Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/6.5.3:6.5.3 ‘Criminal charge’: dilemma zou bepalend moeten zijn
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/6.5.3
6.5.3 ‘Criminal charge’: dilemma zou bepalend moeten zijn
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS493450:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dat het vervolgens toch niet tot een strafprocedure tegen hem komt, zou hieraan overeenkomstig de opvatting van het Hof (zie § 3.3.5.3 hiervoor) niet afdoen. Vgl. A-G Bleichrodt, conclusie bij HR 8 juli 2008, NJ 2008, 455 (m.nt. Schalken), pt. 14.14.
EHRM 27 februari 1980, (Deweer t. België) NJ 1980, 561), § 44-45.
Dit is niet zonder meer het geval. De criminal charge kan bijvoorbeeld steunen op bewijs dat buiten de verdachte om is vergaard.
Zie hoofdstuk 8 hierna.
Zie de vorige noot.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hun dissenting opinion bij de zaak Weh, die met de kleinst denkbare meerderheid werd beslist, menen de rechters Lorenzen, Levits en Hajiyev dat de criminal charge als scherprechter voor de toepasselijkheid van het recht tegen gedwongen zelfbelasting, onder omstandigheden te ver in de tijd ligt om de verdachte tegen ernstige zelfbelasting (in een strafachtige context)te vrijwaren. Zij geven er de voorkeur aan grotere betekenis toe te kennen aan de vaststelling of de verdachte al dan niet een andere keuze had tussen enerzijds (belastend) verklaren en anderzijds het riskeren van beboeting of gevangenisstraf wegens de weigering om te verklaren. Is dit het geval, dan zal volgens de ‘dissenters’ sprake (kunnen) zijn van een wezenlijke aantasting van de positie van de betrokkene en dus van een criminal charge, zodat hem een beroep op het zwijgrecht toekomt.1 Steun voor deze opvatting vinden de rechters in de zaak Deweer.2
Temporele werkingssfeer zwijgrecht
Deze opvatting legt een op het eerste gezicht teer punt bloot van (de uitleg door het EHRM van) het criminal charge-begrip, namelijk dat het beginpunt ervan te ver in de tijd ligt om de verdachte tegen gedwongen zelfbelasting te beschermen. De toepasselijkheid van art. 6 EVRM c.q. het daarin gelezen recht tegen gedwongen zelfbelasting, is volgens het Hof afhankelijk van (het aanvangsmoment van) de strafaanklacht of hiermee gelijk te stellen maatregelen. Kennelijk aanvaardt het (daarom) dat de verdachte dan al een wezenlijk deel van het voor een veroordeling benodigde bewijs kan hebben verstrekt.3 Hierdoor boet de betekenis van het recht tegen gedwongen zelfbelasting voor de ‘fairness’ van de strafprocedure aan belang in. De afbreuk die dit doet aan het recht tegen gedwongen zelfbelasting, wordt in de opvatting van de ‘dissenters’ (enigszins) beperkt.
Ik maak hierbij drie kanttekeningen. De eerste is dat de (bestuurlijke) handhaving van voorschriften die in het algemeen belang zijn uitgevaardigd, serieus zou worden belemmerd wanneer het ‘charge’-begrip (te) vroeg in de tijd ligt.4 De tweede kanttekening is dat de vaststelling of de verdachte zich gesteld ziet voor de keuze tussen enerzijds (belastend) verklaren en anderzijds het riskeren van beboeting of gevangenisstraf wegens de weigering om te verklaren, een nog speculatiever werkzaamheid is dan het nu al is. De derde en laatste kanttekening is dat het niet kunnen inroepen van het zwijgrecht niet belet, dat de betrokkene later een beroep op het bewijsverbod doet, als gevolg waarvan de afgelegde verklaring eventueel van het bewijs wordt uitgesloten.5 Zo bezien is de keuze van het Hof voor (het aanvangsmoment van) de criminal charge te billijken.