NJ 2020/285
Niet onbegrijpelijk oordeel hof dat geen sprake is van een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt als bedoeld in art. 344a lid 3 Sv. Dus geen nadere motiveringsplicht ex art. 360 Sv.
HR 09-06-2020, ECLI:NL:HR:2020:1007, m.nt. T. Kooijmans
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
9 juni 2020
- Magistraten
Mrs. W.A.M. van Schendel, Y. Buruma, J.C.A.M. Claassens, M.T. Boerlage, M. Kuijer
- Zaaknummer
18/04774
- Conclusie
A-G mr. G. Knigge
- Noot
T. Kooijmans
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS227758:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2020:1007, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑06‑2020
ECLI:NL:PHR:2020:72, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 18‑02‑2020
Beroepschrift, Hoge Raad, 07‑09‑2019
- Wetingang
Samenvatting
Op grond van art. 360 lid 1 en lid 4 Sv dient de rechter het gebruik voor het bewijs van een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt (art. 344a lid 3 Sv) op straffe van nietigheid nader te motiveren. De rechter moet vermelden ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.