Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/6.2.1.1
6.2.1.1 Nadere invulling van het begrip ‘bedrijfsuitoefening’
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630463:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Goes, paragraaf 6.1.3.2.2.
Het matchingbeginsel moet ook worden toegepast in gevallen waarin de belastingplichtige door de uitgaaf niet is verarmd, omdat er een waardevolle aanschaf of een toekomstige opbrengst tegenover de uitgaaf staat. Zie ook Lubbers 2012, paragraaf 5.2.1.
HR 9 oktober 1957, nr. 13 325, BNB 1957/304.
Zie ook HR 12 februari 1941, B. 7305. Uit dit arrest blijkt dat dat ontvangsten die in het kader van de sloop worden verkregen worden afgeboekt op de voortbrengingskosten. Dergelijk inkomsten worden derhalve ook aan de toekomstige bedrijfsuitoefening toegerekend.
HR 16 september 1992, nr. 28 133, BNB 1992/356.
HR 11 april 2001, nr. 36 034, BNB 2001/259.
Besluit van 11 november 2004, nr. CPP2004/814M.
Verschillende activiteiten kunnen relevant zijn voor de toerekening van de voordelen (positief en negatief) aan de bedrijfsuitoefening, zoals het nemen van de investeringsbeslissing, het aangaan van de verplichtingen of het sluiten van een verkoopovereenkomst of overeenkomst van opdracht, maar ook het feitelijke gebruik van een bedrijfsmiddel of de aanwending van de arbeidscapaciteit.
Het matchingbeginsel is het belangrijkste kostentoerekeningsbeginsel van goed koopmansgebruik. Volgens dat beginsel worden uitgaven zoveel mogelijk toegerekend aan de periode waarin de opbrengsten worden verantwoord die met deze uitgaven verband houden. Het gaat bij ‘matchen’ om de vraag of de kosten door de productie worden opgeroepen. Zo ja, dan dienen ze aan de desbetreffende producten of diensten, dat wil zeggen de opbrengsten, te worden toegerekend. Relevant is dus de causale relatie tussen kosten en opbrengsten.1 Hieronder bespreek ik enkele kernarresten waarin de Hoge Raad ingaat op deze causaliteitsvraag.2
Kosten bedrijfsinrichting
Het eerste arrest betreft het zogenoemde verplaatsingskostenarrest.3 In casu maakte belanghebbende kosten voor de verplaatsing van haar activiteiten. In geschil was of deze kosten direct ten laste van het resultaat konden worden gebracht (door middel van het vormen van een voorziening), of dat ze betrekking hadden op de jaren na verplaatsing. De Hoge Raad was van mening dat geen voorziening kon worden gevormd, omdat de kosten van de verplaatsing van een onderneming geen verband hielden met de bedrijfsuitoefening van het onderhavige jaar. De kosten dienden te worden toegerekend aan de jaren na verplaatsing:
‘dat de kosten, welke app.e in de toekomst in verband met de verplaatsing van haar bedrijf zal moeten maken, geen verband houden met de bedrijfsuitoefening in het jaar, waarin app.e daarin wil reserveren;
dat immers deze reservering samenhangt met bedrijfsuitoefening in de toekomst en, indien app.e deze kosten over meerdere jaren wil verdelen, zij dit wel kan doen over de na de verplaatsing van het bedrijf vallende jaren doch dit niet kan doen over de jaren voor de verplaatsing;’
Volgens de Hoge Raad worden de kosten voor verplaatsing derhalve niet opgeroepen door het besluit het bedrijf te verplaatsen en ook niet door de uitvoering van die verplaatsing. De kosten worden wel opgeroepen door de bedrijfsuitoefening van de jaren na de verplaatsing. Dit zijn de jaren waarin het bedrijf het genot heeft van de nieuwe bedrijfsinrichting.4
Productiekosten
In het ontmantelingskostenarrest was belanghebbende verplicht niet meer in gebruik zijnde mijnbouwinstallaties en schroot geheel te verwijderen en verlaten boorgaten af te sluiten.5 In geschil was of de kosten van ontmanteling en afsluiting van de, voor de winning van aardgas gebruikte installaties, reeds in het jaar van stichting van de installaties c.q. boring van de putten volledig, door het opvoeren van een passiefpost ter grootte van de contante waarde van de geschatte kosten, ten laste van het fiscale resultaat mochten worden gebracht. De Hoge Raad heeft overwogen dat de ontmantelingskosten dienen te worden toegerekend aan de jaren waarin de installatie voor de bedrijfsuitoefening wordt gebruikt:
‘De kosten, voortvloeiende uit de voortbrenging en het bezit van de onderhavige installaties, de kosten van de ontmanteling daaronder begrepen, worden gemaakt ter wille van de aanwending van die bedrijfsmiddelen gedurende het – een aantal jaren omvattende – tijdvak waarin zij worden gebezigd ten behoeve van de productie waarvoor zij zijn bestemd. Goed koopmansgebruik laat niet toe dat zodanige kosten in het jaar waarin de installaties worden voortgebracht, in eenmaal ten laste van de winst worden gebracht, doch brengt mee dat zij – voor zover zij, wat de ontmantelingskosten betreft, niet ten laste worden gebracht van het jaar waarin zij worden uitgegeven – dienen te worden toegerekend aan de jaren waarin de installaties voor de bedrijfsuitoefening worden gebruikt.’
