Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/3.4.3.4
3.4.3.4 Strategische rechts- en forumkeuzes
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192581:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Uitgebreid over strategische rechts- en forumkeuzes: Beekhoven van den Boezem 2014; Jol 2016.
Dat betrof de surseances van GTS, Versatel en UPC. Zie hierover onder anderen: Schaink 2003, p. 173; Harmsen 2003, p. 275 e.v.
Asimacopoulos, Bickle & Paul 2013.
Pilkington 2017, p. xiii.
Zie bijvoorbeeld Re DAP Holding N.V. [2005] EWHC 2092 (Ch); High Court of Justice (Ch) 9 augustus 2012, JOR 2013/58 m.nt. Declercq onder JOR 2013/59 (NEF Telecom); High Court of Justice (Ch) 3 december 2013, JOR 2014/181 m.nt. Declerq (Magyar Telecom B.V.); Re Van Gansewinkel Groep B.V. [2015] EWHC 2151 (Ch); Re Indah Kiat International Finance Company B.V. [2016] EWHC 246 (Ch).
Verordening (EU) 2015/848.
Veder & Kortmann 2015, p. 248; Verhagen & Kuipers 2012, p. 341; Van Gasteren 2011, p. 46; Re Van Gansewinkel Groep B.V. [2015] EWHC 2151 (Ch), nr. 37-34.
s895(2) Companies Act 2006.
Re DAP Holding N.V. [2005] EWHC 2092 (Ch). Zie voor een overzicht van de rechtspraak op dit punt: Veder & Kortmann 2015.
Re Rodenstock GmbH [2011] EWHC 1104 (Ch). Het feit dat er geen crediteuren in Engeland zijn gevestigd hoeft niet in de weg te staan aan het aannemen van ‘sufficient connection’ indien er om andere redenen voldoende aanknopingspunten met Engeland voorhanden zijn, zo blijkt uit Re Primacom Holding GmbH [2011] EWHC 3746 (Ch); Re Primacom Holding GmbH [2012] EWHC 164 (Ch).
Zie bijvoorbeeld High Court of Justice (Ch) 3 december 2013, JOR 2014/181 m.nt. Declerq (Magyar Telecom B.V), nr. 22.
Zie bijvoorbeeld Re Rodenstock GmbH [2011] EWHC 1104 (Ch); Re Primacom Holding GmbH [2011] EWHC 3746 (Ch); Pilkington 2017, §4.035-4.036.
High Court of Justice (Ch) 3 december 2013, JOR 2014/181 m.nt. Declerq (Magyar Telecom B.V.).
Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, opgevolgd door Verordening (EU) Nr. 1215/2012 betreffende rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
Zie bijvoorbeeld Re Van Gansewinkel Groep B.V. [2015] EWHC 2151 (Ch), nr. 41 – 54; Re Global Garden Products Italy SpA [2016] EWHC 1884 (Ch), nr. 23-33; Re DTEK Finance Plc [2016] EWHC 3562 (Ch), nr. 9-20. Zie over deze materie: Veder & Kortmann 2015, p. 245-251; Verhagen & Kuipers 2012 p. 340-347; Pilkington 2017, §4.020-4.027.
In Re New Look Secured Issuer [2019] EWHC 960 (Ch) wordt de rechtspraak op dit punt samengevat door Justice Marcus Smith: “The approach which has been taken in the majority of cases is that, provided that one scheme creditor is domiciled in the United Kingdom, then Article 8 will be engaged and it will be expedient to hear the application for the scheme as regards other creditors: Re Global Garden Products at [25]; Re Metinvest, [2016] EWHC 79 (Ch) at [32];; Re DTEK Finance plc, [2016] EWHC 3563 (Ch) at [25]; Re DTEK Finance plc, [2017] BCC 165 at [18]; Re Bibby Offshore Services plc, [2017] EWHC 3402 (Ch) at [15]; Re Lehman Brothers, [2018] EWHC 1980 (Ch) at [178]. In some cases it has been suggested that it may not be enough to identify a single creditor domiciled in the United Kingdom, and that the court should consider whether the number and size of creditors in the UK are sufficiently large: see Re Van Gansewinkel Groep, [2015] EWHC 2151 (Ch) at [51]); Global Garden Products at [25]; Re Noble Group Ltd [2018] EWHC 3092 (Ch) at [114] to [116]. There is no need to decide this point in the case of the present application, although I would observe that other cases (notably competition cases) dealing with “anchor” defendants strongly suggest the first, more liberal, approach is the better one.”
