Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/2.5
2.5 Rechtswaarborgen I: verdenking, kennisname van de aanklacht, toegang tot de stukken en rechtsbijstand
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 19 februari 2009, no. 3455/05 (A. and Others), par. 203-204.
EHRM 19 februari 2009, no. 3455/05 (A. and Others).
EHRM 18 oktober 2006, EHRC 2007/4 (Hermi).
EHRM 19 december 1989, NJ 1994/26 (Kamasinski).
Van Russen Groen, Rechtsbescherming in het bestuursstrafrecht (1998), p. 217.
EHRM 28 juni 1984, Series A Vol. 80 (Campbell and Fell).
EHRM 14 november 2000, EHRC 2000/94 (T.).
EHRM 16 december 1992, NJCM-Bulletin 1993, p. 318-319 (Hadjianastssiou).
EHRM 24 februari 1994, NJ 1994/496 (Bendenoun).
Zie EHRM 16 december 1992, Series A Vol. 247-B (Edwards).
EHRM 16 februari 2000, no. 28901/95 (Rowe and Davis). Zie voorts Franken, 'Regels voor het strafdossier', DD 2010/24, p. 412-413.
EHRM 27 oktober 2004, nos. 39647/98 en 40461/98 (Edwards and Lewis).
EHRM 16 februari 2000, no. 28901/95 (Rowe and Davis), par. 63.
Ik baseer mij hier op de noot van Knigge bij EHRM 24 oktober 1996, NJ 1998/294 (De Salvador Torres).
EHRM 24 oktober 1996, NJ 1998/294 (De Salvador Torres), par. 33.
EHRM 24 november 1993, NJ 1994/459 (Imbrioscia).
EHRM 14 december 1999, no. 44738/98 (Dougan).
EHRM 6 juni 2000, EHRC 2000/63 (Magee), par. 45 (oorspronkelijke paragraafaanduiding). Zie voorts eerder EHRM 8 februari 1996, NJCM-Bulletin 1996, p. 706 (Murray) waarin ook de klacht gegrond was dat klager rechtshulp was onthouden tijdens de politieverhoren. Dat deze klager zich wel consequent op zijn zwijgrecht had beroepen maakte geen verschil.
EHRM 27 november 2008, no. 36391/02 (Salduz), par. 55. Het betrof hier bovendien een mindeijarige verdachte, zodat er volgens het Hof naar internationale maatstaven te meer reden was om direct voor rechtsbijstand te zorgen (par. 60).
EHRM 27 november 2008, no. 36391/02 (Salduz), par. 57-58.
EHRM 11 december 2008, EHRC 2009/9 (Panovits), par. 67. Van een afstand van rechten is hier geen sprake omdat het de vader is die overal van afziet, terwijl de mindeijarige zoon op dat moment zonder bijstand wordt verhoord. Dit hangt samen met het op twee gedachten hinken door de Cypriotische justitiële autoriteiten. Zo wordt Panovits enerzijds behandeld als mindeijarige, in welk verband men zich steeds richt tot zijn vader aangaande de uitleg van de situatie, het mogen bijwonen van het verhoor en het advies tot het in de arm nemen van advocaat. Anderzijds wordt Panovits stevig in de verhoorsituatie behandeld als grote jongen, door hem in afwezigheid van enige bijstand flink aan te pakken, en door te veronderstellen dat hij behoudens de cautie bekend is met zijn (rechts)positie, aldus Van der Meij, 'Het EHRM en het recht op toegang tot een raadsman vanaf het eerste politieverhoor. Over hooggespannen verwachtingen omtrent het aanwezigheidsrecht van de raadsman in het strafrechtelijk vooronderzoek', Strafblad 2009/1, p 83.
EHRM 11 december 2008, EHRC 2009/9 (Panovits),par. 73.
EHRM 11 december 2008, EHRC 2009/9 (Panovits), par. 75.