In dit arrest heeft de Hoge Raad een belangrijke rechtsregel voor de invulling van het begrip bedrijfsuitoefening gegeven. Het gebruik van een machine voor de productie (bedrijfsuitoefening) bepaalt de toerekening van de kosten.
In het vuilstortplaatsarrest exploiteerde belanghebbende, een afvalverwerkende onderneming, een vuilstortplaats.6 Indien zij haar vuilstortactiviteiten na 1 maart 1995 voortzette, was zij verplicht maatregelen te nemen tot (verdere) sanering van het tot en met 1991 gebruikte deel van de stortplaats (de oude put). In geschil was of voor deze kosten een voorziening mocht worden gevormd. De Hoge Raad was van mening dat in dit mocht, omdat de kosten toerekenbaar waren aan de exploitatie (gebruik) van de oude put:
‘3.3. Naar het Hof – in cassatie onbestreden – heeft geoordeeld, vinden de kosten van sanering waarop de in geding zijnde voorziening betrekking heeft, hun oorsprong in feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóór de balansdatum, in de periode waarin de oude put werd geëxploiteerd. De omstandigheid dat belanghebbende tot het maken van die kosten van overheidswege kon worden genoopt in geval van voortzetting van de exploitatie van het nieuwe onderdeel van haar stortplaats – de nieuwe put – , neemt niet weg dat de kosten zelf die gemoeid zijn met de sanering van de oude put een uitvloeisel zijn van de exploitatie van dat deel van de stortplaats.’
De kosten gemaakt voor de sanering van de oude put mochten volgens de Hoge Raad worden toegerekend aan de exploitatie van de oude put. Dit is het jaar of de jaren waarin de kosten zijn veroorzaakt door het gebruik van de put.
In HR 20 augustus 1980, nr. 19 897, BNB 1981/1 heeft de Hoge Raad overwogen dat een egalisatiereserve slechts kan worden gevormd voor zover het gaat om kosten die zijn opgeroepen door de productie van een bepaald jaar doch die eerst in een later jaar tot een piek in de uitgaven leiden. In casu was de Hoge Raad van mening dat een egalisatiereserve kon worden gevormd voor bepaalde niet jaarlijks tot uitgaven leidende onderhoudskosten van een bedrijfsmiddel.
Ook in het zogenoemde mestarrest zocht de Hoge Raad aansluiting bij het jaar waarin de bedrijfsuitoefening plaatsvond voor de toerekening van de kosten. In casu was op het landbouwbedrijf annex de varkenshouderij van belanghebbende een hoeveelheid mest aanwezig, die niet over het eigen land mocht worden verspreid. In geschil was of voor de kosten van de afzet een voorziening mocht worden gevormd. De Hoge Raad overwoog dat dit het geval was, omdat de kosten waren opgeroepen door de productie in het betreffende jaar;
‘3.3. Indien de uitoefening van een onderneming noodzakelijkerwijze leidt tot kosten die worden opgeroepen door de productie in enig jaar van de in de onderneming voortgebrachte zaken, doch pas in een volgend jaar tot een uitgaaf leiden – zoals zich, naar in 's Hofs uitspraak ligt besloten, in het onderhavige geval voordoet met betrekking tot voormeld bedrag van f 8125 – handelt een belastingplichtige niet in strijd met goed koopmansgebruik door die kosten toe te rekenen aan de productie van bedoelde zaken, en zonodig daartoe in de eindbalans van het desbetreffende jaar tot het bedrag van die kosten een voorziening op te nemen.’
Personeelskosten
Personeelskosten moeten in beginsel worden toegerekend aan het jaar waarin de arbeid verricht wordt. In Hoge Raad 20 oktober 1982, nr. 21 201, BNB 1983/48 was de vraag aan de orde of een voorziening mocht worden gevormd voor de personeelskosten in verband met het opmaken van een jaarrekening. De Hoge Raad overwoog:
‘dat de kosten als de onderhavige, welke betrekking hebben op door eigen personeel voor het opmaken van jaarstukken verrichte werkzaamheden, dan ook deel uitmaken van de aan het beheer van de onderneming verbonden kosten, welke naar goed koopmansgebruik dienen te worden gebracht ten laste van het jaar waarin zij worden gemaakt;(….)
dat immers, gelet op de betekenis van jaarstukken voor het -uiteraard op de toekomst gerichte – ondernemersbeleid, genoemde omstandigheden niet zo zwaarwegend zijn dat kan worden gezegd dat de betreffende kosten van het eigen personeel zijn veroorzaakt door en mitsdien kunnen worden toegerekend aan de bedrijfsuitoefening van een voorafgaand jaar;’
In een besluit gaat de staatssecretaris in op de vraag of een voorziening kan worden gevormd voor persoonlijke toeslagen op het loon, die het gevolg zijn van te hoge lonen in het verleden.7 De staatssecretaris is van mening dat geen voorziening kan worden gevormd, omdat de kosten van de persoonlijke toeslagen kunnen worden toegerekend aan de na de balansdatum verrichte arbeid. Loonkosten moeten immers in beginsel worden toegerekend aan de periode waarin de arbeid wordt verricht c.q. het recht op arbeid voor de ondernemer bestaat. De periode waarin de arbeid wordt verricht, is volgens de staatssecretaris derhalve de periode van bedrijfsuitoefening.