Re APCOA Parking Holdings GmbH and Others [2014] EWHC 1867 (Ch); Re APCOA Parking Holdings GmbH and Others [2014] EWHC 997 (Ch). Mogelijk speelde daarbij wel een rol dat het ‘slechts’ om een verlenging van de maturity date ging, vgl. Beekhoven van den Boezem 2014, p. 26.
Re DTEK Finance B.V. [2015] EWHC 1164 (Ch), nr. 15-16; Pilkington 2017, §4.037-4.047.
Re Codere Finance Ltd [2015] EWHC 3778 (Ch).
De rechter doet dat ofwel in het kader van de ‘sufficient connection’ toets, ofwel in het kader van zijn ‘discretion’ bij de homologatie. Justice David Richards overwoog in High Court of Justice (Ch) 3 december 2013, JOR 2014/181 m.nt. Declerq (Magyar Telecom B.V), nr. 21-22 dat het vereiste dat er voldoende verband met Engeland bestaat en het vereiste dat de scheme erkend zal worden in het buitenland “not wholly separate questions but, if not aspects of the same question, at least closely related” zijn.
Re Van Gansewinkel Groep B.V. [2015] EWHC 2151 (Ch), nr. 41.
Pilkington 2017, §4.056.
Re Van Gansewinkel Groep B.V. [2015] EWHC 2151 (Ch), nr. 71-76.
Re Global Garden Products Italy SpA [2016] EWHC 1884 (Ch), nr. 36-40.
‘Bankrupt Europeans are flocking to London’, Financial Times 20 augustus 2010; ‘London risks becoming ‘brothel’ for bankruptcy tourists’, The Guardian 31 januari 2010.
Snowden 2018.
Re Van Gansewinkel Groep B.V. [2015] EWHC 2151 (Ch), nr. 6. Zie ook Re Global Garden Products Italy SpA [2016] EWHC 1884 (Ch), nr. 38.
De Minister for Small Business, Consumers and Corporate Responsibility schrijft bijvoorbeeld: “Our system of corporate governance and our insolvency framework, regarded as best in their class, give us a competitive advantage in how we ensure the UK is the best place in the world in which to invest and do business”. Government response: Insolvency and Corporate Governance 2018, p. i.
Zie over de erkenning van schemes ‘post-Brexit’ bijvoorbeeld Pilkington 2017, §4.058-4.070; Vriesendorp 2016; Bil & Flannery 2016.
