Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/4.2.1
4.2.1 Bevoegdheden
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS583631:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Het is uiteraard ook mogelijk dat de vordering van rechtswege opeisbaar wordt als een van deze omstandigheden zich voordoet. Dit blijft verder buiten beschouwing.
Vgl. o.a. Horsten 1999 (juni), p. 44; Bochove 2008. Zie voor de vervroegde opeising van een obligatielening door een trustee o.a. Pres. Rb. Amsterdam 14 oktober 1993 (VEB/Centrale Trust Compagnie/Fokker) en daarover Ophof 1994. Zie Hof Arnhem 18 februari 2003, LJN AF5233, r.o. 4.30. Zie ook art. 6:40 sub a BW en art. 38 en 131 Fw; art. 21 ABV 1995, waarover F.M.J. Jansen 1998. Zie ook art. 6:40 sub b jo 6:51 BW; en art. 3:233 lid 1 BW. Vgl. T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 777; Verdaas 2008a, nr. 364.
De opmerking van Verdaas dat 'het opzeggen van de vordering' 'uitsluitend gevolgen voor de verpande vordering' heeft, is m.i. dan ook onjuist. Zie Verdaas 2008a, nr. 363. Zie over de bevoegdheid tot het opzeggen van de aan de vordering onderliggende overeenkomst ook hierna nr. 505, 507, 510 en 513.
Zie daarover Kalkman 2005, p. 223.
Zie Kalkman 2005, p. 242-243 en vgl. p. 245. Zie art. 6:21-22 jo 7:925 lid 1 BW; en vgl. art. 7:967lid 7 en 7:968 sub c BW.
De verzekering dient afkoopwaarde te hebben en dient voorts stellig tot een of meer uitkeringen te lei den, zoals bij een levenslange kapitaalverzekering bij overlijden. Zie Kalkman 2005, p. 229. De afkoopwaarde bestaat uit de betaalde premies en de daarover gerealiseerde rente respectievelijk winstdeling. Zie Kalkman 2005, p. 228-230.
De afkoopwaarde bestaat uit de betaalde premies en de daarover gerealiseerde rente respectievelijk winstdeling. Zie Kalkman 2005, p. 228-230.
Als het alternatief stellen van de verbintenis klaarblijkelijk in het belang van de schuldeiser is geschied, kan worden aangenomen dat de schuldeiser het keuzerecht heeft. Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 148 met verdere literatuurverwijzingen.
Zie Schoordijk 1979, p. 105; Losbladige Verbintenissenrecht 2010 Q.W.A. Biemans), art. 6:19, aant. 7-8. Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 147.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 135; HR 14 januari 1994, NJ 1994, 334. Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 147 met verdere literatuurverwijzingen.
Zij dienen te worden onderscheiden van dié wilsrechten, bij de uitoefening waarvan een nieuwe vordering ontstaat, zoals bij een koopoptie (art. 6:219 lid 3 BW) en het recht op kredietruimte. Vgl. Biemans 2009g, par. 3.4. Soms wordt tussen beide soorten wilsrechten ten onrechte geen onderscheid gemaakt. Zie o.a. Broekveldt 2003a, nr. 60; Verdaas 2008a, nr. 364; en Van der Kwaak 2009a.
195. Op het moment van haar ontstaan is een vordering in beginsel opeisbaar: de schuldeiser kan terstond nakoming vorderen (art. 6:38 BW). In een aantal gevallen is een vordering niet (meteen) opeisbaar, maar kan zij door de uitoefening van een bevoegdheid wel (vervroegd) opeisbaar worden gemaakt. Dit doet zich onder meer voor bij: (a) een vordering onder opschortende tijdsbepaling, waarbij partijen zijn overeengekomen dat de vordering vervroegd opeisbaar kan worden gemaakt als aan een bepaalde voorwaarde is voldaan (art. 6:39 lid 1 BW); (b) een vordering uit hoofde van een levensverzekering, waarbij de verzekerde het recht heeft om de verzekering af te kopen (art. 7:978 lid 1 BW); en (c) een alternatieve verbintenis, waarbij de schuldeiser het recht heeft om een keuze te maken uit de twee of meer verschillende prestaties (art. 6:17 e.v. BW).