In Hof Amsterdam, 20 oktober 2004, nr. 03/3650, V-N 2005/8.9 was een soortgelijke casus aan de orde. In geschil was of belanghebbende de kosten ter zake van het feit dat zij haar personeel ondanks een nieuwe lagere inschaling het destijds overeengekomen hogere salaris in de toekomst bleef doorbetalen direct ten laste van het resultaat mocht brengen. Het hof oordeelde dat goed koopmansgebruik niet toestaat dat deze uitgave in één keer ten laste van de winst wordt gebracht, omdat de uitgaven verband houden met de in de toekomst te verrichten werkzaamheden.
Ik kan mij met deze uitspraak verenigen. Met de staatssecretaris en het hof ben ik van mening dat loonkosten in beginsel moeten worden toegerekend aan de periode waarin de arbeid wordt verricht c.q. het recht op arbeid voor de ondernemer bestaat. Dit is slechts anders als er tegenover de loonbetalingen geen prestatie meer staat. Als sprake is van een toelage op het loon, dan moeten deze kosten ook worden toegerekend aan de periode waarin de arbeid wordt verricht, dit is immers de bedrijfsuitoefening. De jaren waarin de arbeid wordt verricht, betreffen derhalve de jaren van de bedrijfsuitoefening. Dit geldt zowel voor het normale loon als voor een eventuele toelage.
In onderstaand schema heb ik de resultaten van mijn onderzoek van de jurisprudentie samengevat. Aangezien de jurisprudentie uitsluitend betrekking heeft op uitgaven, heb ik tevens (voorzover mogelijk) een analoge toepassing voor de inkomsten gemaakt:
Uitgaven
Inkomsten
Fiscale verwerkingswijze
Waardering fiscale openingsbalans
1
Verplaatsingskosten houden verband met de bedrijfsuitoefening na verplaatsing
Inkomsten die worden genoten in verband met de verplaatsing van een onderneming houden verband met de bedrijfsuit-oefening na verplaatsing (bijvoorbeeld verplaatsingssubsidie)
Verplaatsingskosten toerekenen aan bedrijfsuitoefening na verplaatsing.
Verplaatsingssubsidie toerekenen aan bedrijfsuitoefening na verplaatsing
Geen voorziening
Subsidie activeren
2
Onderhoudskosten houden verband met de bedrijfsuitoefening van het jaar van slijtage
Geen analoge toepassing op inkomsten
Onderhoudskosten toerekenen aan de periode van productie
Voorziening vormen of de onderhoudskosten in mindering brengen op de waarde van het vermogensbestanddeel
3
Beheerskosten houden verband met de bedrijfsuitoefening van het jaar waarin de kosten zijn gemaakt
Vergoedingen voor beheersfuncties houden verband met het jaar waarin de vergoeding opkomt
Inkomsten en uitgaven toerekenen aan het jaar waarin de vergoeding opkomt c.q. de kosten zijn gemaakt
Geen voorziening
4
Ontmantelingskosten houden verband met de bedrijfsuitoefening van het jaar dat de installaties worden gebruikt
Geen analoge toepassing op inkomsten (tenzij subsidie)
Ontmantelingskosten toerekenen aan de periode van productie
Voorziening vormen of de ontmantelingskosten in mindering brengen op de waarde van het vermogensbestanddeel
5
Arbeidskosten houden verband met de bedrijfsuitoefening van het jaar waarin de arbeid wordt verricht
Inkomsten voortkomend uit arbeidsinspanningen toerekenen aan het jaar waarin de arbeid is verricht.
Arbeidskosten toerekenen aan de jaren waarin de arbeid wordt verricht
Geen voorziening
6
Saneringskosten houden verband met de bedrijfsuitoefening van de exploitatiejaren
Geen analoge toepassing (tenzij subsidie)
Saneringskosten toerekenen aan de periode van de exploitatie
Voorziening vormen
Uit mijn analyse van de jurisprudentie blijkt dat de Hoge Raad aansluit bij de volgende feiten en omstandigheden voor de toerekeningen van uitgaven aan de periode waarin ze worden veroorzaakt door de bedrijfsuitoefening:
De periode waarin de arbeid wordt verricht.
De periode waarin de vermogensbestanddelen worden gebruikt voor de productie.
Het moment waarop het besluit wordt genomen dat leidt tot de uitgaven of de inkomsten.