Zaaksvervanging
Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/3.1:3.1 Inleiding
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/3.1
3.1 Inleiding
Documentgegevens:
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS625817:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
64.
Uit het overzicht van de toepassingen van zaaksvervanging dat in het vorige hoofdstuk is gegeven, blijkt dat zaaksvervanging breed verspreid is in het goederenrecht. Niet alleen in Nederland, maar ook in de ons omringende landen, wordt het gezien ais een mogelijkheid om resultaten te bereiken waarin de belangen van betrokkenen tot hun recht komen. De achtergrond van deze bepalingen blijft echter casuïstisch,1 hetgeen de inzetbaarheid van zaaksvervanging ais juridisch instrument niet ten goede komt. Dit onderzoek richt zich in dit hoofdstuk daarom achtereenvolgens op de ratio en in het volgende hoofdstuk op de methode van zaaksvervanging.
In een onderzoek naar de wenselijkheid en de mogelijkheid van een rechtsfiguur behoort het eerste voorop te staan. Zoals Suijling schreef: 'Het recht bestaat niet om zijns zelfs wil; het heeft de mens in zijn handel en wandel te dienen'.2 Alleen voor regels die een bijdrage leveren aan een goed functioneren van de samenleving, is plaats in een wettelijk stelsel. De ratio in ruime zin, dat wil zeggen de achter zaaksvervanging liggende gedachte, dient om deze reden onderzocht te worden.
Beantwoording van de vragen welke rol zaaksvervanging speelt in het goederenrecht en welk doel hiermee bereikt moet worden, vereist het in ogenschouw nemen van bestaande theorieën met betrekking tot de bestaansreden van zaaksvervanging. Zij worden op basis van de eerder gedane onderzoeken van Langemeijer, Hammerstein en Sagaert kort beschreven in paragraaf 3.2. 3 In de volgende paragraaf worden de verkregen inzichten gecombineerd met de bestaande toepassingen die in het vorige hoofdstuk zijn beschreven, om de ratio van zaaksvervanging in het algemeen te bepalen. Zoals hieruit blijkt spelen de redelijkheid en billijkheid een belangrijke rol bij de rechtvaardiging van zaaksvervanging, in het bijzonder doordat met zaaksvervanging wordt voorkomen dat een ongerechtvaardigde vermogensverschuiving optreedt. Aangezien de redelijkheid en billijkheid door haar ruime bereik op zich weinig houvast biedt voor het bepalen van de potentiële reikwijdte van zaaksvervanging, is het nodig dit begrip na der te concretiseren. Hiervoor wordt aansluiting gezocht bij art. 6:212 BW als een van de gedaanten van de redelijkheid en billijkheid in het privaatrecht. De ratio in enge zin, dus het doel dat met zaaksvervanging in het algemeen of een bepaling in het bijzonder wordt nagestreefd, is vergelijkbaar met die van de actie uit ongerechtvaardigde verrijking. Om deze reden wordt in paragraaf 3.4 gekeken in hoeverre de vereisten voor het instellen van een vordering op grond van art. 6:212 BW de ratio van zaaksvervanging kunnen helpen invullen.