Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht
Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/2.2.4:2.2.4 Een “strickte en egale practijck”
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/2.2.4
2.2.4 Een “strickte en egale practijck”
Documentgegevens:
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS462063:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Plakkaatboek, deel 4, 1744, p. 134.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ondanks de formele compositieregeling en de ontstane compositiepraktijk bleven de Staten-Generaal het uitgangspunt huldigen dat met het Generaal Plakkaat van 31 juli 1725 een begin moest worden gemaakt met een “strickte en egale practijck” teneinde onder andere een ongelijke behandeling van personen bij het vervolgen van fraude tegen te gaan.
In de considerans van het Generaal Plakkaat van 31 juli 1725 werd dit standpunt als volgt verwoord:
“Dat oock in het ondersoecken en agterhalen van de selve frauden en onbehoorlycke handelingen, en in het straffen van dien, soo goede en eenparige ordre en voet niet is gehouden, als der Landen dienst, en der Ingezetenen welvaart komt te vereyssen, en bij Onse voorige Ordonnantien gestatueert is.”1
Bovenstaande passage zou mijns inziens als een uitwerking van het gelijkheidsbeginsel kunnen worden gezien. Door de slechte financiële positie van de Republiek, de voortdurende fraude en het, uit commerciële overwegingen, toestaan van die fraude was het nodig om fors op te treden. Niet alleen tegen de fraudeurs zelf, maar ook tegen die Republieken en haar onderdanen, die het met de handhaving van de voorschriften niet zo nauw namen. Vandaar dat de Staten-Generaal niet slechts met betrekking tot het heffen van belastingen, maar ook aangaande het bestraffen van fraudeurs sterk vasthielden aan hun wettelijke boetetarieven. Mijns inziens kan hier dan ook gesproken worden van een doorgeschoten vorm van het gelijkheidsbeginsel, omdat de formele regelgeving vrijwel geen ruimte liet om in geval van beboeting andere beginselen, waaronder bijvoorbeeld het evenredigheidsbeginsel, toe te passen.