EHRM 24 september 2009, no. 7025/04 (Pishchalkinov). Zie over deze zaak voorts Van de Laar en De Graaff, 'Het recht op bijstand door een advocaat en afstand van recht nader beschouwd. Opmerkingen naar aanleiding van de EHRM-arresten Pishchalnikov en Dayanan', NTMINJCMBulletin 2010/2, p. 153-164.
EHRM 14 oktober 2010, no. 1466/07 (Brusco), par. 45: 'La Cour rappelle également que la personne placée en garde á vue a le droit d'être assistée d'un avocat dès le début de cette mesure ainsi que pendant les interrogatoires (...)'. In de literatuur en de nationale rechtspraak wordt betwijfelt of uit Brusco een echt aanwezigheidsrecht van de advocaat tijdens het politieverhoor kan worden afgeleid. Zie daarover Reijntjes, 'De implementatie van Straatburgse uitspraken in de Nederlandse rechtsorde', Strafblad 2011/1, p. 30-32.
EHRM 11 december 2008, EHRC 2009/9 (Panovits), par. 53.
EHRM 13 oktober 2009, no. 7377/03 (Danyanan), par. 32.
EHRM 13 oktober 2009, no. 7377/03 (Danyanan), par. 33.
EHRM 7 oktober 2008, NJCM-Bulletin 2009/4, p. 428 (Bogumil).
EHRM 18 februari 2010, no. 39660/02 (Zaichenko).
EHRM 23 februari 2010, no. 27503/04 (Yoldas).
EHRM 15 december 2005, EHRC 2006/21 (Kyprianou). Zie in dit verband ook EHRM 11 december 2008, EHRC 2009/9 (Panovits).
Zie daarover Standpunt Raad voor de rechtspraak inzake ongeschreven regels van de rechtbank (10 september 2008), rechtspraak.nl.
De Grote Kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kwam in de zaak A. and Others onder aanhaling van eerdere jurisprudentie tot een aantal noties met betrekking tot het derde en vierde lid van art. 5 EVRM. Zo oordeelde hij dat de procedure met betrekking tot de beoordeling van het voorarrest niet altijd dezelfde waarborgen hoeft te hebben als die in art. 6 EVRM, maar dat deze wel een juridisch karakter moet hebben en garanties moet bieden, passend bij het type van vrijheidsontneming dat voorligt. Het moet dan ook gaan om een procedure op tegenspraak waarbij equality of arms tussen partijen wordt gewaarborgd. In die zaken waarin een reasonable suspicion van een strafbaar feit een voorwaarde is voor detentie zal de gedetineerde de kans geboden moeten worden om de gronden voor verdenking tegen hem aan te vechten. Hieruit volgt dat de rechter die oordeelt over de voorzetting van de voorlopige hechtenis zonodig getuigen moet kunnen horen en dat de verdediging toegang heeft tot de stukken die die de basis vormen voor de verdenking tegen hem.1 De toepassing van deze uitgangspunten in die zaak die zag op het voorarrest van een aantal personen die werden verdacht deel uit te maken van een Al'Qaida netwerk bracht het Hof tot het volgende oordeel:
`222. It notes that the open material against the sixth, seventh, eighth, ninth and eleventh applicants included detailed allegations about, for example, the purchase of specific telecommunications equipment, possession of specific documents linked to named terrorist suspects and meetings with named terrorist suspects with specific dates and places. It considers that these allegations were sufficiently detailed to permit the applicants effectively to challenge them. It does not, therefore, find a violation of Article 5 § 4 in respect of the sixth, seventh, eighth, ninth and eleventh applicants.
223. The principal allegations against the first and tenth applicants were that they had been involved in fund-raising for terrorist groups linked to al'Qaeda. In the first applicant' s case there was open evidence of large sums of money moving through his bank account and in respect of the tenth applicant there was open evidence that he had been involved in raising money through fraud. However, in each case the evidence which allegedly provided the link between the money raised and terrorism was not disclosed to either applicant. In these circumstances, the Court does not consider that these applicants were in a position effectively to challenge the allegations against them. There has therefore been a violation of Article 5 § 4 in respect of the first and tenth applicants.