84. Via strategische rechts- en forumkeuzes is de afgelopen jaren gebruik gemaakt van de herstructureringsmogelijkheden die het Anglo-Amerikaanse recht biedt.1 Zo is diverse malen een Nederlandse surseanceprocedure gecombineerd met een Amerikaanse Chapter 11-procedure.2 De Nederlandse Almatis groep reorganiseerde bijvoorbeeld door middel van een Chapter 11-procedure.3 De Amerikaanse route blijft hier verder buiten beschouwing, omdat het laatste decennium de Nederlandse aandacht voor de Engelse scheme vele malen groter is. De scheme of arrangement heeft in de 21ste eeuw een enorme vlucht genomen als herstructureringsinstrument. De Engelse rechter heeft zich welwillend opgesteld ten opzichte van buitenlandse schuldenaren die door middel van een scheme of arrangement wilden herstructureren. In 2016 had 75% van de gehomologeerde schemes betrekking op niet-Engelse vennootschappen.4 Ook Nederlandse ondernemingen hebben met succes gebruik gemaakt van een scheme.5
85. Vooropgesteld zij dat de scheme of arrangement niet onder de herziene Insolventieverordening (‘IVO II’) valt.6 De scheme is niet genoemd op bijlage A. Daar zijn ook goede redenen voor. Zo is een scheme niet noodzakelijkerwijs een insolventieprocedure, maar kan het instrument ook worden ingezet bij volledig solvente ondernemingen. Bovendien is de procedure ingebed in het ondernemingsrecht, en niet in het insolventierecht.7 Omdat de scheme níet onder IVO II valt, is de bevoegdheid van de Engelse rechter niet beperkt tot die gevallen waarin de schuldenaar zijn centrum van voornaamste belangen in Engeland heeft of in Engeland een vestiging heeft. 8
Een scheme behoort tot de mogelijkheden wanneer een onderneming kan worden vereffend (‘liable to be wound up’) onder de Engelse Insolvency Act 1986.9 Ook ondernemingen die buiten het Verenigd Koninkrijk gevestigd zijn kunnen aan dit criterium voldoen. Voor het aannemen van bevoegdheid is in de eerste plaats vereist dat er een ‘sufficient connection’ met het Verenigd Koninkrijk bestaat.10 Daarvan is bijvoorbeeld sprake als er een gedeelte van de crediteuren zich in Engeland bevindt,11 de onderneming vermogensbestanddelen in Engeland heeft,12het Engelse recht de relevante financieringsdocumentatie beheerst of er een forumkeuze voor de Engelse rechter is gemaakt.13 Ook wanneer de schuldenaar zijn centrum van voornaamste belangen in Engeland heeft, acht de Engelse rechter zich bevoegd. Het feit dat het Centre of Main Interest (COMI) verplaatst is teneinde de scheme-route te kunnen volgen, staat hier niet aan in de weg.14 Hoe deze ruimhartige sufficient connection-leer zich verhoudt tot de internationale bevoegdheidsregeling uit de herschikte EEX-Verordening (‘EEX-Vo’), ook wel bekend als Brussel I bis, is niet geheel helder.15 De Engelse rechters branden hun vingers niet aan deze kwestie, maar gaan in plaats daarvan na of zij bevoegd zouden zijn indien de EEX-Verordening van toepassing zou zijn.16 Gelet op art. 8 EEX-Vo zou het feit dat een van de crediteuren gevestigd is in het Verenigd Koninkrijk, voldoende zijn om bevoegdheid aan te nemen.17
De zaken APCOA en Codere zijn illustratief voor de bereidwilligheid van de Engelse rechter. De Duitse vennootschappen van de APCOA groep voorzagen financiële moeilijkheden en traden in onderhandeling met de financiers teneinde een nieuwe ‘maturity date’ te bespreken. De meeste geldschieters stemden in met een verlenging van drie maanden. In de financieringsdocumentatie was echter bepaald dat voor dergelijke wijzigingen unanimiteit vereist was. Een scheme of arrangement zou uitkomst kunnen bieden om de dwarsliggende crediteuren aan het voorstel te kunnen binden. In de financieringsdocumentatie was echter een rechtskeuze gemaakt voor Duits recht en de Duitse rechter was als bevoegd forum aangewezen. Teneinde sufficient connection met het Verenigd Koninkrijk te bewerkstelligen, werd besloten het toepasselijke recht en het bevoegde forum in de leningsdocumentatie te wijzigen. Daartoe was ingevolge de overeenkomst namelijk slechts instemming van twee derde van de financiers nodig. De Engelse rechter oordeelde na raadpleging van diverse experts dat de wijziging van het toepasselijke recht op een geldige wijze was geëffectueerd. Vervolgens concludeerde Justice Hildyard dat er sprake was van sufficient connection met het Verenigd Koninkrijk.18 Deze tactiek om het toepasselijk recht te wijzigen is nadien ook gebruikt in de herstructurering van DTEK.19