Bij een geldleningovereenkomst kunnen partijen overeenkomen dat de vordering tot terugbetaling van het geleende geld pas na verloop van een bepaalde tijd opeisbaar wordt, maar dat de vordering vervroegd opeisbaar kan worden gemaakt, als zich bepaalde omstandigheden ('events of default') voordoen, die samenhangen met de kredietwaardigheid van de schuldenaar.1 De vordering kan bijvoorbeeld opeisbaar worden gemaakt als de schuldenaar niet langer een bepaalde rating krijgt van een erkende rating agency, zoals Standard & Poor's of Moody's Investor Service, in staat van faillissement verkeert of gedurende een bepaalde periode in verzuim is met de betaling van de rentevorderingen.2
Bij het vervroegd opeisbaar maken van een vordering kan de onderliggende overeenkomst worden beëindigd of blijven voortbestaan. De overeenkomst wordt beëindigd als de schuldeiser de vordering opeisbaar maakt door de opzegging van de onderliggende geldleningovereenkomst. In dit geval kan worden gesproken over 'het door opzegging opeisbaar maken van de vordering'.3 De schuldeiser kan ook de vordering vervroegd opeisbaar maken, terwijl de onderliggende overeenkomst in stand blijft. In dat geval is het beter te spreken van (alleen) 'het vervroegd opeisbaar maken van de vordering'. De hieronder te behandelen bepalingen art. 3:210 lid 2 BW, art. 3:246 lid 2 BW en art. 477 lid 4 Rv hebben betrekking op het opeisbaar maken van de vordering in eerstbedoelde zin, dus op het door opzegging vervroegd opeisbaar maken van de vordering. Ook het begrip 'opzeggingsrecht' ziet daarop. In art. 3:307 lid 2 BW wordt naar beide mogelijkheden verwezen. Een vordering uit hoofde van een levensverzekering (art. 7:975 BW), een sommenverzekering (art. 7:964 BW),4 is een bestaande vordering onder opschortende voorwaarde die onvoorwaardelijk wordt (en dan ook opeisbaar) door bijvoorbeeld het overlijden van de verzekerde of het bereiken van de einddatum van de verzekering.5 Op grond van art. 7:978 lid 1 BW heeft de verzekeringnemer het recht om de verzekering door opzegging te beëindigen en te vorderen dat de verzekeraar de verzekering afkoopt.6 Bij afkoop koopt de verzekeraar zijn uitkeringsverplichting af door een bepaald bedrag (de afkoopwaarde) uit te keren aan de verzekeringnemer, waarna de verzekering of het verzekeringsgedeelte, waarop de afkoop betrekking heeft, vervalt.7
Een verbintenis is alternatief, wanneer de schuldenaar verplicht is tot een van twee of meer verschillende prestaties, ter keuze van hemzelf, van de schuldeiser of van een derde (art. 6:17 lid 1 BW). De keuze komt toe aan de schuldenaar, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling anders voortvloeit (art. 6: 17 lid 2 BW).8 Wanneer de keuze aan een der partijen toekomt, gaat de bevoegdheid om te kiezen op de andere partij over, indien deze haar wederpartij een redelijke termijn heeft gesteld tot bepaling van haar keuze en deze daarbinnen haar keuze niet heeft uitgebracht (art. 6:19 lid 1 BW). Door het uitbrengen van de keuze verandert de vordering van een alternatieve in een enkelvoudige (art. 6:18 BW) en wordt zij op dat moment opeisbaar.9
De specificatiebevoegdheid bij koop (art. 7:31 BW) is een toepassing van het keuzerecht bij de alternatieve verbintenis.10 Bij de specificatiebevoegdheid komt het keuzerecht aan de koper (de schuldeiser) toe.
De bevoegdheden tot het opeisbaar maken van de vordering zijn subjectieve wilsrechten. Zij bepalen nader de inhoud van de vordering.11 Het is de vraag wie deze aan de vordering verbonden wilsrechten mag uitoefenen.