224. The open allegations in respect of the third and fifth applicants were of a general nature, principally that they were members of named extremist Islamist groups linked to al'Qaeda. SIAC observed in its judgments dismissing each of these applicants' appeals that the open evidence was insubstantial and that the evidence on which it relied against them was largely to be found in the closed material. Again, the Court does not consider that these applicants were in a position effectively to challenge the allegations against them. There has therefore been a violation of Article 5 § 4 in respect of the third and fifth applicants.'2
In de zaak Hermi haalde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de uitgangspunten aan ter zake van het recht om geïnformeerd te worden over enige aanklacht tegen hem en de toevoeging van een tolk. Het overwoog:
`68. Under paragraph 3 (a) of Article 6 of the Convention, any person charged with a criminal offence has the right "to be informed promptly, in a language which he understands and in detail, of the nature and cause of the accusation against him". Whilst this provision does not specify that the relevant information should be given in writing or translated in written form for a foreign defendant, it does point to the need for special attention to be paid to the notification of the "accusation" to the defendant. An indictment plays a crucial role in the criminal process, in that it is from the moment of its service that the defendant is formally put on notice of the factual and legal basis of the charges against him. A defendant not familiar with the language used by the court may be at a practical disadvantage if the indictment is not translated into a language which he understands (...).
69. In addition, paragraph 3 (e) of Article 6 states that every defendant has the right to the free assistance of an interpreter. That right applies not only to oral statements made at the trial hearing but also to documentary material and the pre-trial proceedings. This means that an accused who cannot understand or speak the language used in court has the right to the free assistance of an interpreter for the translation or interpretation of all those documents or statements in the proceedings instituted against him which it is necessary for him to understand or to have rendered into the court' s language in order to have the benefit of a fair trial (...).'3
In deze zaak had de verdachte van Tunesische nationaliteit meermaals aangegeven dat hij Italiaans sprak en de aanklacht had begrepen, zodat toevoeging van een tolk niet nodig was. Indien de verdachte de taal van het land waar hij wordt vervolgd niet spreekt moet weliswaar worden voorzien in toevoeging van een tolk, maar de stukken, waaronder de dagvaarding, hoeven niet vertaald te worden, mits in voorkomende gevallen afdoende is gebleken dat de betrokkene door middel van een mondelinge toelichting voldoende is geïnformeerd over de aard en de grond van de beschuldiging.4 Niet zonder grond meent Van Russen Groen dat het recht zich adequaat te kunnen verdedigen impliceert dat een mondelinge toelichting op de stukken in het algemeen niet voldoende zal zijn.5 Het recht om onverwijld op de hoogte worden gesteld van de beschuldiging staat volgens het Hof niet in de weg aan aanvulling van een onvolledige aanklacht ter terechtzitting, mits de verdachte voldoende mogelijkheid wordt geboden zich te verdedigen.6 Het zal niet verbazen dat het eerst bij de veroordeling op de hoogte brengen van de beschuldiging wel uit den boze is.7 De in het derde lid van art. 6 EVRM besloten liggende verdedigingsbeginselen impliceren volgens het Hof voorts dat de rechterlijke uitspraak gemotiveerd wordt.8
