Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/18.1:18.1 Inleiding
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/18.1
18.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS500780:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 1.7 hiervoor.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Verschillende historie, grondslagen en systematiek in het Nederlandse strafprocesrecht
De bevindingen in het vorige hoofdstuk over de doorwerking van het recht tegen gedwongen zelfbelasting in Nederlandse fiscale boetezaken, zijn niet een-op-een toepasselijk op Nederlandse fiscale strafzaken. De rechten en waarborgen die in de fiscaal-strafvorderlijke sfeer uitdrukking geven aan het recht tegen gedwongen zelfbelasting dan wel rechtstreeks bijdragen aan de realisatie van dit recht, zijn weliswaar verwant, maar er zijn accentverschillen. Die zijn terug te voeren op een verschillende historie, grondslagen en systematiek van het Nederlandse staf(proces)recht.1
Hier is vooral van belang dat de vraag naar de betekenis van nemo tenetur voor het (fiscaal) strafrecht, zich aandiende lang voordat het EHRM begin jaren negentig van de vorige eeuw in art. 6 EVRM een zwijgrecht en een niet-meewerkrecht las. Omdat het toepassingsbereik van het strafrechtelijk zwijgrecht in art. 29 Sv vergelijkbaar is met dat van het Straatsburgse zwijgrecht en de Nederlandse wetgever en rechter het nemo tenetur-beginsel interpreteren in het licht van de verklaringsvrijheid, speelt de Straatsburgse nemo tenetur-rechtspraak niet of nauwelijks een zichtbare rol in onze strafwetgeving en -rechtspraak. Zeker in vergelijking met het Nederlandse (fiscale) boeterecht.
Hierna zal ik onderzoeken welke rechten en waarborgen in de fiscaal-strafvorderlijke sfeer uitdrukking geven aan het recht tegen gedwongen zelfbelasting in art. 6 EVRM dan wel rechtstreeks bijdragen aan de realisatie van dit recht. Dit met het oog op de vaststelling of het recht tegen gedwongen zelfbelasting (ook) in fiscale strafzaken voldoende tot gelding komt. In de kern gaat het dan om het strafrechtelijk zwijgrecht en de cautieplicht in art. 29 Sv, het recht op rechtsbijstand in art. 6, lid 3, onder c EVRM en het recht tegen gedwongen zelfbelasting in art. 6, lid 1 EVRM. Deze rechten en waarborgen zijn met elkaar verbonden en gelden in persoon: enkel de verdachte ex art. 27 Sv kan zich beroepen op miskenning ervan door de autoriteiten.