NJB 2020/2238:Witwassen en de vraag of niet aan de Belastingdienst opgegeven omzet van een B.V. kan gelden als ‘uit misdrijf afkomstig’ in de zin van de artt. 420bis, 420ter en 420quater Sr: vermogensbestanddelen waarover men de beschikking heeft doordat belasting is ontdoken, kunnen worden aangemerkt als voorwerpen afkomstig uit enig misdrijf in de zin van deze bepalingen. Indien de van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn vermengd met vermogensbestanddelen uit legale activiteiten, kan het aldus vermengde vermogen worden aangemerkt als ‘mede’ of ‘deels’ uit misdrijf afkomstig. De aanwezigheid in een vermogen van bestanddelen met een criminele herkomst brengt op zichzelf nog niet mee dat het gehele vermogen als van enig misdrijf afkomstig dient te worden aangemerkt. In casu is ongeveer de helft van de gehele omzet van de B.V. over meerdere jaren niet verantwoord en niet betrokken in de heffing van de vennootschapsbelasting en de omzetbelasting, waardoor sprake is van vermenging van legaal en illegaal verkregen gelden, alsmede dat aldus een belangrijk en niet te verwaarlozen bedrag aan belasting niet is afgedragen aan de Belastingdienst. Dat aan belasting ontdoken bedrag moet worden aangemerkt als het uit enig misdrijf afkomstige voorwerp. In zoverre is ’s hofs conclusie dat ‘alle’ niet verantwoorde omzet kan worden aangemerkt als ‘uit misdrijf verkregen’ niet juist