In de zaak Bendenoun, die betrekking had op een bestuurlijke boete, oordeelde het Hof dat de betrokkene toegang moet hebben tot alle relevante stukken die zijn gebruikt om zijn schuld vast te stellen en die in het procesdossier waren opgenomen. Indien de betrokkene over het volledige belastingdossier wenst te beschikken dient hij daar echter wel gemotiveerd om te verzoeken, zo werd overwogen.9 Dit laatste lijkt zich slecht tot de onschuldpresumptie en het verdedigingsbeginsel te verhouden. In Bendenoun speelde wel mee dat de betrokkene het dossier grotendeels wel kende en hij in de parallelle strafzaak wel het hele dossier had kunnen inzien. Bendenoun lijkt aldus niet in de weg te staan aan het recht om kennis te kunnen nemen van ook die stukken die juist ontlastend zijn.10 Kennisneming van alle informatie is geen absoluut recht. Waar de bescherming van getuigen of het opsporingsbelang in de weg kunnen staan aan kennisneming van bepaald bewijs, geldt echter wel de eis dat de beperkingen strikt noodzakelijk zijn en dat er een vorm van rechterlijke controle beschikbaar moet zijn op de afgeschermde informatie.11 In Edwards and Lewis hadden de klagers gesteld dat sprake was geweest van uitlokking, maar dat informatie werd afgeschermd. Deze informatie was wel bekend aan de zittingsrechter. Zonder dat klagers zich konden verweren, meende de zittingsrechter op basis van de afgeschermde informatie dat geen sprake was geweest van uitlokking van overheidswege. Dit leverde strijd met art. 6 lid 1 EVRM omdat op deze wijze geen sprake was geweest van adversarial proceedings and equality of arms.12 Duidelijk zal ook zijn dat niet uitsluitend het openbaar ministerie zal kunnen bepalen welk bewijsstuk aan het dossier wordt toegevoegd en welk bewijsstuk niet. In de woorden van het Hof:
`During the applicants' trial at first instance the prosecution decided, without notifying the judge, to withhold certain relevant evidence on grounds of public interest. Such a procedure, whereby the prosecution itself attempts to assess the importance of concealed information to the defence and weigh this against the public interest in keeping the information secret, cannot comply with the above-mentioned requirements of Article 6 § 1.'13
In ons strafrecht dient de rechter te beslissen op de tenlastelegging van de officier van justitie. Dit uitgangspunt geldt niet onverkort voor alle verdragsstaten. Zo vormt in Frankrijk en Duitsland het materiële feit de grondslag van het geding.14 Ook in Spanje geldt een dergelijk uitgangspunt, zo kan worden afgeleid uit de zaak De Salvador Torres. In die zaak had het administratieve hoofd van een provinciaal ziekenhuis zich verrijkt ten koste van het ziekenhuis, doordat hij met de bank die de gelden van het ziekenhuis beheerde was overeengekomen dat de bank een hogere rente betaalde dan wettelijk was toegestaan en hij dit rentesurplus jarenlang in eigen zak had gestoken. Dit feit kwalificeerde naar Spaans strafrecht als verduistering van publieke gelden, een ambtsdelict, omdat het hoofd werd gelijkgesteld met een ambtenaar. De feitenrechter veroordeelde de man tot een gevangenisstraf van anderhalf jaar omdat niet alle delictsbestanddelen waren vervuld en geen algemene strafverzwaringsgrond aanwezig werd geacht. De Salvador Torres beruste hierin. De openbare aanklager en het ziekenhuis als particuliere partij stelden in hun hoger beroep dat het wel om publieke middelen ging. Het Spaanse hooggerechtshof, dat zich alleen over rechtsvragen kon buigen, oordeelde dat het niet ging om verduistering van publieke gelden, omdat het ziekenhuis geen recht op de te veel betaalde rente kon laten gelden. Het oordeelde echter wel dat De Salvador Torres een openbare positie bekleedde en dat deze algemene strafverzwaringsgrond gelegen in de positie van de dader wel toegepast moest worden en kwam uit op vijf jaar gevangenisstraf. De veroordeelde klaagde vervolgens bij het EHRM dat door deze ambtshalve toepassing van een strafverzwaringsgrond door de cassatierechter, hem het recht is onthouden om onverwijld in kennis te worden gesteld van de aanklacht. Het Hof volgde dit betoog niet en oordeelde dat 'the public nature of the application' s position was an element intrinsic to the orginal accusation of embezzlement of public funds and hence known to the applicant from the very outset of the proceedings' .15
