gestelde partij, geen proceskostenvergoeding is toegekend, alsmede geen vergoeding van het door hem betaalde griffierecht. Een motivering voor dit oordeel van het Gerechtshof ontbreekt. Belanghebbende is van oordeel dat de uitspraak op dit punt leidt tot een onjuiste toepassing van het recht en bovendien onvoldoende is gemotiveerd.
Conclusie
Op grond van het voorgaande is belanghebbende van oordeel, dat de uitspraak van het Gerechtshof op een onjuiste rechtsopvatting berust.
Met het vorenstaande moge ik Uw Raad in overweging geven het beroep gegrond te verklaren, de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 november 2014 te vernietigen en om uitspraak te doen zoals het Gerechtshof had behoren te doen.
Voorts verzoek ik Uw Raad om de inspecteur te veroordelen in de proceskosten van beide instanties.
Hoogachtend,
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 06‑11‑2015
In Zoeklicht worden de gegevens van de belastingplichtigen geladen die zijn geïdentificeerd. De behandelaars moeten op basis van de informatie in Zoeklicht kiezen of zij een vragenbrief verzenden, de belastingplichtige uitnodigen voor een gesprek of een boekenonderzoek instellen.
Zie de brief van 7 januari 2014 van belanghebbende aan het Gerechtshof.
Uit de nieuwsbrief van april 2012 blijkt dat er per 12 april 2012 3.165 belastingplichtigen in Zoeklicht zijn ingevoerd. In september 2012 zijn dit er 4.451.
Zie ook pagina 5 van het verweerschrift in hoger beroep,
Uitspraak 06‑11‑2015
Inhoudsindicatie
Artikel 8:74 en 8:75 Awb. Vergoeding proceskosten en griffierecht in verband met toekenning vergoeding wegens immateriële schade en matiging van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Partij(en)
Hoge Raad der Nederlanden
Derde Kamer
Nr. 14/06535
6 november 2015
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 november 2014, nrs. 12/00056 tot en met 12/00066, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraken van de Rechtbank te Leeuwarden (nrs. AWB 10/2004; 10/2005; 10/2006; 11/2737; 11/2738; 11/2739; 11/112740; 11/2741/; 11/2742; 11/2743; 11/2744) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1996 tot en met 2002 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de over de jaren 1997 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.
De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tevens heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en tot vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht.
2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de beslissing van de Rechtbank dat aan belanghebbende een vergoeding groot € 1000 moet worden toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn juist is en in stand moet blijven. Het Hof heeft vervolgens de uitspraken van de Rechtbank vernietigd met inbegrip van de beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht. Voorts heeft het Hof de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1000. Het Hof heeft de opgelegde verhogingen en boetes met 20 percent verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.
2.3.
Het tegen ’s Hofs beslissing ten aanzien van de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten gerichte middel slaagt. Aangezien de beslissing van de Rechtbank omtrent de schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn door het Hof in stand is gelaten, heeft het Hof de beslissingen van de Rechtbank omtrent het toekennen van een proceskostenvergoeding en de vergoeding van griffierecht ten onrechte vernietigd.
2.4.
Aangezien het hoger beroep mede omvatte het tussen partijen bestaande geschil omtrent het “criminal charge-moment” en de beslissing van het Hof op dit geschilpunt inhoudt dat de opgelegde boeten en verhogingen met 20 percent worden verminderd, dient aan belanghebbende tevens een vergoeding van proceskosten voor de procedure bij het Hof te worden toegekend.
2.5.
De overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.6.
Gelet op het hiervoor in 2.3 en 2.4 overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover het betreft de vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank met betrekking tot de beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 122, en gelast de Inspecteur dat deze aan belanghebbende vergoedt het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaken voor de Rechtbank ten bedrage van € 328,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 980 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1470 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1470 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2015