In de Codere-zaak sprak Justice Newey van “extreme forum shopping”. De Luxemburgse vennootschap had obligaties uitgegeven die werden beheerst door het recht van New York. Door een nieuwe Engelse vennootschap op te richten en deze ‘co-issuer’ van de obligaties te maken werd een voldoende verband met Engeland gecreëerd. De rechter concludeerde uiteindelijk dat de zaak een voorbeeld was van “good forum shopping”, omdat met de scheme werd beoogd het best mogelijke resultaat voor de schuldeisers te verwezenlijken.20
86. De Engelse rechter gaat ook na of de scheme erkend zal worden in de relevante jurisdictie(s).21“The English court does not need certainty as to the position under foreign law—but it ought to have some credible evidence to the effect that it will not be acting in vain”, aldus Justice Snowden.22 De Engelse rechter leunt daarbij op de opinies van experts uit de landen waarin de scheme erkend dient te worden.23
In dat kader heeft lang discussie gewoed over de vraag of de ‘sanctioning order’ ter zake van een scheme kwalificeert als een ‘beslissing’ in de zin van de EEX-Vo. Als dat het geval is, geldt in beginsel dat de uitspraak van de rechter in alle EU-lidstaten erkend wordt en ten uitvoer kan worden gelegd.24 In de Van Gansewinkel-zaak was de Engelse rechter voldoende overtuigd dat het vonnis in Nederland en België erkend zou worden.25 In de zaak met betrekking tot het Italiaanse Global Garden Products kwam Justice Snowden op basis van het door experts geleverde bewijs tot eenzelfde conclusie.26
87. De ruimhartige wijze waarop de Engelse rechter rechtsmacht aanneemt heeft Engeland de bijnaam ‘bankruptcy brothel’ opgeleverd.27 Daarbij past de kanttekening dat de buitenlandse vennootschappen die zich in de afgelopen jaren tot de Engelse rechter wendden, dat doorgaans deden vanwege het ontbreken van toereikende herstructureringsmechanismen in het eigen lokale recht.28 Bovendien blijkt uit de rechtspraak dat de Engelse rechter zeer op de hoede is wanneer het gaat om schemes ter zake van buitenlandse vennootschappen. In de Van Gansewinkel-zaak werd overwogen:
“In circumstances such as these, there is a considerable commercial imperative, and indeed pressure, upon the court to approve a scheme of arrangement. It should be emphasised, however, that even where the scheme in question has the support of an overwhelming majority of the creditors who are to be subject to it, the court does not act as a rubber stamp. Whether or not the scheme is opposed, the court requires those presenting the scheme to bring to its attention all matters relevant to jurisdiction and the exercise of its discretion. The court will then consider carefully the terms and effect of what is proposed, whether it has jurisdiction, and whether it is appropriate to exercise such jurisdiction. That is particularly the case when the court is considering a scheme for an overseas company which does not have its COMI or an establishment in England, where jurisdictional issues necessarily arise, and where recognition of the scheme in other countries will be important.“29
Het Verenigd Koninkrijk laat zich graag voorstaan op haar goede reputatie als het gaat om het corporate insolvency framework.30 Of Londen post-Brexit haar positie als herstructureringshub kan handhaven is in de eerste plaats mede afhankelijk van de ontwikkelingen in het recht van andere jurisdicties. In juli 2021 verstrijkt de implementatietermijn van de Herstructureringsrichtlijn. Vanaf dat moment moeten alle Europese lidstaten preventieve herstructureringsprocedures kennen.31 Indien ook de in nr. 83 besproken voorstellen van de Engelse regering worden omgezet in wetgeving, zal het speelveld er substantieel anders uit komen te zien. Er zullen nieuwe of bijgewerkte procedures voorhanden zijn die dezelfde mogelijkheden, of zelfs nog meer mogelijkheden bieden dan de Engelse scheme. Of de Engelse scheme nog door buitenlandse schuldenaren gebruikt zal worden, is bovendien in belangrijke mate afhankelijk van duidelijkheid omtrent het toepasselijke regime voor erkenning.32