In de zaak Imbrioscia speelde de vraag of art. 6 lid 3, onderdeel c, EVRM was geschonden omdat de verdachte tijdens het vooronderzoek aanvankelijk geen daadwerkelijke rechtsbijstand had genoten. In deze zaak oordeelde het EHRM dat de procedure als geheel met voldoende waarborgen was omgeven.16 Anders dan de Zwitserse regering meende het Hof dat het recht op juridische bijstand ook aan de orde kan zijn tijdens het vooronderzoek. In casu had de verdachte echter wel reeds een advocaat, maar die trok zich terug. Toen dit was gebleken is direct een nieuwe advocaat toegewezen. Het kon de autoriteiten dan ook niet worden verweten dat de verdachte bij de politieverhoren niet was bijgestaan. Overigens was in Zwitserland, net als in Nederland, de praktijk dat de advocaat niet aanwezig is bij de politieverhoren. In casu was echter geen toegang tot de advocaat ontzegd, want de advocaat die zich terugtrok had geen verzoek gedaan om de eerste verhoren bij te wonen, terwijl ook de verdachte ten tijde van de verhoren niet zelf aan de bel had getrokken. Met betrekking tot de vraag of een verdachte recht heeft op een advocaat reeds gedurende de politieverhoren is het Hof overigens niet eenduidig. Waar in de zaak Dougan17 nog werd geoordeeld dat uit art. 6 EVRM niet een recht volgt op de fysieke aanwezigheid van een raadsman tijdens de politieverhoren, nam het Hof in de zaak Magee wel aan dat art. 6 EVRM was geschonden wegens het onthouden van rechtsbijstand tijdens de politieverhoren:
‘It is true that the domestic court found on the facts that the applicant had not been illtreated and that the confession which was obtained from the applicant had been voluntary. The Court does not dispute that fmding. At the same time, it has to be noted that the applicant was deprived of legal assistance for over forty-eight hours and the incriminating statements which he made at the end of the first twenty-fours of his detention became the central platform of the prosecution' s case against him and the basis for his conviction.'18
In Salduz formuleerde de Grote Kamer van het Hof — onder aanhaling van zijn eerdere jurisprudentie — de volgende hoofdregel met betrekking tot rechtsbijstand gedurende politieverhoren:
`(...) [T]he Court finds that in order for the right to a fair trial to remain sufficiently "practical and effective" (...) Article 6 § 1 requires that, as a rule, access to a lawyer should be provided as from the first interrogation of a suspect by the police, unless it is demonstrated in the light of the particular circumstances of each case that there are compelling reasons to restrict this right. Even where compelling reasons may exceptionally justify denial of access to a lawyer, such restriction — whatever its justification — must not unduly prejudice the rights of the accused under Article 6 (.. ). The rights of the defence will in principle be irretrievably prejudiced when incriminating statements made during police interrogation without access to a lawyer are used for a conviction.' 19
Het argument van de Turkse autoriteiten dat conform het Turkse recht geen advocaat was toegelaten bij de politieverhoren vormde in dit licht geen basis om een uitzondering op het recht op toegang tot een advocaat te rechtvaardigen. Nu de aan de politie afgelegde bekennende verklaring — die later door hem is ingetrokken — is gebruikt als bewijs, is klager onomkeerbaar in zijn rechten als verdachte geschonden.20 In de zaak Panovits lijkt een gewone kamer van het Europees Hof nog iets verder te gaan. In deze zaak bezochten vader en zoon een politiebureau alwaar de 17-jarige zoon op verdenking van moord en roof werd aangehouden. De zoon kreeg toen een cautie, terwijl de vader van de jongen door het hoofd van de politie werd geadviseerd een advocaat in te schakelen. Voorts werd de vader in de gelegenheid gesteld het eerste politieverhoor bij te wonen. De vader zocht geen juridische bijstand en gaf bovendien aan zelf liever op de gang te wachten. De zoon legde toen tegenover de politie een belastende verklaring af. Voordat hij een schriftelijke bekentenis aflegde werd hij nogmaals op zijn zwijgrecht gewezen. Het Hof overwoog dat bij het onderzoek en de vervolging rekening moet worden gehouden met de kwetsbaarheid en (beperkte) capaciteiten van de minderjarige en dat zoveel mogelijk moet worden voorkomen dat de minderjarige zich geïntimideerd voelt of onvoldoende zicht heeft op what is at stake for him or her.21In het verlengde hiervan overwoog het Hof:
`Accordingly, the Court finds that the Jack of provision of sufficient information on the applicant's right to consult a lawyer before his questioning by the police, especially given the fact that he was a minor at the time and not assisted by his guardian dwing the questioning, constituted a breach of the applicant's defence rights. The Court moreover finds that neither the applicant nor his father acting on behalf of the applicant had waived the applicant's right to receive legal representation prior to his interrogation in an explicit and unequivocal manner.22
Waar het gaat om een minderjarige verdachte neemt het Hof aldus niet alleen een vrij onvoorwaardelijk recht aan op juridische bijstand voorafgaand aan politieverhoren, maar ook een verplichting van de overheid om die verdachte actief rechtshulp aan te bieden. Verder oordeelde het Hof dat de inbreuk die is gemaakt op een due process at the pre-trial stage niet later is hersteld in het strafproces omdat de verklaringen als vrijwillig afgelegd werden bestempeld en als toelaatbaar bewijs werden beschouwd.23 In de Russische zaak Pischchalkinov stelden de autoriteiten ook vergeefs dat de meerderjarige verdachte zijn recht op juridische bijstand had prijsgegeven. Het Hof merkte onder meer op dat het onverklaarbaar was dat de verdachte wel telkens een advocaat had bij allerlei procedurele handelingen ongeacht of hij rechtshulp weigerde, maar tijdens de poltieverhoren niet en dat de verdachte zonder juridische bijstand niet in staat was zijn positie te bepalen.24 In de zaak Brusco lijkt het Hof te oordelen dat niet alleen voorafgaand, maar ook tijdens de politieverhoren juridische bijstand moet worden geboden.25
De ratio van het reeds bij het eerste politieverhoor bieden van rechtsbijstand aan de verdachte is drieledig: het belang om de verdachte te beschermen tegen het overmatig uitoefenen van druk door de autoriteiten; het voorkomen van justitiële dwalingen; en het realiseren van equality of arms.26Daarnaast heeft de advocaat een aantal andere functies. Hij draagt verantwoordelijkheid voor het bespreken van de zaak, de organisatie van de verdediging, het voorbereiden van verhoren, het ondersteunen van de verdachte in nood en het controleren van de detentieomstandigheden.27 Gelet hierop kan de lidstaat niet met succes betogen dat de verdachte die zich op zijn zwijgrecht beroept niet wordt benadeeld indien hem juridische bijstand wordt onthouden.28 Uit het voorgaande volgt voorts dat het recht op rechtsbijstand uiteraard niet alleen in het voortraject bestaat, maar ook in de fase van de vervolging. In de zaak Bogumil werd terecht geklaagd dat de Portugese autoriteiten de hand hadden gelicht met dit recht omdat zij eerst een advocaat-stagiaire hadden toegewezen aan de verdachte, hem vervolgens vanwege de ernst van de feiten (drugssmokkel) een meer ervaren advocaat hadden toegewezen (die zich nauwelijks met de zaak heeft bemoeid) en hem ten slotte op de dag van de rechtszitting weer een nieuwe advocaat hadden toegewezen die slechts vijf uur de tijd had om het dossier te bestuderen.29
Niet altijd is het uitblijven van rechtsbijstand onrechtmatig. In de zaak Zaichenko30 hadden agenten controles uitgevoerd naar aanleiding van een melding dat de werknemers van een bedrijf diesel hadden gestolen uit hun dienstauto. Bij de controle van de auto van Zaichenko, waarbij twee getuigen aanwezig waren, werden twee blikken diesel aangetroffen. Desgevraagd verklaarde Zaichenko de diesel te hebben overgegoten uit zijn dienstwagen. Eerst daarna wordt hij op zijn zwijgrecht gewezen. Hij herhaalt vervolgens zijn eerdere verklaring en bij een latere oproep doet hij afstand van het recht op rechtsbijstand. Het Hof meent dat hij reeds ten tijde van de autocontrole als verdachte moest worden aangemerkt nu hij ten tijde van de controle geen bewijs kon overleggen van de koop van de brandstof. Dat hij niet is aangehouden doet er niet aan af dat zijn situatie toen dusdanig is beïnvloed dat sprake was van een charge. Omdat het onderzoek van de auto in het openbaar heeft plaatsgevonden, de verdachte niet is aangehouden of op een politiebureau is verhoord, is het Hof van oordeel dat er in deze fase van het onderzoek niet reeds een recht op rechtsbijstand was ontstaan. Wel meende het Hof dat ten onrechte eerst een cautie is gegeven na zijn eerste verklaring. Omdat hij zijn situatie niet goed kon overzien zou Zaichenko niet op geldige wijze afstand hebben gedaan van zijn privilege tegen zelfincriminatie. Deze schending van due process tijdens het vooronderzoek is nadien ook niet hersteld omdat de Russische strafrechter Zaichenko schuldig verklaarde aan diefstal op basis van zijn eerste verklaring en hem niet toestond om ter terechtzitting een bon te overleggen ten bewijze dat hij de brandsof had gekocht, terwijl verder onlastende verklaringen van een aantal getuigen niet werden gevolgd. In de zaak Yoldas31 nam het Hof aan dat de verdachte willens en wetens afstand had gedaan van recht op rechtsbijstand tijdens het politieverhoor. Hier speelde mee dat de bekentenissen van klager enkel werden gebruikt voor zover die niet ter zitting, nu met rechtsbijstand, waren ingetrokken.
Ten slotte nog een opmerking over het vooral in comon law-landen wel voorkomende contempt of court, hetgeen meestal inhoudt dat de behandelende rechters zich beledigd voelen door de wijze waarop de advocaat (van de verdachte) het gerecht adresseert en ter zake deze 'overtreding' zelf tot sanctieoplegging overgaan. In een Cyprische zaak klaagde de advocaat Kyprianou er onder meer over dat de rechters hem onderbraken tijdens getuigenverhoren en elkaar ravasakia (liefdesbriefjes) toeschoven. De behandelende rechters zeiden door de klager zwaar te zijn beledigd als persoon en veroordeelden de advocaat tot vijf dagen hechtenis. Dit kon volgens het EHRM niet door de beugel.32 De behandelende rechters hadden hun beschuldiging ter zake van contempt of court ten minste bij een andere kamer ter afdoening moeten parkeren in plaats van zelf tot strafoplegging over te gaan. Uit dit voorbeeld, dat eigenlijk ziet op de onpartijdigheid van de rechter, kan voorts worden afgeleid dat het minst genomen onverstandig is dat de behandelend rechter de advocaat van de verdachte de ruimte ontneemt om naar eigen inzicht de belangen van zijn cliënt te verdedigen, soms zelfs indien de advocaat zich op de grens begeeft van wat nog een betamelijke vorm van communiceren is. Zo lijkt het evenmin verstandig een dergelijke contempt of court aan te nemen, indien de advocaat weigert op te staan voor de rechters als die de zittingszaal binnentreden.33